Выбрать главу

Ze kwamen heel langzaam vooruit. Om te verhinderen dat ze elkaar kwijt zouden raken en verschillende richtingen uit zouden dwalen, liepen ze achter elkaar, Frodo voorop. Daarachter kwam Sam en achter hem kwam Pepijn en daarachter Merijn. Er scheen geen einde aan de vallei te komen. Plotseling zag Frodo een hoopvol teken. Aan beide zijden begon iets donkers door de mist te schemeren en hij vermoedde dat ze eindelijk de opening in de Heuvels naderden; de noordelijke toegang tot de Grafheuvels. Als zij die door konden gaan, zouden ze vrij zijn.

‘Vooruit! Volg mij!’ riep hij over zijn schouder en spoedde zich voort. Maar zijn hoop sloeg weldra om in verbijstering en schrik. De donkere plekken werden donkerder, maar ze werden kleiner; en plotseling zag hij twee enorme rechtopstaande stenen dreigend voor zich oprijzen; ze leunden tegen elkaar aan als de zuilen van een deur zonder bovenkant, twee enorme rechtopstaande stenen. Hij kon zich niet herinneren enig teken hiervan in het dal te hebben gezien toen hij er ’s morgens van de heuvel op had neergekeken. Bijna voor hij er erg in had, was hij ertussendoor gereden: en terwijl hij dit deed, scheen duisternis rondom hem te vallen. Zijn pony steigerde en brieste, en hij viel eraf. Toen hij omkeek zag hij dat hij alleen was; de anderen waren hem niet gevolgd.

‘Sam!’ riep hij. ‘Pepijn! Merijn! Kom nu! Waarom blijven jullie niet bij me?’

Er kwam geen antwoord. Hij werd door angst gegrepen, en hij snelde terug langs de stenen, wild roepend: ‘Sam! Sam! Merijn! Pepijn!’ De pony sloeg in de mist op hol en verdween. Uit de verte, of zo leek het althans, meende hij een kreet te horen: ‘Hé! Frodo! Hé!’ Het kwam uit oostelijke richting, links vanwaar hij onder de grote stenen ingespannen in de duisternis stond te staren. Hij snelde in de richting van het geluid en merkte dat hij een steile heuvel opging.

Terwijl hij voortstrompelde, riep hij opnieuw en bleef almaar wilder roepen; een tijdlang hoorde hij geen antwoord, maar toen ineens scheen het flauw van ver en hoog boven hem te komen. ‘Frodo! Hé!’ klonken de ijle stemmen uit de mist, en toen een kreet die klonk als help, help, die vaak werd herhaald en eindigde met een laatste help, als een langgerekte jammerklacht die plotseling werd afgebroken. Hij strompelde zo vlug hij kon in de richting van de kreten, maar het licht was nu verdwenen en de omklemmende nacht had hem ingesloten, zodat het onmogelijk was om zeker te zijn van enige richting. Hij scheen almaar hoger en hoger te klimmen.

Hij merkte het alleen aan de verandering van het terrein onder zijn voeten toen hij eindelijk op de top van een rug of heuvel kwam. Hij was moe en transpireerde, maar had het niettemin koud. Het was pikkedonker.

‘Waar zijn jullie?’ riep hij ongelukkig uit.

Er kwam geen antwoord. Hij bleef staan luisteren. Hij merkte plotseling dat het heel koud begon te worden en dat er daarboven een wind opstak, een ijzige wind. Het weer begon te veranderen. De mist joeg nu in slierten en flarden langs hem heen. Zijn adem dampte en de duisternis was minder dicht en nabij. Hij keek omhoog en zag tot zijn verbazing dat er flauwe sterren boven hem verschenen tussen de jagende wolkenflarden en mist. De wind begon over het gras te suizen.

Hij verbeeldde zich plotseling dat hij een gesmoorde kreet hoorde, en hij ging eropaf; en terwijl hij voorwaarts ging, werd de mist opgerold en opzij geworpen en de sterrenhemel werd ontsluierd. In een oogopslag zag hij dat hij nu naar het zuiden keek en op de ronde top van een heuvel stond, die hij van de noordzijde moest hebben beklommen. Uit het oosten woei de snijdende wind. Aan zijn rechterkant doemde een donkere zwarte omtrek tegen de sterren in het westen op. Er lag daar een grote grafheuvel.

‘Waar zijn jullie?’ riep hij opnieuw, boos en bang.

‘Hier!’ zei een stem, diep en koud, die uit de grond scheen te komen. ‘Ik wacht op je!’

‘Nee!’ zei Frodo, maar hij liep niet weg. Zijn knieën knikten en hij viel op de grond. Er gebeurde niets en er klonk geen geluid. Hij keek bevend omhoog, op tijd om een lange donkere figuur te zien, als een schaduw tegen de sterren. Hij dacht dat er twee ogen waren, heel koud, hoewel lichtend met een flets licht dat van veraf scheen te komen. Toen voelde hij een greep die sterker en kouder was dan ijzer. De ijzige aanraking deed zijn beenderen verstijven, en toen herinnerde hij zich niets meer.

Toen hij weer bijkwam, kon hij zich een ogenblik niets anders herinneren dan een gevoel van angst. Maar plotseling wist hij dat hij gevangen was, hopeloos gevangen: hij bevond zich in een grafheuvel. Een Grafgeest had hem gegrepen en hij verkeerde waarschijnlijk al in de verschrikkelijke betovering van de Grafgeesten, waarvan gefluisterde verhalen spraken. Hij durfde zich niet te bewegen, maar bleef liggen in de houding waarin hij was ontwaakt: plat op zijn rug op een koude steen met zijn handen op zijn borst.

Maar hoewel zijn angst zo groot was dat hij deel van de rondom hem heersende duisternis scheen uit te maken, merkte hij dat hij aan Bilbo Balings en diens verhalen lag te denken, en hoe zij samen door de lanen van de Gouw hadden gelopen en over wegen en avonturen hadden gesproken. Er ligt een zaadje moed verborgen (weliswaar vaak diep) in het hart van de dikste en verlegenste hobbit, dat erop wacht tot een beslissend en wanhopig gevaar het doet ontkiemen. Frodo was niet erg dik en ook niet erg verlegen; en ofschoon hij dit eigenlijk niet wist, had Bilbo (en ook Gandalf) hem de beste hobbit van de Gouw gevonden. Hij dacht dat hij aan het einde van zijn avontuur was gekomen, en een verschrikkelijk einde bovendien, maar die gedachte verhardde hem. Hij merkte dat hij moed kreeg, als voor een laatste sprong. Hij voelde zich niet langer slap als een hulpeloze prooi.

Terwijl hij daar lag te denken en zichzelf in de hand kreeg, merkte hij ineens dat de duisternis langzaam begon te wijken: een bleekgroen licht gloeide rondom hem op. Eerst kon hij niet zien in wat voor omgeving hij eigenlijk was, want het licht scheen uit hemzelf te komen en uit de grond naast hem, en had het dak of de muur nog niet bereikt. Hij draaide zich om, en daar in het koude schijnsel zag hij Sam, Pepijn en Merijn naast zich liggen. Zij lagen op hun rug en hun gezichten zagen er doodsbleek uit en ze waren in het wit gekleed. Rondom hen lagen vele schatten, van goud misschien, hoewel ze er in dat licht koud en onaantrekkelijk uitzagen. Om hun hoofd hadden zij banden, om hun middel zaten gouden kettingen en aan hun vingers prijkten vele ringen. Ze hadden zwaarden aan hun zijde en schilden lagen aan hun voeten. Maar over hun drie nekken lag één lang ontbloot zwaard.

Plotseling begon er een lied: een kil gemompel, dat op en neer golfde. De stem scheen ver weg en onuitsprekelijk droevig, soms hoog in de lucht en ijl, soms als een diep onderaards gesteun. Uit de vormloze stroom van droeve, maar afschuwelijke geluiden vormden zich nu en dan reeksen woorden: grimmige, harde, koude woorden, harteloos en ongelukkig. De nacht voer uit tegen de ochtend waarvan hij was beroofd, en de kou vervloekte de warmte waarnaar hij hunkerde. Frodo huiverde tot in zijn merg. Na een tijdje werd het lied duidelijker en met angst in het hart merkte hij dat het in een bezweringsformule was overgegaan:

Koud zij hand en hart en been en koud de slaap onder een steen; nooit meer ontwaken op stenen bed tot de Zon is gedoofd en de Maan ontzet. De zwarte wind maakt de sterren koud, laat roerloos liggen hen hier op goud, tot de donkere vorst opheft zijn hand over dode zee en ’t verdorde land.