Выбрать главу

‘Ik kom er al aan, meneer! Ik kom al!’ Een opgewekt kijkende hobbit kwam de deur uit gehuppeld en toen hij de reizigers zag, bleef hij staan en bekeek hen met grote belangstelling.

‘Waar hangt Bob uit?’ vroeg de waard. ‘Weet je het niet? Nu, ga hem dan zoeken. En schiet een beetje op! Ik heb geen zes benen en ook geen zes ogen! Zeg tegen Bob dat er vijf pony’s zijn die op stal moeten worden gezet. Hij moet maar zien dat-ie ruimte maakt.’ Nob verdween met een grijns en een knipoog.

‘Laat-es kijken, wat wou ik ook al weer zeggen?’ zei meneer Boterbloem, zijn voorhoofd bekloppend. ‘Het een verjaagt het ander, bij wijze van spreken. Ik heb het zo druk vanavond, dat m’n hoofd ervan omloopt. Er is een gezelschap dat gisteravond uit het zuiden van de Groeneweg is gekomen – en dat was al vreemd genoeg om mee te beginnen. Dan is er een groep dwergen die naar het westen reist en vanavond is aangekomen. En dan bent u er nu ook nog. Als u geen hobbits was, betwijfel ik het of we u wel konden herbergen. Maar we hebben een paar kamers in de noordelijke vleugel die speciaal voor hobbits zijn ingericht toen dit huis werd gebouwd. Gelijkvloers, zoals ze gewoonlijk verkiezen: ronde ramen en zo, zoals ze het graag hebben. Ik hoop dat u het gerieflijk zult vinden. En u zult zeker avondeten willen hebben. Zo gauw mogelijk. Deze kant uit graag.’ Hij ging voor hen een gang door en opende een deur. ‘Hier is een aardige kleine zitkamer!’ zei hij. ‘Ik hoop dat die u bevalt. Wilt u me nu verontschuldigen? Ik heb het zo druk. Geen tijd om te praten. Ik moet hollen. Het is zwaar werk voor twee benen, maar ik word er niet eens magerder van. Ik kom straks wel even kijken. Als u iets wilt hebben, moet u de tafelbel maar luiden, dan komt Nob. Als hij niet komt, moet u bellen en roepen!’

Hij ging eindelijk weg, en liet hen met een nogal amechtig gevoel achter. Hij scheen in staat een eindeloze woordenvloed te spuien, hoe druk hij het ook had. Ze bevonden zich in een kleine, gezellige kamer. In de haard brandde een vrolijk vuur en daarvoor stonden een paar lage, gemakkelijke stoelen. Er was een ronde tafel die al gedekt was met een wit tafelkleed met daarop een grote handbel. Maar Nob, de hobbitbediende, kwam allang voordat zij erover gedacht hadden haar te luiden haastig naar binnen. Hij bracht kaarsen en een blad vol borden.

‘Wilt u iets te drinken hebben, heren?’ vroeg hij. ‘En zal ik u de slaapkamers laten zien, terwijl het eten wordt klaargemaakt?’

Ze waren gewassen en zaten heerlijke grote kroezen bier te drinken, toen meneer Boterbloem en Nob binnenkwamen. In een oogwenk was de tafel gedekt. Er was hete soep, koud vlees, een bosbessentaart, verse broden, plakken boter en een halve roomkaas; goed, eenvoudig eten, even goed als men in de Gouw gewend was, en huiselijk genoeg om de laatste van Sams bedenkingen (die al aanzienlijk waren verlicht door de voortreffelijkheid van het bier) weg te nemen. De waard bleef wat rondhangen en maakte toen aanstalten om hen alleen te laten. ‘Ik weet niet of u zin hebt u bij het gezelschap te voegen wanneer u gegeten hebt,’ zei hij, bij de deur. ‘Misschien gaat u liever naar bed. Niettemin zou het gezelschap u graag begroeten als u er iets voor voelt. Wij krijgen niet vaak Buitenstaanders – reizigers uit de Gouw bedoel ik, neemt u mij niet kwalijk; en we vinden het prettig om wat nieuws te horen, of een verhaal of lied dat u kwijt zou willen. Doe maar waar u zin in hebt. En bel als u iets tekortkomt!’

Aan het einde van de maaltijd (ongeveer drie kwartier gestadig eten, niet gestoord door overbodig gepraat) voelden ze zich zo verkwikt en gesterkt, dat Frodo, Pepijn en Sam besloten het gezelschap te gaan opzoeken. Merijn dacht dat het te benauwd zou zijn. ‘Ik blijf hier rustig een tijdje bij het vuur zitten, en misschien ga ik later een frisse neus halen. Maar pas op jullie woorden, en vergeet niet dat jullie worden verondersteld in het geheim te vluchten, en dat je nog steeds op de hoofdweg en niet erg ver van de Gouw bent.’

‘Ja hoor,’ zei Pepijn. ‘Pas jij zelf maar op. Verdwaal niet en vergeet niet dat het binnenshuis veiliger is.’

Het gezelschap zat in de grote gelagkamer van de herberg. Het was talrijk en gemengd, zoals Frodo ontdekte toen zijn ogen aan het licht begonnen te wennen. Dit was voornamelijk afkomstig van een laaiend houtvuur, want de drie lampen die aan de balken hingen waren schemerig en half verhuld door rook. Gersteman Boterbloem stond bij het vuur met een paar dwergen en een of twee vreemd uitziende mannen te praten. Op de banken zaten verschillende lieden: mensen uit Breeg, een aantal plaatselijke hobbits (die met elkaar zaten te praten), nog wat dwergen, en andere vage figuren, die in de schaduwen en hoeken moeilijk te onderscheiden waren.

Zodra de hobbits uit de Gouw binnenkwamen, verwelkomden de Breeglanders hen in koor. De vreemdelingen, vooral zij die langs de Groeneweg waren gekomen, staarden hen nieuwsgierig aan. De waard stelde de nieuwelingen aan de Breeglieden voor, zo vlug dat ze, hoewel ze vele namen opvingen, zelden wisten bij wie ze behoorden. De mensen uit Breeg schenen allen nogal botanische namen te hebben (die de Gouwlieden nogal vreemd aandeden), zoals Bieslicht, Geiteblad, Heideteen, Appeldoor, Distelwol en Varen (om van Boterbloem nog maar te zwijgen). Sommigen van de hobbits droegen overeenkomstige namen. Zo schenen bijvoorbeeld de Muggekruids talrijk te zijn. Maar de meesten van hen hadden natuurlijke namen, zoals Berm, Broekhuis, Langhol, Zandtiller en Tunnelaar, waarvan er vele ook in de Gouw voorkwamen. Er waren verscheidene Onderheuvels uit Stadel, en omdat zij zich niet konden voorstellen dat zij dezelfde naam droegen zonder familie te zijn, drukten ze Frodo als een lang verloren gewaande neef aan hun boezem.

De hobbits uit Breeg waren feitelijk vriendelijk en nieuwsgierig, en Frodo merkte weldra dat hij een of andere verklaring zou moeten geven voor wat hij hier uitvoerde. Hij liet weten dat hij belangstelde in geschiedenis en geografie (waarop er druk met hoofden werd geknikt, hoewel geen van deze woorden vaak in het dialect van Breeg werden gebruikt). Hij zei dat hij erover dacht een boek te schrijven (waarop een verbaasde stilte volgde), en dat hij en zijn vrienden gegevens wilden verzamelen over hobbits die buiten de Gouw woonden, in het bijzonder in de oostelijke landen.

Hierop begon iedereen tegelijk te praten. Als Frodo werkelijk van plan was geweest een boek te schrijven en hij meer dan één paar oren had gehad, zou hij in een paar minuten genoeg hebben kunnen horen voor verscheidene hoofdstukken. En alsof dat nog niet genoeg was, gaf men hem een hele lijst van namen, beginnende met de ‘oude Gersteman hier’, tot wie hij zich voor verdere inlichtingen kon wenden. Maar na een poosje, toen Frodo geen aanstalten maakte om ter plekke een boek te schrijven, keerden de hobbits terug tot hun vragen over gebeurtenissen in de Gouw. Frodo bleek niet erg mededeelzaam, en hij merkte al gauw dat hij alleen in een hoekje zat te luisteren en rond te kijken.

De mensen en dwergen spraken voornamelijk over verre gebeurtenissen en vertelden nieuws van een soort dat maar al te vertrouwd begon te worden. Er waren problemen in het zuiden en het scheen dat de mensen die langs de Groeneweg waren gekomen, aan het trekken waren, op zoek naar landen waar ze wat rust konden vinden. De lieden uit Breeg waren meelevend, maar kennelijk niet bereid om een groot aantal vreemdelingen in hun kleine gebied op te nemen. Een van de reizigers, een loensende, onguur uitziende kerel, voorspelde dat er in de naaste toekomst steeds meer lieden naar het noorden zouden komen. ‘Als er geen plaats voor hen gevonden wordt, zullen zij die zelf wel vinden. Ze hebben er recht op te leven, net als andere lieden,’ zei hij luid. De plaatselijke bewoners keken niet erg opgewekt bij het vooruitzicht.