Выбрать главу

Achter zijn hoofd hoorde hij een krakend en schrapend geluid. Hij verhief zich op een arm, keek en zag nu in het vage licht dat ze in een soort gang lagen, die achter hen een hoek omsloeg. Om die hoek tastte een lange arm, die op zijn vingers naar Sam liep, die het dichtstbij lag, en naar het gevest van het zwaard dat over hem heen lag.

Aanvankelijk had Frodo het gevoel dat hij inderdaad door de bezwering in steen was veranderd. Toen kwam een wilde gedachte aan ontsnappen bij hem op. Hij vroeg zich af of de Grafgeest hem over het hoofd zou zien als hij de Ring aan deed, en hij een weg naar buiten zou kunnen vinden. Hij zag zichzelf al in gedachten vrij over het gras rennen, rouwend om Merijn, Sam en Pepijn, maar zelf vrij en in leven. Gandalf zou toegeven dat hij niets anders had kunnen doen.

Maar de moed die in hem was aangewakkerd, bleek nu te sterk; hij kon zijn vrienden niet zo gemakkelijk in de steek laten. Hij weifelde terwijl hij in zijn zak rondtastte, en streed toen weer met zichzelf; maar ondertussen kroop de arm naderbij. Plotseling stond zijn besluit vast, hij greep een kort zwaard dat naast hem lag, en knielend boog hij zich laag over de lichamen van zijn metgezellen. Met alle kracht waarover hij beschikte, hakte hij op de pols van de kruipende arm in en de hand brak af, maar tegelijkertijd versplinterde het zwaard tot het gevest. Er klonk een gil en het licht verdween. In het donker klonk gegrom.

Frodo viel voorover over Merijn heen en Merijns gezicht voelde koud aan. Maar plotseling herinnerde hij zich het huis aan de voet van de Heuvel en het gezang van Tom, dat hij sinds de mist was komen opzetten, helemaal was vergeten. Hij herinnerde zich het rijm dat Tom hem had geleerd. En met een zwakke wanhopige stem begon hij: Hé, Tom Bombadil! En toen hij die naam eenmaal had uitgesproken, scheen zijn stem krachtig te worden: zij had een volle en levendige klank, en de donkere ruimte schalde als van een trommel en een trompet.

Hé, Tom Bombadil, Tom Bombadil, Bij water, bos en heuvel, bij riet en wilg, Bij vuur, zon en maan, luister en hoor ons, Kom, Tom Bombadil, want gevaar ligt voor ons!

Plotseling viel er een diepe stilte, waarin Frodo zijn hart kon horen kloppen. Na een langgerekt ogenblik hoorde hij duidelijk, maar ver weg, alsof het door de grond of dikke muren heen drong, een stem die antwoordde, zingen:

De ouwe Tom Bombadil is een vrolijk kwastje, Zijn laarzen zijn geel en knalblauw is zijn jasje. Want Tom, die de meester is, heeft geen ooit gevangen: Zijn liedjes zijn sterker en zijn benen zijn langer.

Er klonk een luid rommelend geluid, als van rollende en vallende stenen, en plotseling stroomde het licht naar binnen, echt licht, het heldere daglicht. Een lage, op een deur gelijkende opening verscheen aan het einde van de kamer voorbij Frodo’s voeten en daar was Toms hoofd (compleet met hoed en veer) tegen het licht van de zon, die rood achter hem opging. Het licht viel op de grond en op de gezichten van de drie hobbits die naast Frodo lagen. Ze bewogen zich niet, maar de doodskleur was weggetrokken. Ze zagen er nu uit alsof ze alleen maar heel zwaar sliepen.

Tom boog zich voorover, nam zijn hoed af en kwam de donkere kamer binnen terwijl hij zong:

Weg jij, ouwe Geest! Verdwijn in het zonlicht! Verschrompel als de koude mist, ga huilen als de winden In de woeste landen ver achter de bergen! Kom nimmer weer hier! Laat je Grafheuvel ledig! Wees verloren en vergeten, donkerder dan de duisternis Waar poorten altijd dicht zijn, tot de wereld is genezen.

Na deze woorden klonk er een kreet en een gedeelte van het inwendige van de ruimte stortte krakend in. Toen klonk er een langgerekte gil, die in een onvoorstelbare verte uitstierf, en daarna was het stil.

‘Kom, vriend Frodo,’ zei Tom. ‘Laat ons naar buiten gaan op het schone gras! Je moet me helpen hen te dragen.’

Samen droegen ze Merijn, Pepijn en Sam naar buiten. Toen Frodo de grafheuvel voor de laatste keer verliet, meende hij een afgehakte hand te zien die nog wriggelde als een gewonde spin in een hoop neergestorte aarde. Tom ging weer naar binnen en er klonk een luid gebons en gestamp. Toen hij naar buiten kwam, had hij een kostbare schat in de armen: voorwerpen van goud, zilver, koper en brons; een groot aantal kralen en kettingen en met juwelen bezette sieraden. Hij klom op de groene grafheuvel en legde alles in de zonneschijn op de top.

Daar bleef hij staan, met zijn hoed in de hand en de wind in zijn haren, en keek neer op de drie hobbits, die op hun rug in het gras waren gelegd aan de westzijde van de heuvel. Terwijl hij zijn hand ophief, zei hij op heldere gebiedende toon:

Ontwaak nu, m’n vrienden. Hoor nu mijn roep schallen! Verwarm hart en leden! De koude steen is gevallen; Zwarte deur staat wijd open; dode hand is gebroken. Nacht onder Nacht is heen, en de Poort is open!

Tot Frodo’s grote vreugde bewogen de hobbits zich, strekten hun armen uit, wreven in hun ogen, en sprongen plotseling op. Ze keken verbaasd in het rond, eerst naar Frodo en toen naar Tom, die levensgroot op de grafheuvel boven hen stond, en toen naar zichzelf in hun dunne witte vodden, gekroond en omgord met goud en rinkelende sieraden.

‘Wat in ’s hemelsnaam,’ begon Merijn toen hij het gouden bandje voelde, dat over één oog was gezakt. Toen zweeg hij en zijn gezicht betrok en hij sloot de ogen. ‘Natuurlijk, ik weet het weer!’ zei hij. ‘De mannen van Carn Dûm hebben ons bij nacht overvallen en overwonnen. Ach, de speer in mijn hart!’ Hij sloeg de handen voor zijn borst. ‘Nee! Nee!’ zei hij en opende de ogen weer. ‘Wat zeg ik allemaal? Ik heb gedroomd. Waar ben jij geweest, Frodo?’

‘Ik dacht dat ik verdwaald was,’ zei Frodo, ‘maar ik wil er liever niet over praten. Laat ons beraden wat ons nu te doen staat. Laten we verdergaan!’

‘Wat, meneer, in deze soepjurken?’ vroeg Sam. ‘Waar zijn mijn kleren?’ Hij wierp zijn hoofdband, gordel en ringen op het gras en keek toen hulpeloos rond alsof hij verwachtte zijn mantel, jas en broek en andere hobbitkleren ergens vlakbij te vinden. ‘Je kleren ben je kwijt, hoor!’ zei Tom, toen hij van de grafheuvel afsprong en lachend in het zonlicht om hen heen danste. Je zou de indruk hebben gekregen dat er niets gevaarlijks of vreselijks was gebeurd en, voorwaar, de schrik verdween uit hun harten toen ze naar hem keken en de vrolijke glans in zijn ogen zagen.

‘Wat bedoel je?’ vroeg Pepijn. ‘Hoezo?’

Maar Tom schudde het hoofd en zei: ‘Je hebt jezelf weergevonden, uit het diepe water. Kleren zijn slechts een klein verlies als je haast was verdronken. Wees blij, m’n beste vrienden, en laat de warme zon nu hart en lijf verwarmen. Trek uit die koude lompen. Ren naakt op het gras, terwijl Tom op jacht gaat!’

Hij sprong de heuvel af, fluitend en roepend. Toen hij hem nakeek, zag Frodo hem in zuidelijke richting de groene kom door rennen tussen hun heuvel en de volgende, nog steeds fluitend en roepend:

Hé nu! Kom, hoi nu! Waarnaartoe dwaal je? Hoog, laag, dichtbij of ver? Kom hier of ik haal je, Scherpoor, Wijsneus, Zwaaistaart en Lomperd, Witsokje, m’n jongen, en ouwe Dikzak Slomper!

Zo zong hij, terwijl hij voortholde en zijn hoed in de lucht gooide en weer opving, tot hij aan het zicht werd onttrokken door een glooiing van het terrein. Maar zijn Hé nu! Hoi nu! werd aangedragen op de wind die nu naar het zuiden was gedraaid.

Het begon weer erg warm te worden. De hobbits renden een tijdje over het gras, zoals hij hun had gezegd. Toen gingen ze zich in de zon liggen koesteren met de verrukking van hen die plotseling uit de bittere winter naar een mild klimaat zijn overgebracht, of van mensen die, na lang ziek te bed te hebben gelegen, op een goede dag wakker worden en merken dat ze onverwachts beter zijn en de dag weer vol beloften is.