Выбрать главу

‘Ik vraag me af of de oude Gandalf hier is geweest,’ zei hij tegen Pepijn. ‘Degene die dat spul daar heeft neergezet was van plan om terug te komen, lijkt het.’

Stapper stelde bijzonder veel belang in deze ontdekkingen. ‘Ik wou dat ik had gewacht en het terrein hier zelf had onderzocht,’ zei hij en ging haastig naar de bron om de voetsporen te onderzoeken.

‘Net wat ik vreesde,’ zei hij toen hij terugkwam. ‘Sam en Pepijn hebben de zachte grond vertreden en de sporen zijn bedorven of onduidelijk. Er zijn hier kort geleden Dolers geweest. Zij hebben het brandhout achtergelaten. Maar er zijn ook enkele versere sporen, die niet door Dolers zijn gemaakt. Minstens één paar indrukken is hoogstens een dag of twee geleden gemaakt, door zware laarzen. Minstens één paar. Ik weet het nu niet zeker, maar ik vermoed dat er vele gelaarsde voeten zijn geweest.’ Hij zweeg en bleef zorgelijk staan nadenken.

Elk van de hobbits kreeg in zijn gedachten een visioen van de bemantelde en gelaarsde Ruiters. Als de Ruiters het dal al gevonden hadden, hoe eerder Stapper hen dan ergens anders heen zou leiden, hoe beter. Sam bekeek de spelonk met grote afkeer nu hij het nieuws had gehoord dat hun vijanden op de Weg waren, slechts enkele mijlen van hen vandaan.

‘Zou het niet beter zijn om hier vlug vandaan te gaan, meneer Stapper?’ vroeg hij ongedurig. ‘Het begint laat te worden, en ik heb het niet erg op dit hol begrepen; het doet me de moed in de schoenen zinken.’

‘Ja, we moeten inderdaad onmiddellijk beslissen wat we zullen doen,’ antwoordde Stapper, terwijl hij naar de hemel keek en het weer en de tijd in aanmerking nam. ‘Weet je, Sam,’ zei hij ten slotte, ‘ik vind dit ook geen prettige plaats, maar ik weet geen betere plek die wij nog voor de nacht zouden kunnen bereiken. In ieder geval zijn we op het ogenblik onzichtbaar, en als we weggingen, zouden we veel eerder door spionnen worden opgemerkt. Het enige dat we zouden kunnen doen, is een heel grote omweg maken, terug naar het noorden aan deze kant van de heuvelrij, waar het landschap vrijwel eender is als hier. De Weg wordt bewaakt, maar we zouden hem moeten oversteken als we probeerden dekking te zoeken in het kreupelhout in het zuiden. Aan de noordzijde van de Weg, achter de heuvels, is het land mijlenver kaal en vlak.’

‘Kunnen de Ruiters zien?’ vroeg Merijn. ‘Ik bedoel dat ze gewoonlijk hun neuzen meer gebruikt schijnen te hebben dan hun ogen, ons ruikend, als ruiken het juiste woord is, althans overdag. Maar je hebt ons plat laten liggen toen je hen beneden zag; en nu zeg je dat we gezien zullen worden als we ons bewegen.’

‘Ik was te onvoorzichtig op de heuveltop,’ antwoordde Stapper. ‘Ik verlangde hevig een of ander teken van Gandalf te vinden, maar het was verkeerd dat wij alle drie naar boven zijn gegaan en daar zo lang hebben gestaan. Want de zwarte paarden kunnen zien, en de Ruiters kunnen mensen en andere schepselen als spionnen gebruiken, zoals we in Breeg hebben ondervonden. Zijzelf zien de wereld van het licht niet zoals wij, maar onze gestalten projecteren schaduwen in hun geest, die alleen de middagzon vernietigt; en in het donker nemen ze vele tekenen en vormen waar die voor ons verborgen blijven; dan zijn ze het meest te duchten. En te allen tijde ruiken zij het bloed van levende wezens, dat zij haten en waarnaar zij dorsten. Er zijn nog andere zintuigen behalve het gezicht of de reuk. Wij kunnen hun aanwezigheid voelen – daarom verontrustte het onze harten zodra wij hier kwamen, en voor wij hen zagen; zij voelen de onze nog sterker. En ook,’ voegde hij eraan toe, en hij ging fluisteren, ‘trekt de Ring hen aan.’

‘Is er dan geen ontsnapping mogelijk?’ vroeg Frodo, onrustig rondkijkend. ‘Als ik wegga, zal ik worden gezien en opgejaagd. Als ik blijf, zal ik hen aantrekken.’

Stapper legde zijn hand op Frodo’s schouder. ‘Er is nog hoop,’ zei hij. ‘Je bent niet alleen. Laten we dit hout dat voor het vuur is klaargelegd, als een teken beschouwen. Er is hier weinig beschutting of mogelijkheid tot verdediging, maar het vuur zal ons tot beide dienen. Sauron kan vuur voor kwade doeleinden aanwenden, zoals hij dat met alle dingen kan, maar deze Ruiters houden er niet van en vrezen hen die het hanteren. Vuur is onze vriend in de wildernis.’

‘Misschien,’ mompelde Sam. ‘Maar het is ook de beste manier die ik me kan indenken om te laten merken dat we er zijn, op schreeuwen na.’

In het laagst gelegen en meest beschutte plekje van de vallei ontstaken zij een vuur, en bereidden een maaltijd. De schaduwen van de avond begonnen te vallen en het werd koud. Zij merkten plotseling dat ze erge honger hadden, want ze hadden sinds het ontbijt niets gegeten, maar durfden toch niet meer dan een karig avondmaal klaar te maken. De landen die zich voor hen uitstrekten, waren verlaten, op vogels en dieren na: onvriendelijke oorden, verlaten door alle rassen op aarde. Soms trokken Dolers achter de heuvels langs, maar dat waren er maar weinig en ze bleven niet. Andere zwervers waren zeldzaam en van een boosaardige soort; soms kwamen er trollen uit de noordelijke dalen van de Nevelbergen. Alleen op de Weg trof men reizigers aan, voornamelijk dwergen, die zich op eigen houtje voortspoedden, zonder hulp en weinig spraakzaam tegenover vreemdelingen.

‘Ik zie niet in hoe we met onze proviand kunnen toekomen,’ zei Frodo. ‘Wij zijn de laatste dagen heel voorzichtig geweest en dit avondmaal is geen banket, maar we hebben meer gebruikt dan nodig is, als we nog twee weken, of meer misschien, voor ons hebben.’

‘Er is voedsel in de wildernis,’ zei Stapper, ‘bessen, wortels en kruiden en als het moet, heb ik ook enige ervaring als jager. Je hoeft niet bang te zijn dat je van de honger zult sterven voor de winter invalt. Maar het bijeengaren van eten en vangen van wild is een lang en moeilijk karwei, en wij hebben haast. Dus snoer de buikriem maar aan en denk met hoop aan de tafels van Elronds huis!’

Het werd nog kouder toen de duisternis inviel. Toen zij over de rand van de vallei keken, konden zij niets anders zien dan een grijs landschap, dat nu snel in de schaduw verdween. De hemel erboven was weer opgeklaard en begon zich langzaam met twinkelende sterren te vullen. Frodo en zijn metgezellen kropen bij elkaar rond het vuur, met alle kledingstukken en dekens die ze bezaten om zich heen gewikkeld; maar Stapper stelde zich met één mantel tevreden en zat een eindje van hen af nadenkend aan zijn pijp te trekken.

Toen de nacht viel en het licht van het vuur helder ging schijnen, begon hij hun verhalen te vertellen, opdat zij hun angst zouden vergeten. Hij kende vele geschiedenissen en legenden uit het verre verleden, van elfen en mensen en de goede en slechte daden van de Oudste Tijden. Ze vroegen zich af hoe oud hij was en waar hij al zijn kennis vandaan had.

‘Vertel ons nu van Gil-galad,’ zei Merijn plotseling toen hij aan het einde van zijn verhaal over de elfenkoninkrijken zweeg. ‘Weet je nog meer van dat oude lied waarover je sprak?’

‘Jazeker,’ antwoordde Stapper. ‘En Frodo ook, want wij zijn er nauw bij betrokken.’ Merijn en Pepijn keken Frodo, die in het vuur zat te staren, aan.

‘Ik weet alleen het weinige dat Gandalf mij heeft verteld,’ zei Frodo langzaam. ‘Gil-galad was de laatste van de grote elfenkoningen van Midden-aarde. In hun taal betekent Gil-galad Sterrenlicht. Met Elendil, de vriend der elfen, ging hij naar het land…’

‘Nee,’ zei Stapper, hem in de rede vallend. ‘Ik denk niet dat dat verhaal nu verteld moet worden met de dienaren van de Vijand zo dicht in de buurt. Als wij erin slagen het huis van Elrond te bereiken, zullen jullie het daar wel horen, en in zijn geheel.’

‘Vertel ons dan een ander verhaal uit de oude tijd,’ vroeg Sam, ‘een verhaal over de elfen vóór de tijd van het verval. Ik zou graag meer over elfen willen horen; het donker schijnt ons zo nauw in te sluiten.’