Выбрать главу

Stapper was van gedachten veranderd en had besloten om Breeg via de hoofdweg te verlaten. Een poging om onmiddellijk de velden door te steken zou de zaak alleen maar erger maken: de helft van de bewoners zou hen achternagaan om te zien wat ze van plan waren en hen verhinderen een overtreding te begaan.

Ze zeiden Nob en Bob goedendag en namen onder veel dankbetuigingen afscheid van meneer Boterbloem. ‘Ik hoop dat wij elkaar nog eens zullen ontmoeten wanneer het leven weer vrolijk is,’ zei Frodo. ‘Ik zou niets liever willen dan een tijdlang rustig in uw huis verblijven.’

Ze vertrokken, bezorgd en moedeloos, terwijl de menigte toekeek. Niet alle gezichten stonden vriendelijk, en dat waren ook niet alle woorden die hun werden toegeroepen. Maar Stapper scheen de meeste Breeglanders ontzag in te boezemen, want degenen die hij aanstaarde, hielden hun mond dicht en deinsden achteruit. Hij liep met Frodo voorop; vervolgens kwamen Merijn en Pepijn en achteraan kwam Sam, die de pony leidde, die zoveel van hun bagage droeg als ze op hem hadden durven laden. Maar het dier zag er al minder neerslachtig uit, alsof het met zijn lotsverandering instemde. Sam kauwde peinzend op een appel. Hij had een hele zak voclass="underline" een afscheidsgeschenk van Nob en Bob. ‘Appels voor als je loopt en een pijp voor als je zit,’ zei hij. ‘Maar ik veronderstel dat het niet lang zal duren voor ik ze allebei zal missen.’

De hobbits namen geen notitie van de nieuwsgierige hoofden die om de hoeken van deuren of over muren en heggen gluurden toen ze voorbijkwamen. Maar toen ze de verste poort naderden, zag Frodo een somber, slecht onderhouden huis achter een dikke haag; het laatste huis van het dorp. Voor een van de ramen zag hij heel even een onguur gezicht met sluwe scheve ogen, maar het verdween onmiddellijk.

Dus daar houdt de zuiderling zich schuil! dacht hij. Hij lijkt verbazend veel op een aardmannetje.

Over de haag staarde een andere man hen brutaal aan. Hij had zware zwarte wenkbrauwen en donkere minachtende ogen; zijn grote mond was tot een spotlach vertrokken. Hij rookte een korte zwarte pijp. Toen ze naderden, nam hij haar uit de mond en spuwde.

‘Morgen, Langbeen!’ zei hij. ‘Vroeg op pad? Dus je hebt eindelijk een stel vrienden gevonden?’ Stapper knikte, maar gaf geen antwoord.

‘Morgen, mijn kleine vriendjes,’ zei hij tegen de anderen. ‘Ik veronderstel dat jullie weten met wie je hebt aangepapt. Dat is de voornietsterugdeinzende Stapper, dat is-ie. Hoewel ik andere namen heb gehoord die minder aardig zijn. Pas maar op vanavond. En jij, Sammie, pas maar op dat je mijn arme pony niet slecht behandelt. Bah!’ Hij spuwde opnieuw.

Sam draaide zich vlug om. ‘En jij, Varentje,’ zei hij, ‘doe je lelijke bakkes weg voordat je het bezeert.’ Met een onverhoedse bliksemsnelle beweging schoot er uit zijn linkerhand een appel weg, die Willem pal op de neus trof. Hij had zich te laat gebukt en er klonken verwensingen achter de haag. ‘Zonde van die goeie appel,’ zei Sam spijtig en vervolgde zijn weg.

Eindelijk hadden ze het dorp achter zich gelaten. De optocht van kinderen en nieuwsgierigen die hen had gevolgd, begon vermoeid te raken en keerde bij de Zuiderpoort terug. Nadat ze erdoor waren gegaan, bleven ze nog een paar mijl op de Weg. Deze beschreef een bocht naar links en liep weer naar het oosten terwijl hij om de voet van Breegheuvel boog, en daarna liep hij vrij snel omlaag het beboste land in. Links van hen konden ze een paar huizen en hobbitholen van Stadel op de vriendelijker zuidoostelijke hellingen van de heuvel zien; omlaag in een diepe kom ten noorden van de Weg stegen sliertjes rook omhoog die aangaven waar Kom lag; Boogwolde was door de bomen aan hun oog onttrokken.

Nadat de Weg een eind naar omlaag had gelopen en de heuvel van Breeg hoog en bruin achter hen had gelaten, kwamen ze bij een smal pad dat naar het noorden liep. ‘Hier zullen we het open terrein verlaten en dekking zoeken,’ zei Stapper.

‘Toch geen “korte weg”, hoop ik,’ zei Pepijn. ‘Onze laatste “korte weg” door de bossen liep bijna op een ramp uit.’

‘Nee, maar toen hadden jullie mij niet bij je,’ zei Stapper lachend. ‘Mijn afsnijdingen, of ze nu kort zijn of lang, gaan niet mis.’ Hij keek vlug naar beide kanten de Weg langs. Er was niemand te zien, en hij ging hun vlug voor naar de beboste vallei.

Voorzover ze konden opmaken zonder het land te kennen, was hij van plan om eerst naar Boogwolde te gaan, maar rechts aan te houden en er aan de oostkant voorbij te gaan, en dan in een zo recht mogelijke lijn over de Wilde Landen naar de Heuvel Weertop te gaan. Op die manier zouden ze, als alles goed ging, een grote lus van de Weg kunnen afsnijden, die een eind verder een bocht naar het zuiden maakte om de Muggewatermoerassen te vermijden. Maar natuurlijk zouden ze door de moerassen zelf moeten gaan, en Stappers beschrijving ervan was niet erg bemoedigend.

Ondertussen was de wandeling echter geenszins onaangenaam. Sterker nog, als de verontrustende gebeurtenissen van de afgelopen nacht er niet waren geweest, zouden ze van dit deel van de reis meer hebben genoten dan van enig vorig traject. De zon scheen helder, maar niet te warm. De bossen in het dal waren nog bebladerd en kleurig, en schenen vredig en gezond. Stapper leidde hen vol vertrouwen langs de vele kriskras lopende paden, hoewel ze, indien ze alleen waren geweest, de weg weldra kwijt zouden zijn geraakt. Hij volgde een grillige koers met vele bochten en draaiingen om eventuele achtervolgers te misleiden.

‘Willem Varentje heeft ongetwijfeld gekeken waar we van de Weg af zijn gegaan,’ zei hij, ‘hoewel ik niet geloof dat hij ons zelf zal volgen. Hij kent het land hier op zijn duimpje, maar hij weet dat hij zich in een bos niet met mij kan meten. Ik vrees alleen wat hij anderen zou kunnen vertellen. Ik denk niet dat ze ver uit de buurt zijn. Als ze denken dat we op weg zijn naar Boogwolde, des te beter.

Of het nu door Stappers vaardigheid kwam of door iets anders, ze zagen die hele dag niets en hoorden geen geluid van enig ander levend wezen: noch tweevoetig, behalve vogels; noch viervoetig, met uitzondering van een vos en een paar eekhoorns. De volgende dag volgden ze een vaste koers naar het oosten en nog altijd was alles kalm en vredig. Op de derde dag na hun vertrek uit Breeg verlieten ze het Boogbos. Van het ogenblik af dat ze de Weg hadden verlaten, was het land almaar gedaald en ze kwamen nu aan een grote vlakte die veel moeilijker begaanbaar was. Ze waren nu ver van de grenzen van Breegland in de ongebaande wildernis, en naderden de Muggewatermoerassen.

De grond begon nu vochtig en op sommige plaatsen modderig te worden, en hier en daar kwamen ze bij plassen en grote vlakten met riet en varens, waarin het gekwetter van onzichtbare vogeltjes weerklonk. Ze moesten zich zorgvuldig een weg banen om hun voeten droog te houden en hun juiste koers te vervolgen. Aanvankelijk schoten ze goed op, maar naarmate ze verdergingen, werd hun tocht trager en gevaarlijker. De moerassen waren verbijsterend en verraderlijk, en er was zelfs voor Dolers geen vast spoor door de zich verplaatsende poelen te vinden. De vliegen begonnen hen te kwellen, en de lucht was bezaaid met wolken kleine muggen, die in hun mouwen en broekspijpen en in hun haar kropen.

‘Ik word levend verslonden!’ riep Pepijn. ‘Muggewater! Er zijn meer muggen dan dat er water is.’

‘Waar leven ze van als ze geen hobbit kunnen krijgen?’ vroeg Sam terwijl hij zijn nek krabde.

Ze brachten een ellendige dag door in dit verlaten en onaangename gebied. Hun kampeerplaats was vochtig, koud en onbehaaglijk, en de bijtende insecten gunden hun geen slaap. Er zwierven ook afschuwelijke schepsels door het riet en het gras, die, naar het geluid te oordelen, boosaardige verwanten van de krekel waren. Er waren er duizenden en ze krasten onophoudelijk: niek-briek, briek-niek, de hele nacht door totdat de hobbits er bijna gek van werden.

De volgende dag, de vierde, was al niet veel beter en de nacht bijna even troosteloos. Want hoewel ze de Niekerbriekers, zoals Sam ze noemde, achter zich hadden gelaten, werden ze nog steeds door de muggen achtervolgd.