Выбрать главу

‘Ik zal je het verhaal van Tinúviel vertellen,’ zei Stapper, ‘in het kort, want het is een lang verhaal waarvan het einde niet bekend is; en er is nu niemand meer, behalve Elrond, die het zich herinnert zoals het vroeger werd verteld. Het is een mooi verhaal, hoewel het droevig is, zoals alle verhalen over Midden-aarde, maar het zal jullie misschien toch moed geven.’ Hij zweeg even en toen begon hij niet te spreken, maar zacht te zingen:

Lang was het blad en groen het mos, De kervelbloesems, groot en zwaar, En op een open plek in ’t bos Was schitterlicht van sterrenglans. Tinúviel die danste daar Op tonen van een fluit op ’t mos En sterrenlicht glansde in heur haar En ook haar kleed was lichtomkranst.
Daar Beren kwam uit bergen koud, Verloren dwalend onder ’t loof, En langs de elfen-stroom in ’t woud Liep eenzaam hij en treurende. Hij gluurde door het kervelloof En zag verwonderd bloemen goud Op hare mantel, rijke schoof; Heur haar, als koren geurende.
Verrukking! En op slag verdween Vermoeienis van ’t heuvelland; Hij repte zich gezwind erheen En greep naar zilv’ren manestralen. Door ’t dichte bos in elfenland Vluchtte zij dansend en verdween. En hij liep, steeds nog eenzaam man, Luist’rend door ’t stille bos te dwalen.
Vaak hoorde hij vluchtend voor zich uit Geluid van voeten, bladerlicht, Of uit de grond wellend gefluit In schuileplekjes bevende. Nu was het lover minder dicht En fluisterend vielen bladeren uit De beukenbomen, vederlicht, In ’t winters bosland zwevende.
Hij zocht haar immer, zwervend ver Naar waar nooit iemand was gegaan. Bij licht van maan en glans van ster In de vrieshemel, rillende. Haar mantel glansde in de maan Als op een heuvel, hoog en ver, Danste zij, zilv’ren mist lag aan Haar voeten gespreid, trillende.
Maar na de winter kwam zij weer, Haar lied wekte het prille jaar, Als leeuweriksvlucht en lenteweer En bruisend water, rusteloos. Elf-bloemen zag hij bloeien daar Waar zij ging, en genezen weer Wilde hij jubelen met haar En dansen op ’t gras, zorgeloos.
Weer vluchtte zij; hij ging haar na Tinúviel! Tinúviel! Hij riep haar bij haar elfennaam En toen bleef zij staan luisteren, Een ogenblik, zijn stem leek wel Haar te betoveren: hij trad na. Het lot doorvoer Tinúviel Die in zijn armen huiverde.
Toen keek Beren naar haar gezicht: Binnen de schaduw van heur haar, Zag hij het trillend sterrenlicht Dat daar weerspiegeld glinsterde. Tinúviel, zo schoon en klaar, Onsterflijk, sloeg om zijn gezicht De schaduw van heur zachte haar En armen, zilver glinsterend.
Lang was hun noodlotsweg en zwaar, Over rotsige bergen leidde hij, Door zalen en deuren, onderaards, Bossen van nachtscha, uitzichtloos, Toen lag de Zee tussen hen bei, Toch kwamen zij weer tot elkaar En lang geleên verdwenen zij In ’t Woud, zingende zorgeloos.

Stapper zuchtte en zweeg voor hij weer begon te spreken. ‘Dit is een lied,’ zei hij, ‘op de wijze die de elfen ann-thennath noemen, maar het is moeilijk in onze Gemeenschappelijke Taal over te brengen, en dit is er slechts een grove navolging van. Het verhaalt van de ontmoeting tussen Beren, de zoon van Barahir, en Lúthien Tinúviel. Beren was een sterfelijke man, maar Lúthien was de dochter van Thingol, een elfenkoning in Midden-aarde toen de wereld jong was, en zij was de schoonste maagd die er ooit onder alle kinderen van deze wereld heeft geleefd.

Ze was lieflijk als de sterren boven de nevels van de noordelijke landen, en haar gezicht straalde licht uit. In die tijd verbleef de Grote Vijand, van wie Sauron van Mordor slechts een dienaar was, in Angband in het noorden, en de elfen van het westen, die naar Midden-aarde terugkeerden, voerden oorlog met hem om de Silmarillen die hij had gestolen te heroveren; en de voorvaderen der mensen hielpen de elfen. Maar de Vijand zegevierde en Barahir werd gedood en Beren, die aan grote gevaren ontsnapte, trok over de Angstbergen naar het verscholen koninkrijk van Thingol in het Woud Neldoreth. Daar zag hij Lúthien op een open plek naast de betoverde rivier de Esgalduin zingen en dansen; en hij noemde haar Tinúviel, hetgeen in de taal van weleer Nachtegaal betekent. Daarna kwam er veel verdriet over hen, en zij werden lange tijd gescheiden. Tinúviel redde Beren uit de kerkers van Sauron, en samen doorstonden zij vele gevaren en stootten zelfs de Grote Vijand van zijn troon, en roofden uit zijn ijzeren kroon een van de drie Silmarillen, de schoonste van alle juwelen, als Lúthiens bruidsschat aan Thingol, haar vader. Toch werd Beren ten slotte door de wolf die van de poorten van Angband kwam, gedood en stierf in de armen van Tinúviel. Maar zij verkoos de sterfelijkheid en wilde de wereld verlaten, opdat zij hem zou kunnen volgen; en het lied wil dat zij elkaar weerzagen achter de Scheidende Zeeën, en na een korte tijd, waarin zij weer samen levend door de groene Wouden trokken, overschreden zij, lang geleden, de grenzen van deze wereld. Zo komt het dat Lúthien Tinúviel de enige van het elfenras is, die werkelijk is gestorven en de wereld verlaten heeft, en dat de elfen haar verloren van wie zij het meest hielden. Maar van haar zette de lijn van de elfenvorsten van vroeger zich in de mensen voort. Er zijn er nog in leven waarvan Lúthien de stammoeder is, en men zegt dat haar tak nooit zal uitsterven. Elrond van Rivendel is een van dat geslacht. Want uit Beren en Lúthien werd Dior, Thingols erfgenaam, geboren, en uit hem Elwing de Witte met wie Eärendil trouwde, hij die zijn schip uit de nevels van de wereld naar de zeeën van de hemel stuurde met de Silmaril op zijn voorhoofd. En van Eärendil stammen de Koningen van Númenor, ofwel Westernisse, af.’

Terwijl Stapper sprak, keken zij naar zijn vreemde vurige gezicht, dat flauw werd verlicht door de rode gloed van het houtvuur. Zijn ogen straalden en zijn stem klonk warm en diep. Boven hem welfde zich een zwarte hemel vol sterren. Plotseling verscheen een bleek licht op de kruin van de Weertop achter hem. De wassende maan rees langzaam boven de heuvel die hen overschaduwde, en de sterren boven de top vervaagden.

Het verhaal was ten einde. De hobbits bewogen zich en strekten zich uit. ‘Kijk,’ zei Merijn. ‘De maan staat al hoog aan de hemel; het moet al laat zijn.’

De anderen keken omhoog. Maar toen zagen zij op de top van de heuvel iets kleins en donkers tegen het schijnsel van de maan. Het was misschien alleen maar een grote steen of een uitstekende rotspunt die zich in het fletse licht aftekende.

Sam en Merijn stonden op en liepen weg van het vuur. Frodo en Pepijn bleven zwijgend zitten. Stapper sloeg het maanlicht op de heuvel gespannen gade. Alles scheen rustig en stil, maar Frodo voelde een ijzige beklemming over zijn hart komen nu Stapper niet langer sprak. Hij schoof dichter bij het vuur. Op hetzelfde ogenblik kwam Sam hard teruglopen van de rand van de vallei.

‘Ik weet niet wat het is,’ zei hij, ‘maar ik voelde mij plotseling bang; ik dorst voor geen geld ter wereld deze vallei te verlaten; ik voelde dat er iets tegen de helling opkroop.’

‘Heb je iets gezien?’ vroeg Frodo, terwijl hij overeind sprong.

‘Nee, meneer. Ik heb niets gezien, maar ik ben niet blijven staan om te kijken.’

‘Ik zag iets,’ zei Merijn, ‘of dat dacht ik – in het westen, waar het maanlicht op de vlakte scheen achter de schaduw van de heuveltoppen, meende ik twee of drie zwarte gestalten te zien. Zij schenen zich onze kant uit te bewegen.’