Hij ging op de grond zitten, legde het gevest van de dolk op zijn knieën en zong zacht een lied in een vreemde taal. Toen legde hij het opzij en, zich tot Frodo wendend, sprak hij met zachte stem woorden die de anderen niet konden verstaan. Uit de zak aan zijn riem haalde hij de langwerpige bladeren van een plant tevoorschijn. ‘Ik heb ver moeten lopen om deze bladeren te vinden,’ zei hij, ‘want deze plant groeit niet op de kale heuvels, maar in het struikgewas ten zuiden van de Weg; ik heb haar in het donker gevonden, dankzij de geur van de bladeren.’ Hij kneep een blad fijn tussen zijn vingers en het scheidde een zoete en doordringende geur af. ‘Het is een geluk dat ik haar kon vinden, want het is een geneeskrachtige plant, die de mensen uit het Westen naar Midden-aarde hebben meegebracht. Athelas hebben zij haar genoemd, maar ze groeit nu spaarzaam en uitsluitend in de buurt van plaatsen waar ze vroeger woonden of hun kamp opsloegen; en ze is in het noorden niet bekend, behalve aan enkelen van hen die in de Wildernis zwerven. Zij bezit een grote heilzame werking, maar de geneeskracht bij een wond als deze is wellicht klein.’
Hij wierp de bladeren in kokend water en waste Frodo’s schouder. De geur van de stoom was verkwikkend en zij die niet gewond waren, voelden hun geest tot rust komen en helder worden. Het kruid had ook enige macht over de wond, want Frodo voelde de pijn en ook de ijzige koude in zijn zijde verminderen, maar het leven keerde niet in zijn arm terug, en hij kon zijn hand niet opheffen of gebruiken. Hij betreurde zijn dwaasheid bitter en verweet zich de zwakheid van zijn wil, want hij besefte nu dat hij door de Ring aan te doen niet aan zijn eigen wil, maar aan de gebiedende wens van zijn vijanden had gehoorzaamd. Hij vroeg zich af of hij voor zijn gehele leven verminkt zou blijven en hoe ze hun reis zouden kunnen vervolgen. Hij voelde zich te zwak om op zijn benen te staan.
De anderen beraadden zich ook over die vraag. Ze besloten de Weertop zo snel mogelijk te verlaten. ‘Ik denk nu,’ zei Stapper, ‘dat de Vijand deze plek al enkele dagen in het oog heeft gehouden. Indien Gandalf hier geweest is, werd hij vast gedwongen om weg te rijden, en hij zal wel niet terugkeren. In ieder geval zijn wij hier na het donker in groot gevaar, sinds de aanval van gisteravond en we kunnen ons nauwelijks aan een groter gevaar blootstellen, waar we ook gaan.’
Zodra het helemaal licht was geworden, aten ze haastig iets en pakten hun spullen in. Frodo kon onmogelijk lopen; daarom verdeelden zij het grootste deel van zijn bagage onder hun vieren, en zetten Frodo op de pony. In de laatste paar dagen was het arme dier enorm vooruitgegaan: het scheen al dikker en sterker en was een grote genegenheid voor zijn nieuwe meesters gaan tonen, vooral voor Sam. Willem Varentjes behandeling moest wel bijzonder hardvochtig zijn geweest, dat de reis door de wildernis zoveel beter scheen dan zijn vroegere leven.
Zij gingen op weg in zuidelijke richting. Dit zou betekenen dat ze de Weg moesten oversteken, maar het was de kortste weg naar meer bebost terrein. En ze hadden brandhout nodig, want Stapper zei dat Frodo warm moest worden gehouden, vooral ’s nachts, en bovendien zou het vuur hun allen bescherming geven. Het was ook zijn plan hun reis te verkorten door nog een grote lus in de Weg af te snijden; ten oosten achter de Weertop veranderde hij zijn loop en beschreef een grote bocht naar het noorden.
Zij gingen heel langzaam en voorzichtig om de zuidwestelijke hellingen van de heuvels heen, en kwamen na een tijdje aan de rand van de Weg. Er was geen spoor van de Ruiters te bekennen. Maar terwijl ze hem snel overstaken, hoorden ze in de verte twee kreten: een koude stem die riep en een koude stem die antwoordde. Bevend sprongen ze naar voren, en snelden naar de bosjes die voor hen lagen. Het land vóór hen helde naar het zuiden af, maar het was wild en ongebaand: bosjes en knoestige bomen groeiden in dichte groepen, met grote woeste plekken ertussenin. Het gras was spaarzaam, grof en grijs, en de bladeren in de bosjes waren vaal en vielen af. Het was een troosteloos landschap, en hun reis verliep traag en somber. Ze spraken weinig terwijl ze voortsjokten. Frodo’s hart deed pijn toen hij hen met gebogen hoofden naast zich zag sjouwen, hun ruggen gekromd onder hun last. Zelfs Stapper scheen moe en neerslachtig.
Voor de eerste dagmars voorbij was, begon Frodo’s pijn weer erger te worden, maar lange tijd repte hij er met geen woord over. Vier dagen gingen voorbij zonder dat het terrein of landschap veel veranderde, behalve dat de Weertop achter hen langzaam lager werd, en de verre bergen voor hen wat dichterbij opdoemden. Toch hadden zij sinds die verre schreeuw geen enkel teken gehoord of gezien dat de Vijand hun vlucht had opgemerkt of hen was gevolgd. Ze vreesden de donkere uren en waakten iedere nacht met z’n tweeën, in de verwachting elk ogenblik de zwarte gestalten in de grijze nacht, flauw verlicht door de achter de wolken schijnende maan, naderbij te zien sluipen; maar ze zagen niets en hoorden geen ander geluid dan het zuchten van verdorde bladeren en gras. Niet één keer kregen zij het gevoel van de aanwezigheid van kwaad, zoals ze dat hadden gehad voor de overval in de vallei. Het scheen te veel om te hopen dat de Ruiters hun spoor alweer bijster waren. Misschien wachtten zij erop om hen ergens op een nauwe plaats in een hinderlaag te lokken?
Aan het einde van de vijfde dag begon het terrein weer langzaam omhoog te lopen uit de brede ondiepe vallei waarin ze waren afgedaald. Stapper ging nu in een meer noordoostelijke richting, en op de zesde dag bereikten ze de top van een lange, traag glooiende helling, en zagen ver voor zich uit een groep beboste heuvels. In de verte onder hen konden ze de Weg weer zien liggen, die zich om de voet van de heuvels slingerde, en rechts van hen glinsterde flets een grijze rivier in het ijle zonlicht. In de verte zagen zij nog een rivier in een rotsachtig dal, half in mist gehuld.
‘Ik vrees dat we hier weer een eind naar de Weg terug moeten gaan,’ zei Stapper. ‘Wij zijn nu bij de rivier de Grauwel gekomen, die de elfen Mitheithel noemen. Zij stroomt uit de Reuzenheide, de Trollenbergen ten noorden van Rivendel, en komt uit in het zuiden in het Luidwater. Vandaar wordt ze ook wel de Grijsvloed genoemd. Het is een brede stroom voordat zij de zee bereikt. Geen weg overspant haar beneden haar bronnen in de Reuzenheide, behalve de Laatste Brug waar de Weg over loopt.’
‘Wat is die andere rivier, die we daar in de verte kunnen zien?’ vroeg Merijn.
‘Dat is het Luidwater, de Bruinen van Rivendel,’ antwoordde Stapper. ‘De Weg loopt vele mijlen langs de rand van de heuvels van de Brug naar de Voorde van Bruinen. Maar ik heb er nog niet over nagedacht hoe we dat water zullen oversteken. Eén rivier tegelijk! Wij mogen ons trouwens gelukkig prijzen als we de Laatste Brug niet versperd vinden.’
De volgende dag, ’s ochtends vroeg, daalden ze weer af naar de bermen van de Weg. Sam en Stapper gingen voorop, maar zagen geen enkel spoor van reizigers of ruiters. Hier, in de schaduw van de heuvels, had het geregend. Stapper vermoedde dat de regen twee dagen geleden was gevallen en alle voetafdrukken had weggespoeld. Sindsdien was er, voorzover hij kon zien, geen ruiter voorbijgekomen.
Ze haastten zich zo vlug zij konden, en na een paar mijl zagen zij de Laatste Brug voor zich, onder aan een korte steile helling. Ze vreesden daar door zwarte gestalten te worden opgewacht, maar zagen niets. Stapper liet hen dekking zoeken in een bosje aan de kant van de Weg, terwijl hij vooruitging om de toestand te verkennen.
Weldra kwam hij hard teruglopen. ‘Er is geen teken van de vijand te bekennen,’ zei hij, ‘en ik vraag me af wat dat betekent. Maar ik heb iets heel vreemds gevonden.’
Hij stak zijn hand uit en liet een lichtgroen juweel zien. ‘Dit heb ik in de modder midden op de Brug gevonden,’ zei hij. ‘Het is een beril, een elfensteen. Of hij daar met opzet is neergelegd of per ongeluk is gevallen, weet ik niet, maar ik vind het hoopvol. Ik zal het als een aanwijzing beschouwen dat wij de Brug kunnen oversteken, maar aan de overkant durf ik niet zonder een duidelijker teken op de Weg te blijven.’