Выбрать главу

‘Hij heeft het niet verzonnen,’ zei Stapper. ‘Het is een deel van het lied dat De Val van Gil-galad wordt genoemd, dat in een oude taal is geschreven. Bilbo moet het hebben vertaald. Dat heb ik nooit geweten.’

‘Er was een heleboel meer,’ zei Sam, ‘allemaal over Mordor. Dat stuk heb ik niet geleerd: ik kreeg er kippenvel van. Ik had nooit gedacht dat ik daar zelf nog eens heen zou gaan.’

‘Naar Mordor gaan!’ riep Pepijn uit. ‘Ik hoop niet dat het zover zal komen.’

‘Spreek die naam niet zo luid uit!’ zei Stapper.

Het was al middag toen ze het zuidelijke eind van het pad begonnen te naderen en in het bleke heldere licht van de oktoberzon een grijsgroene berm voor zich zagen, die als een brug naar de noordelijke helling van de heuvel leidde. Ze besloten onmiddellijk op de top af te gaan, terwijl het nog volop dag was. Het was niet langer mogelijk zich te verbergen en zij konden alleen maar hopen dat geen vijand of spion hen gadesloeg. Op de heuvel was geen teken van leven te zien. Zo Gandalf zich hier ergens ophield, dan was er in elk geval niets van hem te bekennen.

Op de westelijke flank van de Weertop vonden zij een beschutte holte met aan het einde een komvormige, begroeide kleine vallei met wanden van gras. Daar lieten ze Sam en Pepijn met de pony en hun pakken en bagage achter. De andere drie gingen verder. Na een moeizame klim van een half uur bereikte Stapper de kruin van de heuvel; Frodo en Merijn volgden, moe, buiten adem. De laatste helling was steil en rotsachtig geweest.

Op de top zagen zij, zoals Stapper had gezegd, een grote kring van oud metselwerk, dat nu afbrokkelde of bedekt was met eeuwenoud gras. Maar in het midden van de ring lag een cairn, een kegelvormige hoop van gebroken stenen. Zij waren als door vuur geblakerd. Eromheen was het gras tot aan de wortels toe verbrand en binnen de hele ring was het gras geschroeid en verdord, alsof er vlammen over de top van de Heuvel hadden gespeeld; maar er was geen teken van enig levend wezen.

Toen ze op de rand van de verwoeste kring stonden zagen ze rondom beneden hen een wijd vergezicht: voornamelijk lege en kale landen met uitzondering van stukken bosland in het zuiden, waarachter ze hier en daar water zagen glinsteren. Beneden hen, aan de zuidkant, liep als een lint de Oude Weg, die uit het westen kwam en slingerend op en neer golfde, tot hij achter een rand van donker land in het oosten vervaagde. Niets bewoog erop. Toen ze de omtrek van de Weg naar het oosten met hun ogen volgden, zagen ze de Bergen: de heuvels aan de voet ervan waren bruin en somber; erachter stonden hogere grijze vormen, en daarachter weer waren hoge witte pieken die tussen de wolken schitterden.

‘Nou, we zijn er!’ zei Merijn. ‘En het ziet er behoorlijk troosteloos en ongezellig uit! Er is geen water en geen beschutting. En geen teken van Gandalf. Maar ik neem ’t hem niet kwalijk dat hij niet heeft gewacht – als hij hier tenminste ooit is geweest.’

‘Ik vraag het me af,’ zei Stapper, bedachtzaam rondkijkend. ‘Ook al was hij een dag of twee na ons in Breeg, dan kon hij hier toch als eerste zijn aangekomen. Hij kan heel vlug rijden als de nood aan de man komt.’ Plotseling bukte hij zich en keek naar de steen die boven op de cairn lag; hij was platter dan de andere, en witter, alsof hij aan de vlammen was ontkomen. Hij pakte hem op en onderzocht hem, hem in zijn vingers ronddraaiend. ‘Die is heel kort geleden in iemands handen geweest,’ zei hij. ‘Wat denken jullie van deze tekens?’

Aan de platte onderkant zag Frodo een paar krassen:

‘Er lijken een streep, een punt en dan weer drie strepen te staan,’ zei hij.

‘De streep links zou wel eens een G-rune met dunne zijtakken kunnen zijn,’ zei Stapper. ‘Misschien is het een teken dat door Gandalf is achtergelaten, hoewel je er niet zeker van kunt zijn. De krasjes zijn heel fijn en ongetwijfeld pas gemaakt. Maar de tekens zouden wel eens iets anders kunnen beduiden, en niets met ons te maken hebben. Dolers bedienen zich van runen, en zij komen hier wel eens.’

‘Wat zouden ze kunnen betekenen, ook al heeft Gandalf ze gemaakt?’ vroeg Merijn.

‘Ik zou zeggen,’ antwoordde Stapper, ‘dat ze voor G3 staan, hetgeen zou kunnen betekenen dat Gandalf hier op drie oktober is geweest; dat is nu drie dagen geleden. Het zou er ook op wijzen dat hij haast had en dat er gevaar dreigde, zodat hij geen tijd had om uitvoerig of duidelijker te schrijven, of dit niet durfde te doen. Indien dat zo is, moeten we op onze hoede zijn.’

‘Ik wou dat we er zeker van konden zijn dat hij die tekens gemaakt heeft, wat ze ook mogen betekenen,’ zei Frodo. ‘Het zou een grote geruststelling zijn te weten dat hij op weg is, hetzij voor of achter ons.’

‘Misschien,’ zei Stapper. ‘Ik voor mij geloof dat hij hier is geweest en in gevaar verkeerde. Er zijn hier verschroeiende vlammen geweest; en ik herinner me nu het licht dat we drie avonden geleden aan de oostelijke hemel hebben gezien. Ik vermoed dat hij op deze heuveltop is aangevallen, maar met welk resultaat weet ik niet. Hij is hier niet langer en wij moeten nu op onszelf passen en zo goed en zo kwaad als het kan naar Rivendel gaan.’

‘Hoe ver is het naar Rivendel?’ vroeg Merijn, terwijl hij mistroostig rondkeek. De wereld zag er wild en wijd uit vanaf de Weertop.

‘Ik weet niet of de Weg ooit in mijlen is opgemeten na De Verlaten Herberg, een dagreis ten oosten van Breeg,’ zei Stapper. ‘Sommigen zeggen dat het zo ver is, en anderen beweren weer iets anders. Het is een vreemde Weg, en men is altijd blij als men het doel van zijn reis heeft bereikt, of het nu lang of kort heeft geduurd. Maar ik weet hoelang ik er zelf over zou doen, bij mooi weer en zonder tegenslag: twaalf dagen van hier naar de Voorde van Bruinen, waar de Weg het Luidwater kruist, dat uit Rivendel stroomt. Wij hebben een reis van minstens veertien dagen voor ons, want ik denk niet dat wij de Weg zullen kunnen nemen.’

‘Veertien dagen!’ zei Frodo. ‘In die tijd kan er een hoop gebeuren.’

‘Inderdaad,’ zei Stapper.

Ze bleven een tijdje zwijgend op de top van de heuvel staan, bij de zuidelijke rand. Op die eenzame plek besefte Frodo voor het eerst ten volle dat hij dakloos was en in gevaar. Hij wenste zeer dat het lot hem in de rustige, geliefde Gouw had gelaten. Hij keek omlaag naar de gehate Weg, die naar het westen terugliep – naar zijn huis. Plotseling was hij zich ervan bewust dat er langzaam twee zwarte stipjes over bewogen, naar het westen gaand; en toen hij weer keek zag hij dat drie andere ze in oostelijke richting tegemoet kropen. Hij slaakte een gil en pakte Stapper bij de arm.

‘Kijk,’ zei hij, omlaag wijzend.

Onmiddellijk liet Stapper zich op de grond vallen achter de ruïne van de cirkel en trok Frodo naast zich mee. Merijn wierp zich naast hem op de grond.

‘Wat is er?’ fluisterde hij.

‘Ik weet het niet, maar ik vrees het ergste,’ antwoordde Stapper.

Langzaam kropen zij weer omhoog naar de rand van de kring, en gluurden door een spleet tussen twee gekartelde stenen. Het licht was niet langer stralend, want de heldere ochtend was voorbij, en wolken die langzaam uit het oosten kwamen opzetten, waren nu voor de zon geschoven, terwijl die begon te dalen. Zij konden allen de zwarte stippen zien, maar Frodo noch Merijn kon hun gedaanten met zekerheid vaststellen. Toch was er iets dat hen zei dat daar, ver beneden, Zwarte Ruiters waren die zich op de Weg aan de voet van de heuvel verzamelden.

‘Ja,’ zei Stapper, wiens scherpere blik hem geen ogenblik deed twijfelen. ‘De Vijand is er!’

Ze kropen haastig weg en lieten zich langs de noordelijke helling van de heuvel glijden om zich bij hun metgezellen te voegen.

Sam en Peregrijn hadden niet stilgezeten. Ze hadden het kleine dichtbegroeide dal en de omliggende hellingen onderzocht. Niet ver weg hadden ze op de helling een heldere waterbron gevonden, en in de nabijheid ervan voetsporen die hoogstens een paar dagen oud waren. In het dal zelf vonden ze recente sporen van een vuur en andere tekens van een haastig kamp. Er waren enkele omgevallen rotsblokken aan de rand van het dal, vlak bij de helling. Daarachter trof Sam een kleine voorraad brandhout aan, die daar netjes lag opgestapeld.