Tegen de tijd dat Tom terugkeerde voelden ze zich sterk (en hongerig). Hij verscheen weer, de hoed eerst, over de rand van de heuvel en achter hem volgden gehoorzaam achter elkaar zes pony’s: de vijf van henzelf en nog een. De achterste was duidelijk de oude Dikzak Slomper: hij was groter, sterker, dikker (en ouder) dan hun eigen pony’s. Merijn, die de eigenaar van de andere dieren was, had hen in feite heel andere namen gegeven, maar ze gehoorzaamden voor de rest van hun leven aan de nieuwe namen die Tom hun had gegeven. Tom riep ze een voor een en ze klommen over de rand en gingen in een rij staan. Toen boog Tom voor de hobbits.
‘Hier zijn jullie pony’s weer,’ zei hij. ‘Ze zijn verstandiger (in zeker opzicht) dan jullie, dolende hobbits – meer verstand in hun neuzen. Want zij ruiken het gevaar waar jullie recht op aflopen; en als ze rennen voor hun hachje, rennen ze de goede kant uit. Je moet hun maar vergeven, want hoewel hun hart trouw is, waren ze niet geschapen om hun angst voor Grafgeesten het hoofd te bieden.
Kijk, daar komen ze weer, met al hun lasten!’
Merijn, Sam en Pepijn trokken nu de extra kleren uit hun bagage aan en kregen het al gauw te warm, want ze moesten de dikkere en warmere kleren aantrekken die ze voor de naderende winter hadden meegenomen.
‘Waar komt dat andere oude beest, die Dikzak Slomper, vandaan?’ vroeg Frodo.
‘Hij is van mij,’ zei Tom. ‘Mijn viervoetige vriend; hoewel ik hem zelden berijd en hij vaak ver en vrij door de heuvels zwerft. Toen jullie pony’s bij mij verbleven, ontmoetten ze mijn Slomper en ze roken hem in de nacht en renden hem vlug tegemoet. ’k Dacht wel dat hij ze zou zoeken en met zijn wijze woorden hun angst zou wegnemen. Maar nu, mijn brave Slomper, zet Tom zich op je! Hela! Ik ga even met jullie mee om je op de weg te brengen, en daarvoor dient de pony. Want het is niet gemakkelijk praten met hobbits die zelf rijden, wanneer je zelf te voet achter hen aan moet draven.’
De hobbits vonden het bijzonder prettig dit te horen en bedankten Tom meer dan eens; maar deze lachte en zei dat ze zo goed waren in het verdwalen, dat hij zich niet gerust zou voelen voor hij hen veilig en wel buiten de grenzen van zijn land wist. ‘Ik heb dingen te doen,’ zei hij, ‘mijn maken en mijn zingen, mijn praten en mijn lopen en mijn waken over ’t land. Tom kan niet altijd dicht bij deuren en wilgenspleten zijn. Tom heeft ook nog zijn huis, en Goudbezie wacht daar.’
Naar de stand van de zon te oordelen was het nog vrij vroeg, zo tussen negen en tien uur, en de hobbits begonnen aan eten te denken. Hun laatste maaltijd was middageten geweest naast de rechtopstaande steen de vorige dag. Voor hun ontbijt aten ze nu de rest van Toms proviand, die bestemd was geweest voor hun avondmaal, met nog wat andere dingen die Tom had meegebracht. Het was geen grote maaltijd (de hobbits en de omstandigheden in aanmerking genomen), maar ze voelden zich er een stuk door opgeknapt. Terwijl ze zaten te eten, ging Tom de grafheuvel op en inspecteerde de schatten. De meeste ervan legde hij op een hoop, die in het gras glinsterde en fonkelde. Hij gelastte dat ze daar moesten blijven liggen ‘vrij voor alle vinders; vogels, dieren, elfen of mensen en alle vriendelijke schepselen’; want op die manier zou de betovering van de grafheuvel worden verbroken en verspreid en zou geen Geest er ooit naar terugkeren. Uit de hoop koos hij voor zichzelf een broche bezet met blauwe diamanten, veeltintig als vlasbloemen of de vleugels van blauwe vlinders. Hij keek er lang naar, alsof er een herinnering bij hem was opgekomen, schudde zijn hoofd en zei ten slotte: ‘Dit is een aardige snuisterij voor Tom en voor zijn vrouwe! Schoon was zij die lang gelee’ dit op haar schouder gespte. Goudbezie zal ’t dragen nu, en wij zullen haar niet vergeten!’ Voor ieder van de hobbits koos hij een dolk, lang, in de vorm van een blad, en scherp, prachtig afgewerkt, met drakenfiguren erin van rood en goud. Ze glansden toen hij ze uit hun zwarte scheden trok, die gemaakt waren van een vreemde metaalsoort, licht en sterk, en bezet met vele vlammende stenen. Of het door de voortreffelijkheid van de scheden kwam, of door de betovering die over de grafheuvel lag, het staal scheen niet door de tijd te zijn aangetast: vrij van roest, scherp en schitterend in de zon.
‘Oude dolken zijn lang genoeg als zwaarden voor hobbitlieden,’ zei hij. ‘Scherpe zwaarden zijn goed om te hebben, als lieden uit de Gouw naar oost of west, of ver weg naar duister en gevaar gaan zwerven.’ Toen vertelde hij hun dat deze messen vele lange jaren geleden door mensen van Westernisse waren gesmeed: ze waren vijanden van de Zwarte Heerser, maar ze werden door de boze koning van Carn Dûm in het Land Angmar overwonnen.
‘Weinigen herinneren zich hun nu,’ mompelde Tom, ‘maar toch dolen er nog enkelen rond, zonen van vergeten koningen die eenzaam dwalen, argeloze lieden tegen kwade dingen beschermend.’
De hobbits begrepen zijn woorden niet, maar terwijl hij sprak, kregen zij als het ware een visioen van een grote uitgestrektheid van jaren die achter hen lag, als een grote schimmige vlakte waarover gestalten van mensen schreden, groot en grimmig, met blinkende zwaarden, en als laatste kwam er een met een ster op zijn voorhoofd. Toen vervaagde het visioen, en ze waren terug in de zonovergoten wereld. Het was tijd om weer op weg te gaan. Ze maakten zich gereed, pakten hun zakken en bepakten hun pony’s. Hun nieuwe wapens hingen ze aan hun leren riemen onder hun jassen; ze vonden ze erg hinderlijk en vroegen zich af of ze van enig nut zouden zijn. Het was nog nooit eerder bij hen opgekomen dat een gevecht weleens een van de avonturen zou kunnen zijn waartoe hun vlucht zou kunnen leiden.
Eindelijk gingen ze op weg. Ze leidden hun pony’s de heuvel af, stegen op en draafden snel de vallei door. Ze keken om en zagen de top van de oude terp op de heuvel, en het zonlicht op het goud spoot omhoog als een gouden vlam. Toen reden zij om een helling van de Heuvels heen en konden hem niet meer zien.
Hoewel Frodo overal om zich heen keek, zag hij geen spoor van de grote stenen die als een poort overeind hadden gestaan, en weldra kwamen zij bij de noordelijke kloof en reden er vlug door, en het terrein begon te dalen. Het was een prettige reis met Tom Bombadil, die vrolijk op Dikzak Slomper, die veel sneller vooruit kwam dan zijn omvang deed vermoeden, naast hen of voor hen uit draafde. Tom zong bijna aan één stuk door, voornamelijk onzin, of anders misschien een vreemde taal die de hobbits niet kenden; een heel oude taal waarvan de woorden voornamelijk verbazing en verrukking uitdrukten.
Ze vorderden gestaag, maar al gauw zagen ze dat de Weg verder verwijderd was dan ze zich hadden voorgesteld. Zelfs als er geen mist was geweest, zou hun middagslaapje toch hebben gemaakt dat zij hem niet eerder hadden bereikt dan de avond van de vorige dag. De donkere lijn die ze hadden gezien, was geen rij bomen, maar een rij struiken die langs een diepe greppel groeide, met aan de andere kant een hoge muur. Tom zei dat het eens de grens van een koninkrijk was geweest, maar heel lang geleden. Hij scheen zich er iets droevigs over te herinneren, en wilde er niet veel over zeggen.
Ze daalden in de greppel af, klommen er weer uit, gingen door een gat in de muur en toen wendde Tom zich pal naar het noorden, want zij waren enigszins naar het westen gegaan. Het land was nu open en vrij vlak en ze voerden hun snelheid op, maar de zon stond al laag aan de hemel toen ze eindelijk een rij hoge bomen voor zich zagen, en ze wisten dat ze, na vele onverwachte avonturen, op de Weg waren teruggekeerd. Zij lieten hun pony’s de laatste mijlen dravend afleggen, en hielden halt onder de langgerekte schaduwen van de bomen. Ze stonden boven op een schuin aflopende berm en de Weg, nu vaag in de vallende avond, slingerde zich beneden hen. Op dit punt liep hij bijna van het zuidwesten naar het noordoosten, en rechts van hen liep hij snel omlaag in een diepe kom. Hij was met sporen doorsneden en vertoonde vele tekenen van de zware regen van de vorige dag; er waren kleine plassen en gaten vol water.
Ze reden de berm af en keken om zich heen. Er was niets te zien.