Выбрать главу

Het dorpje Breeg telde ongeveer honderd stenen huizen van de Grote Lieden, voornamelijk boven de Weg, tegen de helling van de heuvel genesteld, met ramen die op het westen uitzagen. Aan die kant, in een halve cirkel om de voet van de heuvel, lag een diepe greppel met een dichte haag aan de binnenkant ervan. De Weg liep hieroverheen, maar waar hij de haag doorsneed, werd hij versperd door een grote poort. Er was nog een poort in de zuidelijke hoek, waar de Weg uit het dorp liep. Bij het vallen van de avond werden de poorten gesloten, maar vlak aan de binnenkant ervan stonden kleine wachthuisjes voor de poortwachters.

Aan het eind van de Weg, waar deze naar rechts boog en om de voet van de heuvel liep, stond een grote herberg. Die was lang geleden gebouwd toen het verkeer op de wegen heel wat drukker was geweest dan nu. Want Breeg stond op een oud kruispunt van wegen; een tweede oude weg kruiste de Oosterweg vlak voorbij de greppel aan de westzijde van het dorp, en in vroeger tijden hadden mensen en verschillende andere lieden van allerlei slag er druk gebruik van gemaakt. Vreemd als Nieuws uit Breeg was nog altijd een gezegde in het Oosterkwartier, dat stamde uit de tijd toen men het nieuws uit het noorden, zuiden en oosten in de herberg kon horen, en toen de hobbits uit de Gouw er vaker plachten heen te gaan om het te horen. Maar de noordelijke landen waren lang verlaten geweest, en de Noorderweg werd nu zelden gebruikt; hij was met gras overgroeid, en de lieden uit Breeg noemden hem de Groeneweg.

De herberg van Breeg stond er echter nog, en de waard was een belangrijk man. Zijn huis was een trefpunt voor de werkschuwen, de spraakzamen en de nieuwsgierigen onder de inwoners, klein en groot, van de vier dorpen; een toevluchtsoord voor Dolers en andere zwervers, en ook voor die reizigers (voornamelijk dwergen) die nog van en naar de Bergen langs de Oosterweg trokken.

Het was donker en er schenen witte sterren toen Frodo en zijn metgezellen ten slotte bij het kruispunt van de Groeneweg kwamen en het dorp naderden. Ze kwamen aan de Westerpoort en merkten dat die gesloten was, maar voor de deur van het wachthuisje daarachter zat een man. Hij sprong op en ging een lantaarn halen en keek hen verbaasd aan over het hek.

‘Wat mot dat, en waar komen jullie vandaan?’ vroeg hij bars.

‘We zijn op weg naar de herberg hier,’ antwoordde Frodo. ‘We zijn op reis naar het oosten en kunnen vanavond niet verdergaan.’

‘Hobbits! Vier hobbits! En bovendien uit de Gouw naar hun tongval te oordelen,’ zei de poortwachter zachtjes alsof hij in zichzelf sprak. Hij keek hen een ogenblik dreigend aan, opende toen langzaam de poort en liet hen erdoor rijden.

‘We zien hier niet vaak lieden uit de Gouw bij nacht op de Weg,’ vervolgde hij toen ze een ogenblik bij zijn deur halt hielden. ‘U zult het me wel niet kwalijk nemen, dat ik me afvraag wat u ten oosten van Breeg voert! En hoe heet u, als ik zo vrij mag wezen?’

‘Onze namen en onze besognes doen er niet toe, en dit is bovendien geen goede plaats om erover te spreken,’ zei Frodo, die niet veel ophad met de man en de toon van zijn stem.

‘Uw zaken zijn ongetwijfeld de uwe,’ zei de man. ‘Maar het is mijn zaak om na het vallen van de avond vragen te stellen.’

‘Wij zijn hobbits uit Bokland en het belieft ons om te reizen en hier in de herberg te overnachten,’ zei Merijn. ‘Ik ben meneer Brandebok. Is dat voldoende voor u? De Breeglanders plachten altijd beleefd te zijn tegen reizigers – dat had ik tenminste gehoord.’

‘Goed, goed,’ zei de man. ‘Ik bedoelde er geen kwaad mee. Maar misschien zult u merken dat het niet alleen de oude Harry aan de poort is die u vragen zal stellen. Er zijn vreemde lieden in de buurt. Als u naar De Pony gaat, zult u merken dat u niet de enige gasten bent.’

Hij wenste hun goedenacht, en er werd niets meer gezegd; maar in het licht van de lantaarn kon Frodo zien dat de man hen nog nieuwsgierig nakeek. Hij was blij toen hij de poort achter hen hoorde dichtklappen terwijl zij verder reden. Hij vroeg zich af waarom de man zo achterdochtig was, en of er soms iemand naar nieuws over een groepje hobbits had gevraagd. Was het misschien Gandalf geweest? Misschien was hij aangekomen terwijl zij in het Woud en de Heuvels waren opgehouden. Maar de blik en de stem van de poortwachter hadden iets dat hem verontrustte.

De man bleef de hobbits een ogenblik staan nakijken en ging toen zijn huis weer binnen. Hij had zich nog niet omgedraaid of er klom snel een donkere gedaante over de poort naar binnen, die verdween in de schaduwen van de dorpsstraat.

De hobbits reden een flauwe glooiing op, passeerden een paar alleenstaande huizen, en stegen voor de herberg af. De huizen kwamen hun groot en eigenaardig voor. Sam staarde omhoog naar de herberg met haar drie verdiepingen en vele ramen, en voelde dat hem de moed in de schoenen zonk. Hij had zich voorgesteld dat hij vroeg of laat op zijn reis reuzen groter dan bomen en andere, nog vreselijker schepselen zou ontmoeten, maar op het ogenblik vond hij zijn eerste kennismaking met mensen en hun hoge huizen al meer dan genoeg, ja eigenlijk te veel voor het donkere einde van een vermoeiende dag. Hij stelde zich zwarte paarden voor die in de schaduw van het erf gezadeld stonden, en Zwarte Ruiters, die uit donkere bovenramen tuurden.

‘We gaan hier toch zeker vannacht niet logeren, wel meneer?’ riep hij uit. ‘Als er hobbitvolk in deze streek woont, waarom zoeken we dan niet iemand die ons onderdak wil geven? Dat zou veel knusser zijn.’

‘Wat is er mis met de herberg?’ vroeg Frodo. ‘Tom Bombadil heeft haar aanbevolen. Ik vermoed dat het binnen erg gezellig is.’

Ook van de buitenkant zag de herberg er in ieders ogen aangenaam uit. Zij stond met de voorzijde aan de Weg, en twee vleugels die naar achteren liepen op terrein dat gedeeltelijk uit de lagere hellingen van de Heuvel was uitgesneden, zodat aan de achterkant de ramen op de tweede verdieping op gelijke hoogte met de grond waren. Er was een grote poort die naar een binnenplaats tussen de twee vleugels leidde, en links onder de poort was een grote deur, die men via een paar brede treden kon bereiken. De deur stond open en licht straalde naar buiten. Boven de poort scheen een lamp en daaronder hing een groot uithangbord, met een dikke witte pony die op zijn achterbenen stond. Boven de deur stond in witte letters geschilderd: DE STEIGERENDE PONY VAN GERSTEMAN BOTERBLOEM. Door vele van de lagere ramen scheen licht achter dikke gordijnen. Terwijl ze buiten in de duisternis aarzelden, hief iemand binnen een vrolijk lied aan, en vele vrolijke stemmen zongen het refrein mee. Zij luisterden een ogenblik naar dit bemoedigende geluid en stegen toen van hun pony’s af. Het lied eindigde en er klonk een uitbarsting van gelach en handgeklap.

Ze leidden hun pony’s onder de boog door en lieten ze op de binnenplaats staan, terwijl ze de stoep bestegen. Frodo ging voorop en botste bijna tegen een kleine dikke man met een kaal hoofd en een rood gezicht op. Hij had een witte voorschoot aan en haastte zich een deur uit en een andere in met een dienblad beladen met volle kannen.

‘Kunnen wij… ’ begon Frodo.

‘Een ogenblik, alsjeblieft,’ riep de man over zijn schouder en verdween in een geroezemoes van stemmen en een wolk rook. Na een ogenblik kwam hij er weer uit, terwijl hij zijn handen aan zijn voorschoot afveegde.

‘Goedenavond, kleine meester!’ zei hij, zich vooroverbuigend. ‘En waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Bedden voor vier en stalruimte voor vijf pony’s, indien mogelijk.

Bent u meneer Boterbloem?’

‘Jawel, mijn naam is Gersteman. Gersteman Boterbloem, tot uw dienst. U komt zeker uit de Gouw?’ vroeg hij, en toen ineens sloeg hij de hand aan zijn voorhoofd, alsof hij zich iets probeerde te herinneren. ‘Hobbits!’ riep hij uit. ‘Waar doet me dat nou aan denken?

Mag ik misschien uw namen weten, meneer?’

‘Meneer Toek en meneer Brandebok,’ zei Frodo, ‘en dit is Sam Gewissies. Mijn naam is Onderheuvel.’

‘Asjemenou!’ zei meneer Boterbloem, met zijn vingers knippend.

‘Nu ben ik het weer kwijt! Maar het zal wel weer terugkomen als ik de tijd heb om na te denken. Het hoofd loopt me om, maar ik zal zien wat ik voor u kan doen. Wij krijgen tegenwoordig niet vaak een gezelschap uit de Gouw, en het zou me spijten als ik u geen goede ontvangst zou bereiden. Maar er is vanavond al zo’n menigte in huis als er in lang niet is geweest. Alles of niets, zeggen wij in Breeg. Hela, Nob!’ riep hij toen. ‘Waar zit je, jij wolvoetige treuzelaar? Nob!’