De hobbits keken hem aan en zagen tot hun verbazing dat zijn gezicht vertrokken was, alsof hij pijn had, en zijn handen omklemden de leuningen van zijn stoel. De kamer was heel rustig en stil en het licht scheen verflauwd te zijn. Een tijdlang zat hij te staren zonder iets te zien, alsof hij ergens heel ver weg was of luisterde naar heel verre geluiden in de Nacht.
‘Nu,’ riep hij na een ogenblik, en streek met de hand over zijn voorhoofd. ‘Misschien weet ik meer over deze achtervolgers dan u. U vreest hen, maar u vreest hen nog niet genoeg. Morgen zult u moeten ontsnappen als u kunt. Stapper kan u langs paden voeren die zelden zijn betreden. Wilt u dat hij meegaat?’
Er viel een drukkende stilte. Frodo gaf geen antwoord; zijn geest was ten prooi aan verwarring en twijfel. Sam fronste het voorhoofd, keek zijn meester aan en voer plotseling heftig uit: ‘Met uw permissie, meneer Frodo, ik zou nee zeggen. Deze Stapper hier, nou ja, hij waarschuwt wel en zegt: pas op; en daar zeg ik ja op, en laten we bij hem beginnen. Hij komt uit de Wildernis en ik heb nog nooit een goed woord gehoord over dergelijke lui. Hij weet iets, dat is nogal wiedes, en meer dan me lief is; maar dat is nog geen reden waarom wij ons door hem naar een donkere plek zouden laten voeren, waar geen hulp is, zoals hij zegt.’
Pepijn schoof onrustig op zijn stoel heen en weer en leek niet erg op zijn gemak. Stapper gaf Sam geen antwoord, maar keek Frodo doordringend aan. Frodo zag zijn blik en ontweek hem. ‘Nee,’ zei hij langzaam, ‘daar ben ik het niet mee eens. Ik geloof dat u niet werkelijk bent die u voorgeeft te zijn. U bent begonnen met tegen me te praten zoals de lieden uit Breeg, maar uw stem is veranderd. Toch schijnt Sam hierin gelijk te hebben: ik zie niet in waarom u ons waarschuwt voorzichtig te zijn, en ons toch vraagt u te vertrouwen. Waarom de vermomming? Wie bent u? Wat weet u eigenlijk van… mijn zaken af; en hoe weet u dat?’
‘De les in voorzichtigheid hebt u goed geleerd,’ zei Stapper met een ernstige glimlach. ‘Maar voorzichtigheid is iets anders dan besluiteloosheid. U zult nu nooit alleen Rivendel bereiken, en uw enige kans ligt daarin als u mij vertrouwt. U moet een besluit nemen. Ik zal enkele van uw vragen beantwoorden, als dat u daarbij zal helpen. Maar waarom zou u geloof schenken aan mijn verhaal, als u mij niet vertrouwt? In ieder geval, hier is het…’
Op dat ogenblik werd er op de deur geklopt. Meneer Boterbloem kwam met kaarsen binnen, gevolgd door Nob met kannen heet water. Stapper trok zich in een donkere hoek terug. ‘Ik ben gekomen om u goedenacht te wensen,’ zei de waard, terwijl hij de kaarsen op tafel zette. ‘Nob, breng het water naar de kamers.’ Hij kwam binnen en sloot de deur.
‘Het zit zo,’ begon hij, aarzelend en met een zorgelijke uitdrukking op zijn gezicht. ‘Als ik kwaad heb gedaan, spijt het mij zeer. Maar het een verjaagt het ander, dat zult u met me eens zijn, en ik heb het erg druk. Maar eerst heeft het een en toen het ander mijn geheugen deze week in de war gestuurd, zoals men wel zegt; en niet te laat, hoop ik. Ziet u, men had mij gevraagd uit te kijken naar hobbits uit de Gouw, in het bijzonder naar eentje die Balings heet.’
‘En wat heeft dat met mij te maken?’ vroeg Frodo.
‘Nu, dat zult u zelf het beste weten,’ zei de waard gewiekst. ‘Ik zal u niet verraden; maar men zei mij, dat deze Balings onder de naam Onderheuvel zou reizen, en ik kreeg een beschrijving die maar al te goed met u overeenstemt, met uw permissie.’
‘Werkelijk? Voor de draad ermee dan,’ zei Frodo, hem onwijselijk in de rede vallend.
‘Een dik kereltje met rode wangen,’ zei meneer Boterbloem ernstig. Pepijn giechelde, maar Sam keek verontwaardigd. ‘Daar heb je niet veel houvast aan; dat geldt voor de meeste hobbits, Gersteman, zei hij tegen me,’ vervolgde meneer Boterbloem met een blik op Pepijn. ‘Maar deze is langer dan sommigen en blonder dan de meesten, en hij heeft een spleetje in zijn kin; een parmantig mannetje met een heldere blik. Neem me niet kwalijk, maar dat zei hij, niet ik.’
‘Hij? En wie is hij?’ vroeg Frodo verlangend.
‘Ha, dat was Gandalf, als u weet wie ik bedoel. Ze zeggen dat hij een tovenaar is, maar hij is een goede vriend van me, of het waar is of niet! Maar ik weet nu niet wat hij me te zeggen heeft als ik hem weerzie: waarschijnlijk zal hij al m’n bier doen verzuren of me in een houtblok veranderen, denk ik. Hij is een beetje kortaangebonden. Maar ja, wat gebeurd is, is gebeurd.’
‘Maar wat hebt u dan gedaan?’ vroeg Frodo, die ongeduldig begon te worden door de trage ontrafeling van Boterbloems gedachten.
‘Waar was ik ook al weer,’ zei de waard, zweeg en frommelde met zijn vingers. ‘O ja, de oude Gandalf. Drie maanden geleden kwam hij zomaar pardoes mijn kamer binnenlopen, zonder te kloppen.
Gersteman, zei hij, ik ga er morgenochtend vandoor. Wil je iets voor me doen? U hoeft het maar te zeggen, zei ik. Ik heb haast, zei hij, en ik heb zelf geen tijd, maar ik wil dat je een boodschap naar de Gouw stuurt. Heb je een vertrouwd iemand die je kunt sturen? Ik kan wel iemand vinden, zei ik, morgen, misschien of overmorgen. Doe het morgen, zei hij en toen gaf hij mij een brief. Het adres is duidelijk genoeg,’ zei meneer Boterbloem, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde en het adres trots voorlas (hij ging prat op zijn reputatie als een geletterd man):
‘Meneer FRODO BALINGS. BALINGSHOEK, HOBBITSTEE in de GOUW.’
‘Een brief voor mij van Gandalf!’ riep Frodo uit.
‘Aha,’ zei meneer Boterbloem. ‘Dus uw echte naam is Balings.’
‘Inderdaad,’ zei Frodo, ‘en geef die brief maar meteen hier, en legt u maar eens uit waarom u hem nooit hebt verzonden. Ik denk dat u mij dat wou komen vertellen, maar u hebt er lang voor nodig gehad om ter zake te komen.’
De arme meneer Boterbloem zag er zorgelijk uit. ‘Daar hebt u gelijk in, meester,’ zei hij, ‘en neemt u mij niet kwalijk. Ik ben doodsbang voor wat Gandalf zal zeggen, als er kwaad van komt. Maar ik heb hem niet met opzet achtergehouden. Ik heb hem veilig opgeborgen. En toen kon ik niemand vinden, de volgende dag of de dag daarna, die naar de Gouw wilde gaan, en ik kon geen van mijn eigen mensen missen; en toen heb ik er door allerlei dingen niet meer aan gedacht. Ik ben een druk bezet man. Ik zal doen wat ik kan om het goed te maken, en als ik op enigerlei manier kan helpen, hoeft u het maar te zeggen.
Afgezien van die brief heb ik dat Gandalf ook beloofd. Gersteman, zei hij tegen mij, die vriend van me uit de Gouw – misschien komt hij binnenkort deze kant uit, met nog iemand. Hij zal zich Onderheuvel noemen. Denk daarom! Maar je hoeft niets te vragen. En als ik niet bij hem ben, is hij misschien in moeilijkheden en heeft hij wellicht hulp nodig. Doe voor hem wat je kunt, en ik zal je dankbaar zijn, zei hij. En hier bent u nu, en blijkbaar is het gevaar niet veraf.’
‘Wat bedoelt u?’ vroeg Frodo.
‘Die zwarte mannen,’ zei de waard terwijl hij zijn stem liet zakken. ‘Ze zoeken naar Balings, en ik mag een hobbit zijn als ze iets goeds in de zin hebben. Het was op maandag en alle honden waren aan het janken en de ganzen schreeuwden. Ik vond het griezelig. Nob kwam me vertellen dat er twee zwarte mannen aan de deur waren die vroegen naar een hobbit die Balings heette. Nobs haar stond rechtovereind. Ik zei die zwarte kerels dat ze moesten opdonderen en sloeg de deur voor hun neus dicht, maar ze hebben, naar ik hoor, van hier tot aan Boogwolde dezelfde vraag gesteld. En die Doler, Stapper, heeft ook vragen gesteld. Probeerde hier binnen te komen om u te spreken, voordat u de kans had gehad om een hap te eten, of een slok te drinken.’