Zij vervolgden onmiddellijk hun weg. Zij staken de Brug veilig over en hoorden geen ander geluid dan dat van het water, dat om de drie grote bogen kolkte. Een mijl verder kwamen ze bij een smal ravijn, dat naar het noorden door het steile terrein links van de Weg liep. Hier verliet Stapper de Weg en weldra waren zij verloren in een somber landschap van donkere bomen dat zich om de voet van de naargeestige heuvels slingerde.
De hobbits waren blij de vreugdeloze landen en de gevaarlijke Weg achter zich te laten; maar dit nieuwe land scheen dreigend en onvriendelijk. Toen ze verdergingen, werden de heuvels rondom hen steeds hoger. Hier en daar zagen ze op hoogten en ruggen oude stenen muren en de bouwvallen van torens: ze zagen er onheilspellend uit. Frodo, die niet liep, had tijd om voor zich uit te kijken en na te denken. Hij herinnerde zich Bilbo’s verslag van zijn reis en de dreigende torens op de heuvels ten noorden van de Weg, in het land bij het Trollenbos, waar hem zijn eerste gevaarlijke avontuur was overkomen. Frodo vermoedde dat zij nu in dezelfde streek waren, en vroeg zich af of ze misschien langs die plek zouden komen.
‘Wie woont er in dit land?’ vroeg hij. ‘En wie heeft die torens gebouwd? Is dit trollenland?’
‘Nee,’ zei Stapper. ‘Trollen bouwen niet. Er woont niemand in dit land. Eens hebben hier mensen gewoond, eeuwen geleden, maar die zijn er nu niet meer. Zij werden een boosaardig volk, zoals de legenden verhalen, want zij vielen onder de schaduw van Angmar. Maar ze werden allen uitgeroeid in de oorlog die een einde aan het Noordelijke Koninkrijk maakte. Maar dat is nu zo lang geleden, dat de heuvels hen vergeten zijn, hoewel er nog altijd een schaduw over het land ligt.’
‘Waar heb je dan die verhalen vandaan, als het land helemaal verlaten en vergeten is?’ vroeg Peregrijn. ‘De vogels en andere dieren vertellen dat soort verhalen toch niet?’
‘De erfgenamen van Elendil vergeten niet alle dingen uit het verleden,’ zei Stapper, ‘en in Rivendel herinnert men zich nog veel meer zaken dan ik kan vertellen.’
‘Ben je vaak in Rivendel geweest?’ vroeg Frodo.
‘Jazeker,’ zei Stapper. ‘Ik heb daar eens gewoond, en ik keer er nog terug wanneer ik de kans krijg. Daar gaat mijn hart naar uit, maar het is niet mijn bestemming om rustig te zitten, zelfs niet in het mooie huis van Elrond.’
De heuvels begonnen hen nu in te sluiten. De Weg achter hen liep verder naar de rivier de Bruinen, maar beide waren nu aan het oog onttrokken. De reizigers kwamen in een lange vallei: nauw, diep uitgesneden, donker en stil. Bomen met oude, grillige wortels hingen over steile rotswanden en stonden dicht daarachter tegen stijgende hellingen met pijnbomen.
De hobbits werden erg moe. Ze vorderden langzaam, want ze moesten een weg door een ongebaand terrein zien te vinden, gehinderd door omgevallen bomen en neergestorte rotsblokken. Zolang zij konden, vermeden zij te klimmen, met het oog op Frodo, en ook omdat het moeilijk was om naar boven een uitweg uit de nauwe dalen te vinden. Ze waren twee dagen in dit land geweest toen het begon te regenen. De wind begon hard uit het westen te waaien en het water van de verre zeeën over de donkere toppen van de heuvels uit te storten als een fijne, alles doordringende regen. Tegen het vallen van de avond waren ze allemaal doorweekt en hun kamp was troosteloos, want ze konden geen vuur aan de praat krijgen. De volgende dagen rezen de heuvels nog hoger en steiler voor hen op, en ze waren gedwongen om in noordelijke richting van hun koers af te wijken. Stapper scheen zich ongerust te maken; zij waren nu bijna tien dagen reizen van de Weertop verwijderd en hun voorraad proviand begon te slinken. En het bleef maar regenen.
Die nacht kampeerden zij op een stenen richel met daarachter een rotsmuur waarin een ondiepe grot was, een soort holte in de rotswand. Frodo was rusteloos. De koude en de natheid hadden zijn wond pijnlijker gemaakt dan ooit, en de pijn en het dodelijk koude gevoel maakten het slapen onmogelijk. Hij lag te woelen en te draaien en angstig naar de geheimzinnige nachtelijke geluiden te luisteren: wind in rotsspleten, droppelend water, gekraak, het plotselinge geratel van een losgeraakte vallende steen. Hij voelde dat zwarte gestalten op hem afkwamen om hem te verstikken; maar wanneer hij overeind ging zitten, zag hij niets anders dan de rug van Stapper, die ineengedoken aan zijn pijp zat te trekken en de wacht hield. Hij ging weer liggen en kreeg een onrustige droom, waarin hij op het gras in zijn tuin in de Gouw liep, maar het scheen vaag en ver, minder helder dan de grote zwarte schaduwen die over de heg stonden te kijken.
Toen hij de volgende morgen wakker werd, zag hij dat de regen was opgehouden. De wolken waren nog dik, maar zij begonnen te breken en ertussenin verschenen lichte strepen blauw. De wind was weer aan het draaien. Zij gingen niet vroeg op pad. Onmiddellijk na hun koude troosteloze ontbijt trok Stapper er alleen op uit, nadat hij de anderen had gezegd onder de beschutting van de overstekende rand te blijven totdat hij terugkwam. Hij zou, als hij kon, naar boven klimmen om het terrein op te nemen.
Toen hij terugkwam, was hij niet erg bemoedigend. ‘We zijn te ver naar het noorden gegaan,’ zei hij, ‘en we moeten een manier vinden om weer naar het zuiden te gaan. Als we zo verder trekken, zullen we in de Reuzendalen komen, ver ten noorden van Rivendel. Dat is trollenland waar ik niet goed thuis ben. Misschien zouden we er een weg doorheen kunnen vinden en Rivendel vanuit het noorden bereiken; maar het zou te veel tijd kosten, want ik ken de weg niet, en ons voedsel zou niet toereikend zijn. Daarom moeten we op de een of andere manier de Voorde van Bruinen zien te vinden.’
De rest van de dag klauterden ze over rotsachtige grond. Ze vonden een doorgang tussen twee heuvels die hen naar een dal leidde dat zuidoostelijk liep, de richting die zij uit wilden gaan, maar tegen het einde van de dag merkten ze dat hun weg weer werd versperd door een hoge landrug; de donkere rand die zich tegen de hemel aftekende, was gekarteld als de tanden van een stompe zaag. Zij konden kiezen tussen teruggaan of eroverheen klimmen.
Ze besloten de klim te ondernemen, maar dit bleek bijzonder moeilijk. Het duurde niet lang of Frodo moest van zijn pony afstijgen en te voet verder sjokken. Maar niettemin wanhoopten ze er vaak aan of ze de pony ertegenop konden krijgen of zelf een pad konden vinden, bepakt en bezakt als ze waren. Het licht was bijna verdwenen, en ze waren allemaal uitgeput toen ze de top ten slotte bereikten. Ze waren op een smalle pas tussen twee hogere punten geklommen, en een klein eind voor hen uit liep het terrein weer steil naar beneden. Frodo wierp zich op de grond en bleef huiverend liggen. Zijn linkerarm was levenloos en zijn schouder en zijde voelden aan alsof er ijzige klauwen op lagen. De bomen en rotsen om hem heen schenen schimmig en vaag.
‘We kunnen niet verdergaan,’ zei Merijn tegen Stapper. ‘Ik vrees dat dit te veel is geweest voor Frodo. Ik maak me heel erg ongerust over hem. Wat moeten we doen? Denk je dat men hem in Rivendel zal kunnen genezen, als we daar ooit aankomen?’
‘We zullen zien,’ antwoordde Stapper. ‘Ik kan verder niets doen in de wildernis, en het is voornamelijk vanwege zijn wond dat ik graag voort wil maken. Maar ik ben het met je eens dat we vanavond niet meer verder kunnen.’
‘Wat is er aan de hand met mijn meester?’ vroeg Sam met zachte stem, terwijl hij smekend naar Stapper opkeek. ‘Zijn wond was klein en is al geheeld. Er is niets anders te zien dan een koud wit litteken op zijn schouder.’
‘Frodo is getroffen door de wapens van de Vijand,’ zei Stapper, ‘en er is een of ander vergif of kwaad aan het werk dat ik niet kan verdrijven. Maar geef de hoop niet op, Sam!’