Выбрать главу

Terwijl Frodo daar lag, moe, maar niet in staat een oog dicht te doen, scheen het hem toe dat hij ver in het oosten een licht aan de hemel zag: het flakkerde en doofde vele keren. Het was niet de dageraad, want die was nog enkele uren van hen verwijderd.

‘Wat is dat licht?’ vroeg hij aan Stapper, die was opgestaan en in de nacht voor zich uit tuurde.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Het is te ver weg om te kunnen onderscheiden. Het lijkt wel bliksem die van de toppen van de heuvels omhoogschiet.’

Frodo ging weer liggen, maar nog lange tijd kon hij de witte flitsen zien, waartegen zich de donkere gestalte van Stapper, die roerloos en waakzaam stond te kijken, aftekende. Eindelijk viel hij in een onrustige slaap.

Ze waren op de vijfde dag nog niet ver gegaan toen ze de laatste plassen en rietvlakten van de moerassen achter zich lieten. Het land voor hen begon weer zacht te glooien. In de verte in het oosten konden ze nu een rij heuvels zien. De hoogste ervan stond rechts in de rij en een eindje van de andere af. Hij had een kegelvormige top, enigszins afgeplat aan de kruin.

‘Dat is de Weertop,’ zei Stapper. ‘De Oude Weg, die wij ver rechts achter ons hebben gelaten, loopt er ten zuiden van, en gaat er niet ver van de voet langs. Misschien zullen wij hem tegen morgenmiddag bereiken als wij er recht op afgaan. Ik denk dat we dat maar moesten doen.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg Frodo.

‘Ik bedoel dat het niet zeker is wat we er zullen aantreffen, wanneer we de Weertop bereiken. Hij ligt dicht bij de Weg.’

‘Maar wij hoopten Gandalf er toch aan te treffen?’

‘Ja, maar die hoop is niet groot. Ook al komt hij deze richting uit, dan hoeft hij nog niet door Breeg te komen, en dus weet hij misschien niet wat wij doen. En in ieder geval zullen we elkaar mislopen, tenzij we daar door puur toeval tegelijk aankomen; het zal niet veilig voor hem of voor ons zijn daar lang te blijven wachten. Als de Ruiters ons niet in de wildernis vinden, zullen ze waarschijnlijk zelf ook naar de Weertop gaan. Men heeft er een wijd uitzicht naar alle kanten. Er zijn trouwens vele vogels en dieren in dit land die ons van die heuveltop af zouden kunnen zien, zoals wij hier staan. Niet alle vogels zijn te vertrouwen en er zijn andere spionnen, nog boosaardiger dan zij.’

De hobbits keken angstig naar de verre heuvels. Sam keek omhoog naar de bleke lucht en vreesde haviken of adelaars boven hen te zien zweven met scherpe, onvriendelijke ogen. ‘Je maakt dat ik me ongerust en eenzaam begin te voelen, Stapper,’ zei hij.

‘Wat raad je ons aan te doen?’ vroeg Frodo.

‘Ik denk,’ zei Stapper langzaam, alsof hij het niet heel zeker wist, ‘ik denk dat het ’t beste is om van hier zo recht mogelijk op het oosten aan te houden, naar de heuvelrij, niet naar de Weertop. Daar kunnen we op een pad komen dat aan de voet ervan loopt; dat zal ons van het noorden op een minder openlijke manier naar de Weertop brengen. Dan zullen we zien wat er te zien valt.’

Ze sjouwden de hele dag verder, tot de koude en vroege avond viel. Het land werd droger en dorder, maar achter hen hingen nevels en dampen boven de moerassen. Een paar melancholieke vogels kwetterden en klaagden tot de ronde rode zon langzaam in de westelijke schaduwen zonk; toen viel er een lege stilte. De hobbits dachten aan het zachte licht van de zonsondergang dat door de vrolijke ramen van Balingshoek scheen, ver weg.

Aan het einde van de dag kwamen ze bij een stroom die uit de heuvels kwam en zich in het stille moerasland verloor; ze volgden hem langs zijn oevers zolang het licht was. Het was al nacht toen ze ten slotte halt hielden en onder een paar knoestige elzenbomen bij de oever van de stroom hun kamp opsloegen. In de verte staken nu tegen de halfduistere hemel de zwarte kale ruggen van de heuvels af. Die nacht zetten ze een wachtpost uit en Stapper, scheen het, sliep helemaal niet. Het was wassende maan en in de vroege uren van de nacht lag een koud grijs licht over het landschap.

De volgende morgen gingen ze spoedig na zonsopgang weer op weg. Er zat vorst in de lucht en de hemel was helder lichtblauw. De hobbits voelden zich verkwikt alsof ze de hele nacht aan één stuk door hadden geslapen. Ze begonnen al gewend te raken aan lange dagmarsen op kleine rantsoenen – kleiner in ieder geval dan ze in de Gouw nauwelijks genoeg zouden hebben gevonden om zich staande te houden. Pepijn verklaarde dat Frodo twee keer de hobbit scheen die hij was geweest.

‘Heel vreemd,’ zei Frodo, terwijl hij zijn buikriem aanhaalde; ‘als je in aanmerking neemt dat ik sterk in volume ben afgenomen. Ik hoop dat de vermageringskuur niet eindeloos zal duren, of ik zal een geest worden.’

‘Met dergelijke dingen moet je niet spotten,’ zei Stapper vlug en verrassend ernstig.

De heuvels kwamen dichterbij. Zij vormden een golvende rug, die vaak tot een hoogte van bijna duizend voet steeg, hier en daar onderbroken door lage kloven of passen die naar het oostelijke land daarachter leidden. Langs de top van de rug zagen de hobbits iets dat op de overblijfselen van begroeide muren en wallen leek, en in de kloven stonden nog de bouwvallen van oude stenen muren. Tegen de avond hadden zij de voet van de westelijke hellingen bereikt en daar sloegen zij hun kamp op. Het was de avond van de vijfde oktober, en ze waren vijf dagreizen van Breeg verwijderd.

In de ochtend vonden ze, voor het eerst sinds ze het Boogbos hadden verlaten, een duidelijk pad. Ze sloegen rechtsaf en volgden het in zuidelijke richting. Het liep heel listig, een lijn volgend die zo gekozen scheen te zijn, dat het zoveel mogelijk aan het oog werd onttrokken, zowel van de toppen van de heuvels als van de vlakte in het westen. Het pad dook in begroeide dalen en liep dicht langs hoge bermen; en waar het over vlakker en opener terrein liep, waren er aan beide kanten rijen grote keien en stukgehakte stenen, die de reizigers bijna als een haag afschermden.

‘Ik vraag me af wie dit pad heeft gemaakt en waarvoor,’ zei Merijn toen ze langs een van deze wegen liepen, waar de stenen ongewoon groot waren en dicht op elkaar stonden. ‘Ik vertrouw het niet helemaaclass="underline" het ziet er een beetje grafgeesterig uit. Is er soms een grafheuvel op de Weertop?’

‘Nee. Er is geen grafheuvel op de Weertop, en ook niet op de andere heuvels,’ antwoordde Stapper. ‘De mensen van het Westen hebben hier niet gewoond, hoewel ze de heuvels in hun laatste dagen een tijdlang tegen het kwaad uit Angmar hebben verdedigd. Dit pad werd aangelegd ten behoeve van de forten langs de muur. Maar lang daarvoor, in de eerste dagen van het Noordelijke Koninkrijk, bouwde men een grote uitkijktoren op de Weertop – Amon Sûl, noemden zij hem. Hij werd in brand gestoken en verwoest, en nu is er niets meer van over dan een soort ring, als een ruwe kroon op de kruin van de oude heuvel. Maar eens was hij hoog en mooi. Het verhaal gaat dat Elendil daar heeft staan uitkijken naar Gil-galads komst uit het Westen, in de dagen van het Laatste Bondgenootschap.’

De hobbits staarden Stapper aan. Het scheen dat hij evenveel van de oude geschiedenis af wist als van het leven in de wildernis.

‘Wie was Gil-galad?’ vroeg Merijn. Maar Stapper gaf geen antwoord en scheen in gedachten verzonken. Plotseling klonk zacht een stem:

Een elfenvorst was Gil-galad. Een betere had men nooit gehad: de laatste wiens rijk schoon was en vrij tussen de Zee en de Bergen-rij.
Zijn zwaard was lang en scherp zijn lans, van ver zag men zijn helm in glans; zijn schild weerkaatste, ongeteld, de sterren aan het hemelveld.
Maar lang geleden reed hij heen en waar hij nu is, dat weet geen; zijn ster viel in een zwart ravijn In Mordor waar de schimmen zijn.

De anderen keerden zich verbaasd om, want het was Sam die zong.

‘Ga verder,’ zei Merijn.

‘Meer ken ik er niet van,’ stotterde Sam, blozend. ‘Ik heb het van meneer Bilbo geleerd toen ik een jongen was. Hij placht mij dat soort verhalen te vertellen, omdat-ie wist dat ik er altijd dol op was om over elfen te horen. Meneer Bilbo heeft mij leren lezen. Hij was enorm geleerd, meneer Bilbo, dat was-ie. En hij schreef poëzie. Hij schreef wat ik zonet heb gezongen.’