Выбрать главу

‘Nou, we zijn er eindelijk weer!’ zei Frodo. ‘Ik veronderstel dat we niet meer dan twee dagen hebben verloren door mijn korte weg door het Woud! Maar misschien zal het oponthoud nuttig blijken – het heeft hen wellicht van ons spoor afgebracht.’

De anderen keken hem aan. De schaduw van de angst voor de Zwarte Ruiters kwam plotseling weer over hen. Van het ogenblik af dat zij het Woud waren binnengegaan, was hun voornaamste gedachte geweest hoe ze weer op de Weg terug moesten komen, maar nu die aan hun voeten lag, herinnerden ze zich het gevaar dat hen achtervolgde en hun naar alle waarschijnlijkheid op de Weg zelf wachtte. Ze keken angstig om naar de ondergaande zon, maar de Weg was bruin en verlaten.

‘Denk je…’ vroeg Pepijn aarzelend, ‘denk je dat we vannacht zullen worden achtervolgd?’

‘Nee, ik hoop niet vannacht,’ antwoordde Tom Bombadil, ‘en misschien ook niet morgen. Maar vertrouw niet op mijn vermoeden, want ik weet het niet zeker. In ’t oosten schiet mijn kennis tekort. Tom is niet de baas van de Ruiters uit het Zwarte Land ver voorbij dit land.’

Hoe het ook zij, de hobbits wensten dat hij met hen meeging. Zij hadden het idee dat hij beter dan wie ook zou weten hoe de Zwarte Ruiters aangepakt moesten worden. Ze zouden nu spoedig landen in trekken die geheel en al vreemd voor hen waren, en verder dan de vaagste en verste legenden van de Gouw lagen, en in de vallende schemering begonnen ze naar huis te verlangen. Een diepe eenzaamheid en een gevoel van verlorenheid kwamen over hen. Zij bleven zwijgend staan, onwillig om definitief afscheid te nemen, en werden er zich pas langzaam van bewust dat Tom afscheid van hen nam en hun zei moed te houden en zonder ophouden tot het donker voort te rijden.

‘Tom zal je goed raden, tot deze dag om is (daarna moet je eigen geluk jullie hoeden en leiden); vier mijl verder kom je aan een dorpje, Breeg, aan de voet van Breegheuvel, met deuren op het westen. Daar vind je een oude herberg: De Steigerende Pony. Gersteman Boterbloem is de brave waard. Neem intrek voor de nacht, maar ga ’s morgens weer verder. Wees moedig, maar voorzichtig. Blijf opgewekt van zin en rijd naar je fortuin.’

Zij smeekten hem om in ieder geval tot aan de herberg mee te rijden en nog een keer met hen te drinken, maar hij weigerde lachend en zei:

Toms land eindigt hier; hij gaat de grens niet over, Tom heeft ook nog zijn huis, en Goudbezie wacht hem!

Toen draaide hij zich om, gooide zijn hoed in de lucht, sprong op Slompers rug en reed over de berm weg, zingend in de schemering. De hobbits beklommen de berm en keken hem na tot hij uit het zicht was verdwenen.

‘Het spijt me afscheid te moeten nemen van meester Bombadil,’ zei Sam. ‘Hij is een bijzonder iemand, dat is zeker. Ik stel me voor dat we heel wat verder zullen gaan, zonder een betere of eigenaardiger man tegen te komen. Maar ik wil niet ontkennen dat ik blij zal zijn De Steigerende Pony te zien waarover hij het had. Ik hoop dat het net zoiets is als De Groene Draak bij ons thuis. Wat voor soort lieden zijn het daar in Breeg?’

‘Er zijn hobbits in Breeg,’ zei Merijn, ‘maar ook Grote Lieden. Ik denk dat het er erg op thuis zal lijken. Naar wat ik heb gehoord is De Pony een goede herberg. Mijn familie rijdt er af en toe weleens heen.’

‘Het mag dan misschien wel zijn wat we ons wensen,’ zei Frodo, ‘maar het ligt toch buiten de Gouw. Voel je er niet al te veel thuis! Denk er alsjeblieft aan – jullie allemaal – dat de naam Balings NIET genoemd mag worden. Ik ben meneer Onderheuvel, als er een naam genoemd moet worden.’

Ze bestegen nu hun pony’s en reden zwijgend de avond in. De duisternis daalde snel terwijl ze heuvel op en heuvel af gingen, tot ze eindelijk voor zich lichtjes zagen schitteren.

In de verte verrees de Breegheuvel, de weg blokkerend: een donkere massa tegen mistige sterren; en onder aan de voet van de westelijke helling lag een groot dorp genesteld. Daar haastten zij zich nu naartoe, en hun enige verlangen was een haardvuur en een deur tussen hen en de nacht te vinden.

IX. In ‘De Steigerende Pony’

Breeg was het voornaamste dorp van Breegland, een kleine bewoonde streek, als een eiland in de omringende lege landen. Behalve Breeg zelf was er Stadel, aan de andere kant van de heuvel, Kom, in een diep dal een eindje verder naar het oosten, en Boogwolde aan de rand van het Kijtbos. Rondom Breegheuvel en de dorpen lag een klein gebied van velden en gecultiveerd bosland dat slechts enkele mijlen breed was.

De mensen van Breeg waren bruin behaard, breed en nogal klein, opgewekt en onafhankelijk; zij behoorden aan niemand anders dan zichzelf toe, maar ze waren vriendelijker en gemeenzamer met hobbits, dwergen, elfen en andere bewoners van de hen omringende wereld dan voor Grote Lieden gebruikelijk was (of is). Volgens hun eigen verhalen waren zij de oorspronkelijke bewoners en de afstammelingen van de eerste mensen die ooit naar het westen van de middenwereld waren getrokken. Weinigen hadden de beroeringen van de Oudste Tijden overleefd, maar toen de Koningen weer over de Grote Zeeën waren teruggekeerd, hadden zij de mensen uit Breeg daar nog aangetroffen, en zij waren daar ook nu nog, terwijl de herinnering aan de oude Koningen in het gras was vervaagd.

In die tijd hadden zich geen andere mensen zo ver naar het westen gevestigd, dat wil zeggen binnen een afstand van driehonderd mijl van de Gouw. Maar in de wilde landen achter Breeg waren geheimzinnige zwervers. De bevolking van Breeg noemde hen Dolers, maar wist niets van hun oorsprong af. Ze waren langer en donkerder dan de mensen uit Breeg en men geloofde dat ze vreemde gaven van gezicht en gehoor hadden, en de taal van de dieren en vogels verstonden. Ze zwierven naar believen zuidwaarts of oostwaarts, tot aan de Nevelbergen zelfs; maar tegenwoordig zag men er slechts weinigen en dan nog zelden. Wanneer ze opdoken, brachten zij nieuws mee uit verre streken, en vertelden vreemde vergeten verhalen waar gretig naar werd geluisterd; maar de lieden uit Breeg sloten geen vriendschap met hen.

Er woonden ook vele hobbitfamilies in het Breegland, en die beroemden zich erop dat zij de oudste hobbitnederzetting in de wereld waren: een die was gevestigd lang voordat de Brandewijn werd overgestoken en de Gouw werd gekoloniseerd. Ze woonden voornamelijk in Stadel, hoewel er ook enkelen in Breeg zelf woonden, vooral op de hoger gelegen hellingen van de heuvel, boven de huizen van de mensen. De Grote Lieden en de Kleine Lieden (zoals zij elkaar noemden) stonden op vriendschappelijke voet, bemoeiden zich op hun eigen manier met hun eigen zaken, maar beschouwden zich terecht als onmisbare delen van de bevolking van Breeg. Nergens anders ter wereld vond men deze eigenaardige (maar uitstekende) regeling.

De Breeglieden, zowel Groot als Klein, reisden zelf niet veel; en de besognes van de vier dorpen waren hun voornaamste zorg. Nu en dan gingen de hobbits uit Breeg tot aan Bokland of het Oosterkwartier, maar hoewel hun kleine land niet veel verder dan een dagreis van de Brandewijnbrug lag, bezochten de hobbits uit de Gouw het zelden. Af en toe kwam er wel eens een Boklander of avontuurlijke Toek voor een paar nachten naar de herberg, maar ook dat begon al minder gebruikelijk te worden. De hobbits uit de Gouw noemden die uit Breeg, en alle anderen die buiten de grenzen woonden, Buitenstaanders, en legden heel weinig belangstelling voor hen aan de dag, en vonden ze saai en lomp. Er waren in die tijd waarschijnlijk heel wat meer Buitenstaanders over het westen van de wereld verspreid dan de bevolking van de Gouw vermoedde. Sommigen waren ongetwijfeld geen haar beter dan zwervers, bereid om een hol in iedere berm te graven en slechts zo lang te blijven als hen uitkwam. Maar in het land van Breeg waren de hobbits in ieder geval fatsoenlijk en welvarend, en niet ongelikter dan de meesten van hun verre verwanten Binnen. Men was nog niet vergeten dat er een tijd was geweest dat er een druk komen en gaan was tussen de Gouw en Breeg. In ieder geval hadden de Brandebokken Breegbloed in de aderen.