De hobbits schonken niet veel aandacht aan dit alles, en op dat ogenblik scheen het hobbits ook niet aan te gaan. Grote Lieden konden moeilijk om woonruimte vragen in hobbitholen. Zij stelden meer belang in Sam en Pepijn, die zich nu helemaal thuis voelden en vrolijk over gebeurtenissen in de Gouw spraken. Pepijn veroorzaakte grote hilariteit met een verhaal over het instorten van het dak van het Stadshol in Grotedelft: Willie Witvoet, de Burgemeester, en de dikste hobbit uit het Westerkwartier, was onder de kalk bedolven en er uitgekomen als een met poedersuiker bestoven oliebol. Maar er werden verschillende vragen gesteld die Frodo lichtelijk verontrustten. Een van de Breeglanders, die verschillende keren in de Gouw scheen te zijn geweest, wilde weten waar de Onderheuvels woonden en met wie ze verwant waren.
Plotseling merkte Frodo op dat een eigenaardig uitziende, verweerde man, die in de schaduw bij de muur zat, ook met grote aandacht naar de hobbitpraat zat te luisteren. Hij had een grote bierpul voor zich staan en rookte een lange pijp, die op een bijzondere manier was besneden. Zijn benen had hij voor zich uitgestrekt en deze lieten hoge laarzen van soepel leer zien, die hem uitstekend pasten, maar blijkbaar lang dienst hadden gedaan en nu met aangekoekte modder waren bedekt. Een door het vele reizen vuil geworden mantel van donkergroene stof was dicht om hem heen getrokken en ondanks de hitte in het vertrek droeg hij een kap die zijn gezicht verhulde, maar men kon zijn ogen zien glanzen terwijl hij de hobbits gadesloeg.
‘Wie is dat?’ vroeg Frodo toen hij kans zag om tegen meneer Boterbloem te fluisteren. ‘Ik geloof niet dat u hem hebt voorgesteld?’
‘Hij?’ vroeg de waard op fluisterende toon, terwijl hij uit zijn ooghoek gluurde zonder het hoofd om te draaien. ‘Ik weet het niet precies. Hij is een van die zwervende lieden – Dolers noemen wij ze. Hij praat zelden, niet dat hij geen bijzonder verhaal zou kunnen vertellen als hij daar zin in heeft. Hij verdwijnt een maand of een jaar lang, en komt dan weer opdagen. Afgelopen voorjaar was hij hier vaak, maar de laatste tijd heb ik hem niet gezien. Zijn ware naam heb ik nooit gehoord, maar hij staat hier in de buurt bekend als Stapper. Hij loopt enorm vlug met zijn lange benen, hoewel hij niemand vertelt waarom hij zo’n haast heeft. Maar je kunt geen peil trekken op oost en west, zoals wij hier in Breeg zeggen, waarmee we dan de Dolers en de lieden uit de Gouw bedoelen, met uw permissie. Gek dat u naar hem vraagt.’ Maar op dat ogenblik werd meneer Boterbloem weggeroepen, want er werd om meer bier gevraagd en zijn laatste opmerking bleef onverklaard.
Frodo zag dat Stapper nu naar hem keek, alsof hij alles wat was gezegd had gehoord of geraden. En kort daarna nodigde hij Frodo met een handgebaar en een knikje uit bij hem te komen zitten.
Toen Frodo naderbij kwam, gooide hij zijn capuchon achterover en gaf een hoofd met warrig donker haar te zien dat al grijs begon te worden, en een paar scherpe grijze ogen in een bleek, ernstig gezicht.
‘Men noemt mij Stapper,’ zei hij zacht. ‘Ik ben erg blij u te ontmoeten, meester… Onderheuvel, als de oude Boterbloem uw naam goed heeft verstaan.’
‘Dat heeft hij inderdaad,’ zei Frodo stijfjes. Hij voelde zich allesbehalve op zijn gemak onder de blik van die doordringende ogen.
‘Welnu, meester Onderheuvel,’ zei Stapper, ‘als ik u was, zou ik uw jonge vrienden niet zoveel laten praten. Drank, een vuur en een toevallige ontmoeting zijn inderdaad heel prettig, maar, welnu – u bent hier niet in de Gouw. Er lopen hier vreemde lieden rond. Hoewel u misschien vindt dat ik niet veel recht van spreken heb,’ voegde hij er met een wrange glimlach aan toe, toen hij Frodo’s blik zag. ‘Maar er zijn de afgelopen tijd nog vreemdere reizigers door Breeg getrokken,’ vervolgde hij, terwijl hij Frodo’s gezicht in de gaten hield.
Frodo staarde hem op zijn beurt aan, maar zei niets, en Stapper gaf geen verdere aanwijzing. Zijn aandacht scheen nu plotseling op Pepijn te zijn gevestigd. Tot zijn ontsteltenis merkte Frodo dat de dwaze jonge Toek, aangemoedigd door het succes met de dikke Burgemeester van Grotedelft, nu nota bene een komisch verslag deed van Bilbo’s afscheidsfeest. Hij gaf al een imitatie van de Toespraak en naderde de verbazingwekkende Verdwijning. Frodo was geërgerd. Voor de meeste hobbits uit Breeg was het verhaal onschuldig genoeg, niet meer dan een grappig verhaal over die grappige lui aan de overkant van de Rivier; maar sommigen (de oude Boterbloem bijvoorbeeld) wisten het een en ander en hadden waarschijnlijk lang geleden geruchten over Bilbo’s verdwijning gehoord. Het zou de naam Balings in hun herinnering brengen, vooral als er in Breeg navraag naar die naam was gedaan.
Frodo schoof onrustig heen en weer en vroeg zich af wat hij moest doen. Pepijn genoot blijkbaar van de aandacht die hij kreeg, en was het gevaar waarin ze verkeerden helemaal vergeten. Frodo vreesde plotseling dat hij in zijn huidige gemoedstoestand de Ring zelfs zou kunnen noemen, en dat zou rampzalig kunnen zijn.
‘U moet vlug iets doen,’ fluisterde Stapper hem in het oor. Frodo sprong overeind en ging op tafel staan en begon te spreken. De aandacht van Pepijns gehoor werd afgeleid. Sommigen van de hobbits keken naar Frodo en begonnen te lachen en klapten, in de veronderstelling dat meneer Onderheuvel meer bier tot zich had genomen dan goed voor hem was. Frodo voelde zich plotseling erg dwaas en betrapte zich erop (hetgeen hij altijd deed wanneer hij een toespraak hield) dat hij met de voorwerpen in zijn zak speelde. Hij voelde de Ring aan zijn ketting, en zonder te weten waarom, kwam het verlangen in hem op de Ring aan zijn vinger te doen en zich op die manier uit deze vreemde situatie te redden. Het scheen hem op de een of andere manier toe alsof dit denkbeeld hem van buitenaf werd ingegeven en uitging van iemand of iets in het vertrek. Hij weerstond de verleiding vastberaden en klemde de Ring in zijn hand, alsof hij hem wilde vasthouden en beletten dat hij hem zou ontsnappen of kwaad doen. In ieder geval gaf hij hem geen inspiratie. Hij sprak enkele ‘toepasselijke woorden’, zoals men in de Gouw zou hebben gezegd: We zijn allen erg getroffen door de vriendelijkheid waarmee u ons hebt ontvangen en ik waag het de hoop uit te spreken dat mijn korte bezoek ertoe zal bijdragen de oude banden van vriendschap tussen de Gouw en Breeg te hernieuwen; toen aarzelde hij en kuchte.
Iedereen in de gelagkamer keek hem nu aan. ‘Een lied!’ riep een van de hobbits. ‘Een lied. Zing eens wat!’ riepen al de anderen. ‘Vooruit, meester, zing iets voor ons dat we niet eerder hebben gehoord.’
Een ogenblik stond Frodo verbijsterd. Toen begon hij in zijn wanhoop een bespottelijk liedje te zingen, waar Bilbo nogal dol op was geweest (en trots, want hij had de woorden zelf gemaakt). Het ging over een herberg en dat is waarschijnlijk de reden waarom Frodo het zich op dat ogenblik herinnerde. Hier is de volledige tekst. Tegenwoordig herinnert men zich er in de regel slechts enkele woorden van: