Выбрать главу

‘Dat is ook zo – in ieder geval op het eerste gezicht,’ zei Pepijn, plotseling opgelucht lachend na Gandalfs brief te hebben gelezen. ‘Maar mooi vanbuiten betekent nog niet mooi vanbinnen, zoals wij in de Gouw zeggen, en ik geloof dat we er allemaal zo uit zullen zien als we dagenlang in greppels en achter hagen hebben gelegen.’

‘Er zijn meer dan een paar dagen, weken of jaren van omzwervingen in de Wildernis voor nodig voor je er als Stapper uitziet,’ antwoordde hij. ‘En je zou het niet overleven, tenzij je taaier bent dan je lijkt.’

Pepijn zei niets meer, maar Sam was niet onder de indruk en keek Stapper nog bedenkelijk aan. ‘Hoe weten we dat jij de Stapper bent waar Gandalf het over heeft?’ vroeg hij. ‘Voor deze brief op de proppen kwam, heb je Gandalf nooit genoemd. Misschien ben je wel een komedie spelende spion, voorzover ik weet, die probeert met ons aan te pappen. Misschien heb je de echte Stapper wel om zeep gebracht en zijn kleren aangetrokken. Wat heb je daarop te zeggen?’

‘Dat je een flinke kerel bent,’ antwoordde Stapper, ‘maar ik vrees dat mijn enige antwoord aan jou, Sam Gewissies, dit is: als ik de echte Stapper had gedood, zou ik jou kunnen doden. En ik zou je allang gedood hebben, zonder zoveel gepraat. Als het mij om de Ring te doen was, kon ik hem hebben – NU!’

Hij stond op en scheen plotseling veel groter te worden. In zijn ogen glansde een licht, helder en gebiedend. Terwijl hij zijn mantel opensloeg, legde hij zijn hand op het gevest van een zwaard dat onzichtbaar aan zijn zijde had gehangen. Ze durfden zich niet te verroeren. Sam zat hem met wijdopen mond stom aan te staren.

‘Maar gelukkig ben ik de echte Stapper,’ zei hij, terwijl hij op hen neerkeek en zijn gezicht door een plotselinge glimlach werd vertederd. ‘Ik ben Aragorn, de zoon van Arathorn; en als ik jullie met mijn leven of dood kan redden, zal ik dat doen.’

Er viel een lange stilte. Ten slotte sprak Frodo, aarzelend. ‘Ik geloofde dat je een vriend was, voordat de brief kwam,’ zei hij, ‘of dat hoopte ik in ieder geval. Je hebt me vanavond meer dan eens laten schrikken, maar niet op de manier waarop dienaren van de Vijand dat zouden doen, zo stel ik me voor. Ik denk dat een van zijn spionnen er – mooier uit zou zien, maar gemener zou zijn, begrijp je?’

‘Ja, ik begrijp het,’ zei Stapper lachend. ‘Ik zie er gemeen uit, maar ben innerlijk mooi. Is dat het? Niet alles schittert wat goud is, niet ieder die zwerft is teloor.’

‘Sloegen de versregels dan op jou?’ vroeg Frodo. ‘Ik begreep niet waar ze over gingen. Maar hoe wist je dat ze in Gandalfs brief stonden, als je die nooit hebt gezien?’

‘Dat wist ik ook niet,’ antwoordde hij. ‘Maar ik ben Aragorn en die versregels horen bij die naam.’ Hij trok zijn zwaard en ze zagen dat het staal inderdaad dertig centimeter onder het gevest was afgebroken. ‘Je hebt er niet veel aan, hè Sam?’ zei Stapper. ‘Maar de tijd is nabij waarop het opnieuw zal worden gesmeed.’ Sam zei niets.

‘Welnu,’ zei Stapper, ‘met Sams goedvinden zullen we dit als een uitgemaakte zaak beschouwen. Stapper zal jullie tot gids dienen. We zullen morgen een moeilijke weg hebben af te leggen. Zelfs als men ons ongehinderd uit Breeg laat vertrekken, is er nauwelijks hoop op dat we ongemerkt kunnen vertrekken. Maar ik zal proberen zo gauw mogelijk te verdwijnen. Ik ken buiten de hoofdweg nog een paar andere wegen die uit Breegland leiden. Wanneer we onze achtervolgers eenmaal van ons hebben afgeschud, ga ik op weg naar de Weertop.’

‘De Weertop?’ vroeg Sam. ‘Wat is dat?’

‘Dat is een heuvel, even ten noorden van de Weg, ongeveer halverwege tussen waar we nu zijn en Rivendel. Hij geeft een wijd uitzicht naar alle kanten; en daar zullen we een kans hebben om ons heen te kijken. Gandalf koerst op dat punt aan, als hij ons achterop komt. Na de Weertop zal onze reis moeilijker worden, en we zullen tussen verschillende gevaren moeten kiezen.’

‘Wanneer heb je Gandalf voor het laatst gezien?’ vroeg Frodo. ‘Weet je waar hij is of wat hij doet?’

Stapper keek ernstig. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘In het voorjaar ben ik met hem meegegaan naar het westen. Ik heb de laatste jaren vaak de wacht gehouden aan de grenzen van de Gouw, als hij ergens anders dingen te doen had. Hij liet de Gouw zelden onbewaakt. De laatste keer dat wij elkaar zagen, was op de eerste mei: bij Sarnvoorde aan de benedenloop van de Brandewijn. Hij vertelde me dat zijn besprekingen met jou goed waren verlopen en dat je in de laatste week van september naar Rivendel zou vertrekken. Daar ik wist dat hij aan jouw zijde stond, ging ik zelf op reis. En dat is ongunstig gebleken, want het is duidelijk dat hem een of ander nieuws heeft bereikt, en ik was er niet om hem te helpen.

Voor de eerste keer zolang ik hem ken, ben ik ongerust. We hadden boodschappen moeten ontvangen, ook al kon hij zelf niet komen. Toen ik vele dagen geleden terugkeerde, hoorde ik het slechte nieuws. Het gerucht had zich wijd en zijd verspreid dat Gandalf zoek was en dat de Ruiters waren gesignaleerd. Het was het elfenvolk van Gildor dat mij dit vertelde; en later hoorde ik van hen dat je van huis was vertrokken; maar er was geen nieuws dat je uit Bokland was weggegaan. Ik heb de Oosterweg nauwlettend in de gaten gehouden.’

‘Denk je dat de Zwarte Ruiters er iets mee te maken hebben – met Gandalfs afwezigheid, bedoel ik?’ vroeg Frodo.

‘Ik zou niet weten wat hem anders zou hebben kunnen tegenhouden, behalve de Vijand zelf,’ zei Stapper. ‘Maar geef de moed niet op! Gandalf is groter dan jullie in de Gouw weten – in de regel krijgen jullie alleen zijn grappen en beuzelarijen te zien. Maar deze aangelegenheid van ons zal zijn grootste opgave zijn.’ Pepijn geeuwde.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij, ‘maar ik ben doodmoe. Ondanks alle gevaren en zorgen moet ik naar bed gaan, anders val ik ter plekke in slaap. Waar zit die rare Merijn toch? Het zou het toppunt zijn als we hem buiten in het donker moesten gaan zoeken.’

Op dat ogenblik hoorden ze een deur dichtslaan; toen kwamen er voetstappen door de gang gerend. Merijn stormde de kamer binnen gevolgd door Nob. Hij sloot haastig de deur, en leunde ertegenaan. Hij was buiten adem. Ze staarden hem een ogenblik ontsteld aan voordat hij hijgend kon zeggen: ‘Ik heb ze gezien, Frodo. Ik heb ze gezien! Zwarte Ruiters!’

‘Zwarte Ruiters!’ riep Frodo uit. ‘Waar?’

‘Hier. In het dorp. Ik ben een uur binnengebleven. Omdat jullie niet terugkwamen, ben ik een eindje gaan lopen. Ik was weer terug en stond net buiten het schijnsel van de lantaarn naar de sterren te kijken. Plotseling huiverde ik en voelde dat er iets afgrijselijks naderbij sloop: er was een soort diepere schaduw tussen de schaduwen op de weg, vlak aan de grens van het lamplicht. Die gleed onmiddellijk geluidloos in het donker terug. Er was geen paard.’

‘Welke kant ging hij uit?’ vroeg Stapper abrupt en scherp.

Merijn schrok toen hij de vreemdeling opmerkte. ‘Ga verder,’ zei Frodo. ‘Dit is een vriend van Gandalf. Ik zal het je later wel uitleggen.’

‘Hij scheen de Weg op te gaan, in oostelijke richting,’ vervolgde Merijn. ‘Ik probeerde hem te volgen. Natuurlijk verdween hij vrijwel meteen, maar ik ging de hoek om en toen tot aan het laatste huis aan de Weg.’

Stapper keek Merijn verbaasd aan. ‘Je bent moedig,’ zei hij, ‘maar het was dwaas.’

‘Ik weet het niet!’ zei Merijn. ‘Ik geloof dat het dwaas noch moedig was. Het ging min of meer tegen wil en dank. Ik scheen op de een of andere manier te worden getrokken. In ieder geval ben ik gegaan, en plotseling hoorde ik stemmen bij de haag. De ene mompelde en de andere fluisterde, of siste. Ik kon geen woord horen van wat er gezegd werd. Ik sloop niet dichterbij, want ik begon over mijn hele lichaam te beven. Toen voelde ik mij doodsbang, draaide me om en wou juist terugrennen toen iets mij achterop kwam en ik… ik viel.’

‘Ik heb hem gevonden, meneer,’ zei Nob. ‘Meneer Boterbloem heeft mij er met een lantaarn op uitgestuurd. Ik ging eerst naar de Westerpoort en toen terug naar de Zuiderpoort. Vlak bij Willem Varentjes huis meende ik iets op de Weg te zien. Ik kan er geen eed op doen, maar het leek net alsof twee mannen zich over iets bukten en het optilden. Ik gaf een schreeuw, maar toen ik op de plek aankwam, waren ze nergens te bekennen; alleen maar meneer Brandebok, die aan de kant van de Weg lag. Hij scheen te slapen. “Ik dacht dat ik in diep water was gevallen,” zei hij tegen me toen ik hem wakker schudde. Hij deed heel vreemd, want zodra ik hem wakker had gemaakt, stond hij op en rende als een haas hiernaartoe.’