Выбрать главу

‘Blijf dicht bij het vuur, met je rug ernaartoe!’ riep Stapper. ‘Neem een paar van die lange stokken in je handen.’

Een tijdlang zaten ze daar, ademloos, zwijgend en gespannen met hun ruggen naar het houtvuur terwijl ze allen in de schaduwen keken die hen omringden. Er gebeurde niets. Er was geen geluid of beweging in de nacht. Frodo verroerde zich en had het gevoel dat hij de stilte moest verbreken: hij verlangde ernaar om hard te schreeuwen.

‘Ssst!’ fluisterde Stapper. ‘Wat is dat?’ bracht Pepijn er op hetzelfde moment hijgend uit.

Over de rand van de kleine vallei, aan de kant die van de Heuvel af was, voelden zij, nog voor zij het zagen, een schaduw oprijzen: één schaduw of meer dan één. Ze spanden hun ogen tot het uiterste in en de schaduwen schenen groter te worden. Weldra was er geen twijfel meer mogelijk: op de helling stonden drie of vier lange zwarte gestalten op hen neer te kijken. Zij waren zo zwart dat ze zwarte gaten leken in de diepe schaduw achter hen. Frodo meende een zacht gesis, als van een giftige adem, te horen, en voelde een ijzige doordringende kou. Toen kwamen de gestalten langzaam naar voren.

Pepijn en Merijn werden door angst bevangen, en ze wierpen zich plat op de grond. Sam sloop naar Frodo’s zijde. Frodo was niet minder bang dan zijn metgezellen; hij rilde alsof het bitter koud was, maar zijn angst werd opgeslokt door de plotselinge verleiding om de Ring om te doen. Het verlangen om dit te doen kreeg de overhand, en hij kon aan niets anders denken. Hij was de Grafheuvel noch de boodschap van Gandalf vergeten, maar er was iets anders dat hem scheen te dwingen om alle raadgevingen in de wind te slaan, en hij verlangde ernaar eraan toe te geven. Niet met de hoop om te ontsnappen of iets goeds of slechts te doen; hij voelde eenvoudig dat hij de Ring tevoorschijn moest halen en hem aan zijn vinger schuiven. Hij kon geen woord uitbrengen. Hij voelde dat Sam naar hem keek, alsof hij wist dat zijn meester in grote moeilijkheden verkeerde, maar hij geen beroep op hem kon doen. Hij sloot de ogen en vocht er een tijdje tegen; maar het werd onmogelijk om er weerstand aan te bieden, en ten slotte haalde hij langzaam de ketting tevoorschijn en schoof de Ring aan de wijsvinger van zijn linkerhand.

Hoewel al het andere bleef zoals het eerst was geweest, vaag en donker, werden de gestalten meteen vreselijk duidelijk. Hij was in staat onder hun zwarte omhulsels te zien. Er waren vijf grote gestalten; twee stonden op de vooruitspringende rand van de vallei en drie kwamen nader. In hun witte gezichten brandden felle genadeloze ogen; onder hun mantels droegen ze lange grijze gewaden; op hun grijze haren stonden zilveren helmen; in hun knokige handen hielden ze stalen zwaarden. Hun ogen vielen op hem en doorboorden hem terwijl zij op hem afstormden. Wanhopig trok hij zijn eigen zwaard en het scheen hem toe dat het rood schitterde alsof het een stuk brandhout was. Twee van de gestalten bleven staan. De derde was rijziger dan de anderen: zijn haar was lang en glanzend en op zijn helm stond een kroon. In de ene hand hield hij een lang zwaard, in de andere een dolk; zowel de dolk als de hand die hem vasthield straalde een bleek licht uit. Hij sprong naar voren en stortte zich op Frodo.

Op dat ogenblik wierp Frodo zich voorover ter aarde en hoorde zichzelf luid uitroepen: O Elbereth! Gilthoniel! Tegelijkertijd hieuw hij op de voeten van zijn vijand in. Een schrille kreet weerklonk in de nacht en hij voelde een pijn alsof een pijl van giftig ijs door zijn linkerschouder drong. Terwijl hij flauwviel, zag hij nog als in een rondkolkende mist een glimp van Stapper, die met een brandend stuk hout in iedere hand uit de duisternis sprong. Met een laatste inspanning van zijn krachten nam Frodo de Ring van zijn vinger en klemde hem vast in zijn rechterhand.

XII. Vlucht naar de Voorde

Toen Frodo bij kennis kwam, hield hij de Ring nog steeds wanhopig vastgeklemd. Hij lag bij het vuur, dat nu hoog was opgestapeld en fel brandde. Zijn drie metgezellen stonden over hem heen gebogen.

‘Wat is er gebeurd? Waar is de schimmige Koning?’ vroeg hij ijlend. Ze waren zo blij dat ze hem hoorden spreken dat ze een tijdje niet konden antwoorden; en ook begrepen ze zijn vraag niet. Eindelijk begreep hij van Sam dat ze niets anders hadden gezien dan de vage schimmige gedaanten die op hen af waren gekomen. Plotseling had Sam tot zijn afgrijzen ontdekt dat zijn meester was verdwenen, en op hetzelfde ogenblik was er een zwarte schaduw langs hem heen gestormd en was hij gevallen. Hij had Frodo’s stem gehoord, maar die scheen van een grote afstand te komen of van onder de aarde, vreemde woorden roepend. Ze zagen niets meer totdat ze over Frodo’s lichaam struikelden, dat op het gras lag alsof hij dood was, het gezicht naar de aarde gekeerd met zijn zwaard onder hem. Stapper had bevolen hem op te pakken en bij het vuur neer te leggen en was toen verdwenen. Dat was nu al geruime tijd geleden.

Het was duidelijk dat Sam weer aan Stapper begon te twijfelen, maar terwijl ze zaten te praten kwam hij terug, plotseling uit de schaduwen naar voren tredend. Ze schrokken en Sam trok zijn zwaard en beschermde Frodo, maar Stapper knielde vlug naast hem neer.

‘Ik ben geen Zwarte Ruiter, Sam,’ zei hij vriendelijk, ‘en ik speel ook niet onder een hoedje met ze. Ik heb geprobeerd iets omtrent hun bewegingen te weten te komen, maar heb niets kunnen ontdekken. Ik kan me niet indenken waarom ze zijn weggegaan en niet opnieuw aanvallen. Maar hun aanwezigheid is nergens voelbaar.’

Toen hij hoorde wat Frodo te vertellen had, werd hij zeer bezorgd en schudde het hoofd en zuchtte. Toen gelastte hij Pepijn en Merijn zoveel mogelijk water in hun kleine ketels te verhitten en de wond ermee te betten. ‘Laat het vuur goed branden en houd Frodo warm,’ zei hij. Toen stond hij op, liep weg en riep Sam bij zich. ‘Ik geloof dat ik de zaak nu beter begrijp,’ zei hij zacht. ‘Het schijnt dat er slechts vijf van de Vijand waren. Waarom ze er niet allemaal waren, weet ik niet, maar ik vermoed dat ze niet op tegenstand hadden gerekend. Ze zijn voorlopig weggegaan, maar niet ver, vrees ik. Ze zullen een andere nacht opnieuw komen als we niet kunnen ontsnappen. Ze wachten, denk ik, alleen maar omdat ze denken dat hun taak bijna is volbracht en dat de Ring niet veel verder kan vluchten. Ik vrees, Sam, dat zij denken dat je meester een dodelijke wond heeft opgelopen, die hem aan hun wil zal onderwerpen. We zullen zien!’

Sam barstte bijna in snikken uit. ‘Wanhoop niet,’ zei Stapper. ‘Je moet me nu vertrouwen. Jouw Frodo is taaier dan ik had gedacht, hoewel Gandalf erop heeft gezinspeeld dat dat wel eens zo zou kunnen zijn. Hij is niet gedood en ik denk dat hij de kwade macht van de wond langer zal weerstaan dan zijn vijanden verwachten. Ik zal alles doen wat ik kan om hem te helpen en te genezen. Bewaak hem goed terwijl ik weg ben!’ Hij ging haastig weg en verdween weer in de duisternis.

Frodo dommelde in, hoewel de pijn van de wond langzaam verergerde, en een dodelijke koude zich van zijn schouder naar zijn arm en zijn zijde verspreidde. Zijn vrienden waakten over hem: ze hielden hem warm en wasten zijn wond uit. De nacht ging langzaam en moeizaam voorbij. Aan de hemel begon het te dagen en een grijs licht vervulde het dal toen Stapper eindelijk terugkwam.

‘Kijk!’ riep hij, en terwijl hij zich vooroverboog, pakte hij een zwarte mantel van de grond op die daar door de duisternis verborgen had gelegen. Ongeveer dertig centimeter boven de onderste zoom zat een snee. ‘Dit was de slag van Frodo’s zwaard,’ zei hij. ‘Het enige letsel dat het zijn vijand toebracht, vrees ik; want het is onbeschadigd, maar alle zwaarden die de verschrikkelijke Koning doorboren, vergaan. De naam van Elbereth was dodelijker voor hem.’

‘En dit was dodelijker voor Frodo!’ Hij bukte zich opnieuw en raapte een lange dunne dolk op. Het staal had een koude glans. Toen Stapper hem omhooghield, zagen ze dat de scherpe rand ervan aan het einde gekarteld was en dat de punt was afgebroken. Maar terwijl hij hem in het helder wordende licht omhoog hield, zagen zij tot hun verbazing dat het staal scheen te smelten en als rook in de lucht verdween, alleen het gevest in Stappers hand overlatend. ‘Helaas,’ riep hij. ‘Het was dit vervloekte mes waarmee de wond werd toegebracht. Weinigen bezitten nu nog de geneeskunst die tegen dergelijke wapens is opgewassen. Maar ik zal doen wat ik kan.’