Выбрать главу

‘Ik zal zoiets zeker niet meer doen, meneer Boterbloem, dat beloof ik u. En nu denk ik dat ik maar eens naar bed ga. We gaan morgen vroeg op pad. Wilt u ervoor zorgen dat onze pony’s tegen acht uur klaar zijn?’

‘Uitstekend. Maar voordat u gaat, zou ik u nog even onder vier ogen gesproken willen hebben, meneer Onderheuvel. Er is me zojuist iets te binnen geschoten dat ik u moet vertellen. Ik hoop niet dat u het me kwalijk zult nemen. Zodra ik een paar dingen geregeld heb, kom ik naar uw kamer, met uw welnemen!’

‘Dat is goed,’ zei Frodo, maar het hart zonk hem in de schoenen.

Hij vroeg zich af hoeveel vertrouwelijke gesprekken hij nog zou moeten voeren, voor hij naar bed kon gaan, en wat ze zouden onthullen. Spanden al deze lieden tegen hem samen? Hij begon zelfs Boterbloems dikke gezicht ervan te verdenken dat er duistere plannen achter scholen.

X. Stapper

Frodo, Pepijn en Sam gingen terug naar hun kleine zitkamer. Er brandde geen licht. Merijn was er niet en het vuur was bijna uitgebrand. Pas toen ze de gloeiende spaanders hadden aangeblazen en er een paar stukken hout op hadden gegooid, ontdekten ze dat Stapper met hen was meegekomen. Hij zat daar op zijn dooie gemak in een stoel bij de deur!

‘Hallo,’ zei Pepijn. ‘Wie bent u en wat wilt u?’

‘Ik word Stapper genoemd,’ antwoordde hij, ‘en hoewel hij het misschien is vergeten – uw vriend heeft mij een rustig gesprek met hem beloofd.’

‘U zei, geloof ik, dat ik iets zou horen waar ik mijn voordeel mee kon doen,’ zei Frodo. ‘Wat hebt u te zeggen?’

‘Verschillende dingen,’ antwoordde Stapper. ‘Maar ik heb er natuurlijk mijn prijs voor.’

‘Wat bedoelt u?’ vroeg Frodo scherper.

‘Maak u niet ongerust! Ik bedoel dit: ik zal u vertellen wat ik weet, en u goede raad geven – maar ik moet daarvoor een beloning hebben.’

‘En waaruit mag die dan wel bestaan?’ vroeg Frodo. Hij vermoedde nu dat hij een schurk had ontmoet, en bedacht verontrust dat hij maar weinig geld had meegenomen. Het hele bedrag zou een schurk nauwelijks tevredenstellen, en hij kon er niets van missen.

‘Niet meer dan u kunt bekostigen,’ antwoordde Stapper met een lome glimlach, alsof hij Frodo’s gedachten raadde. ‘Alleen maar dit: u moet me met u meenemen, totdat ik u wens te verlaten.’

‘Zo, werkelijk!’ antwoordde Frodo verbaasd, maar niet erg opgelucht.

‘Zelfs al wilde ik nog een reisgenoot erbij hebben, dan zou ik daar toch niet op ingaan zonder heel wat meer van u en uw zaken af te weten.’

‘Uitstekend,’ riep Stapper uit, terwijl hij zijn benen over elkaar sloeg en gemakkelijk achteroverleunde. ‘U schijnt uw verstand weer terug te krijgen, en dat kan de zaak er alleen maar beter op maken. Tot dusver bent u veel te onvoorzichtig geweest. Goed dan! Ik zal u vertellen wat ik weet en de beloning aan u overlaten. U zult misschien blij zijn hem toe te kennen wanneer u mij hebt aangehoord.’

‘Ga door dan!’ zei Frodo. ‘Wat weet u?’

‘Te veel – te veel duistere zaken,’ zei Stapper ernstig. ‘Maar wat uw zaken…’ Hij stond op, ging naar de deur, opende die en keek naar buiten. Toen deed hij haar zacht dicht en ging weer zitten. ‘Ik heb een scherp gehoor,’ zei hij met zachte stem, ‘en hoewel ik niet kan verdwijnen, heb ik op vele wilde en behoedzame dingen gejaagd, en ik kan meestal voorkomen dat ik gezien word als ik dat wil. Welnu, ik stond vanavond achter de haag op de Weg ten westen van Breeg toen er vier hobbits uit de Heuvellanden kwamen. Ik behoef niet alles te herhalen wat ze tegen de oude Bombadil of elkaar zeiden, maar één ding interesseerde me. Denk er alsjeblieft aan, zei een van hen, dat de naam Balings niet genoemd mag worden. Ik ben meneer Onderheuvel, als er een naam genoemd moet worden. Dat interesseerde mij zozeer, dat ik hen hiernaartoe ben gevolgd. Ik sprong vlak achter hen het hek over. Misschien heeft meneer Balings een eerzame reden om zijn naam achter te laten, maar als dat zo is, zou ik hem en zijn vrienden willen aanraden voorzichtiger te zijn.’

‘Ik zie niet in wie er in Breeg belang in mijn naam kan stellen,’ zei Frodo nijdig, ‘en ik weet nog steeds niet waarom u er belang in stelt. Meneer Stapper mag dan een eerzame reden hebben om te spioneren en voor luistervink te spelen, maar als dat zo is, zou ik hem aanraden zich nader te verklaren.’

‘Een goed antwoord,’ zei Stapper lachend. ‘Maar de verklaring is eenvoudig: ik was op zoek naar een hobbit, Frodo Balings genaamd. Ik wilde hem vlug vinden. Ik had gehoord dat hij een geheim met zich uit de Gouw meenam dat mij en mijn vrienden aanging.

Begrijp mij niet verkeerd,’ riep hij uit toen Frodo uit zijn stoel opstond en Sam grommend opsprong. ‘Ik zal het geheim zorgvuldiger bewaren dan jullie. En voorzichtigheid is geboden!’ Hij boog zich voorover en keek hen aan. ‘Houd iedere schaduw in het oog,’ zei hij zacht. ‘Zwarte Ruiters zijn door Breeg getrokken. Maandag is er, naar men zegt, een uit het noorden langs de Groeneweg gekomen; en een tweede is later verschenen, langs de Groeneweg uit het zuiden.’

Er viel een stilte. Eindelijk sprak Frodo tegen Pepijn en Sam: ‘Ik had het kunnen afleiden uit de manier waarop de poortwachter ons begroette,’ zei hij. ‘En de waard schijnt iets gehoord te hebben. Waarom drong hij er zo op aan dat we ons bij het gezelschap zouden voegen? En waarom hebben we ons zo dwaas gedragen? We hadden rustig hier moeten blijven.’

‘Dat zou beter zijn geweest,’ zei Stapper. ‘Ik zou jullie ervan hebben weerhouden de gelagkamer binnen te gaan, als ik dat kon; maar de waard wilde me niet bij jullie binnenlaten, of een boodschap aannemen.’

‘Denkt u dat hij…’ begon Frodo.

‘Nee, ik denk niets kwaads van de oude Boterbloem. Alleen houdt hij niet erg van geheimzinnige vagebonden zoals ik.’

Frodo keek hem verwonderd aan. ‘Welnu, ik zie er nogal schurkachtig uit, nietwaar,’ zei Stapper met een krullende lip en een vreemde schittering in zijn ogen. ‘Maar ik hoop dat we elkaar beter zullen leren kennen. En dan hoop ik dat u mij zult vertellen wat er aan het einde van uw lied is gebeurd. Want die poets…’

‘Het was zuiver een ongeluk!’ viel Frodo hem in de rede.

‘Ik weet het zonet niet,’ zei Stapper. ‘Ongeluk dan. Dat ongelukje heeft uw positie in gevaar gebracht.’

‘Nauwelijks gevaarlijker dan ze al was,’ zei Frodo. ‘Ik wist dat die Ruiters mij nazaten; maar nu schijnen ze mij in ieder geval misgelopen te zijn en zijn ze vertrokken.’

‘Daar zou ik niet op rekenen,’ zei Stapper scherp. ‘Ze zullen terugkomen. En er komen er nog meer. Er zijn anderen. Ik weet hoeveel. Ik ken die Ruiters.’ Hij zweeg, en zijn ogen werden koud en hard. ‘En er zijn lieden in Breeg die niet te vertrouwen zijn,’ vervolgde hij. ‘Willem Varentje, bijvoorbeeld. Hij heeft een slechte naam in Breegland en er komen rare mensen bij hem over de vloer. U moet hem tussen het gezelschap hebben zien zitten: een snode, onguur uitziende kerel. Hij was erg dik met een van die vreemdelingen uit het zuiden en ze glipten samen de deur uit, vlak na uw “ongeluk”. Niet alle zuiderlingen hebben goeds in de zin; en wat Varentje betreft, hij zou zelfs zijn eigen moeder verraden en verkopen, of voor zijn plezier kwaad stichten.’

‘Wat heeft Varentje te verkopen, en wat heeft mijn ongeluk met hem te maken?’ vroeg Frodo, nog steeds vastbesloten om Stappers toespelingen te negeren.

‘Nieuws over u, natuurlijk,’ antwoordde Stapper. ‘Er zijn lieden die een verslag van uw optreden heel interessant zouden vinden. Daarna zouden ze uw eigen naam nauwelijks nog hoeven te weten. Het lijkt mij maar al te waarschijnlijk dat ze hiervan zullen horen voor de avond om is. Is dat genoeg? U kunt wat mijn beloning betreft doen wat u wilt: me als gids meenemen of niet. Maar ik wil erop wijzen dat ik alle landen tussen de Gouw en de Nevelbergen ken, want ik heb er vele jaren door rondgezworven. Ik ben ouder dan ik eruitzie. Ik zou wel eens van nut kunnen blijken. U zult na vanavond de open weg moeten verlaten, want de Ruiters zullen u dag en nacht in de gaten houden. Misschien kunt u uit Breeg ontsnappen, en mag u verdergaan zolang de zon schijnt, maar u zult niet ver komen. Ze zullen u in de wildernis, op een donkere plek waar geen hulp is, overvallen. Wilt u dat ze u vinden? Ze zijn verschrikkelijk!’