Выбрать главу

De nacht was koud op de hoge heuvelrug. Ze ontstaken een klein vuur onder de knoestige wortels van een oude pijnboom die over een ondiepe groeve hingen; ze zag eruit alsof er eens stenen uit waren gehaald. Ze zaten ineengedoken bij elkaar. De wind woei kil door de pas en ze hoorden de boomkruinen beneden zich kreunen en steunen. Frodo droomde half en verbeeldde zich dat eindeloze donkere vleugels boven hem voorbijsnelden, en dat op die vleugels achtervolgers zaten die hem in alle spleten van de heuvels zochten.

De ochtend brak helder en mooi aan; de lucht was zuiver, en het licht was bleek en klaar in een door de regen schoongewassen hemel. Hun harten waren vol nieuwe moed, maar ze verlangden naar de zon om hun koude stijve ledematen te verwarmen. Zodra het licht was, nam Stapper Merijn met zich mee en ging het land verkennen vanaf de hoogte ten oosten van de pas. De zon was opgegaan en scheen vrolijk toen hij met opbeurender nieuws terugkwam. Ze gingen nu min of meer in de goede richting. Als ze verdergingen, langs de andere helling van de rug naar omlaag, zouden ze de Bergen links van zich hebben. Iets verder voor zich uit had Stapper weer een spoor van het Luidwater gezien, en hij wist dat de Weg naar de Voorde, hoewel aan het oog onttrokken, niet ver van de Rivier was en aan hun kant lag.

‘We moeten weer op de Weg aan,’ zei hij. ‘Er is geen hoop op dat we een pad door deze heuvels zullen vinden. Welke de gevaren ook mogen zijn, de Weg is onze enige route naar de Voorde.’

Zodra ze gegeten hadden, gingen ze weer op pad. Ze klommen langzaam langs de zuidelijke helling van de heuvelrug naar omlaag, maar het ging veel gemakkelijker dan ze hadden verwacht, want de helling was minder steil aan deze kant, en het duurde niet lang of Frodo kon weer rijden. Willem Varentjes arme oude pony vertoonde een onverwacht talent voor het vinden van een pad, om zijn ruiter zoveel mogelijk schokken te besparen. Het gezelschap vatte weer moed. Zelfs Frodo voelde zich beter in het ochtendlicht, maar af en toe scheen een mist zijn gezicht te doen vervagen, en streek hij met de hand over zijn ogen.

Pepijn was de anderen een eindje vooruit. Plotseling draaide hij zich om en riep hun toe: ‘Er is hier een pad!’

Toen ze hem inhaalden, zagen ze dat hij zich niet had vergist: er was duidelijk het begin van een pad dat met vele kronkelingen uit de bossen beneden kwam en over de heuveltop daarachter verdween. Op sommige plaatsen was het onduidelijk en begroeid of geblokkeerd door omgevallen stenen en bomen, maar eens moest er druk gebruik van gemaakt zijn. Het was een pad dat door sterke armen en zware voeten was gemaakt. Hier en daar waren oude bomen omgehakt of geknakt, en grote rotsblokken gekloofd of opzij gesleept om ruim baan te maken.

Ze volgden het pad een eind, want het bood vrijwel de gemakkelijkste weg naar beneden, maar ze liepen heel voorzichtig, en hun ongerustheid nam toe toen ze in de donkere bossen kwamen, en het pad onduidelijker en breder werd. Plotseling, toen het uit de gordel van dennenbomen kwam, liep het steil een helling af en beschreef een scherpe bocht naar links om de hoek van een rotsachtige helling van de heuvel. Toen ze bij de hoek kwamen, keken zij eromheen en zagen dat het pad verder liep over een vlakke strook onder de wand van een lage rots met overhangende bomen. In de rotsachtige muur hing een deur half open aan een grote scharnier.

Voor de deur bleven ze allen staan. Erachter was een grot of rotskamer, maar in de duisternis daarbinnen viel niets te zien. Stapper, Sam en Merijn slaagden er met inspanning van al hun krachten in de deur een eindje verder open te krijgen, en toen gingen Stapper en Merijn naar binnen. Ze gingen niet ver, want op de grond lagen vele oude beenderen, en verder was er bij de ingang niets te zien, behalve een paar grote lege kannen en gebroken potten.

‘Als dit geen trollenhol is weet ik het niet!’ zei Pepijn. ‘Kom eruit, jullie tweeën, en laten we weggaan. Nu weten we wie het pad heeft gebaand – en het is het beste om het maar zo vlug mogelijk te verlaten.’

‘Ik denk niet dat dat nodig is,’ zei Stapper toen hij eruit kwam. ‘Het is ongetwijfeld een trollenhol, maar het schijnt sinds lang verlaten. Ik denk niet dat we bang hoeven te zijn. Maar laat ons voorzichtig omlaag gaan, dan zullen we het zien.’

Van de deur liep het pad verder, en nadat het weer een bocht naar rechts had beschreven over het vlakke terrein, dook het langs een dichtbeboste helling naar omlaag. Pepijn, die Stapper niet wilde laten zien dat hij toch bang was, ging nog steeds met Merijn voorop. Daarachter kwamen Sam en Stapper, een aan elke kant van Frodo’s pony, want het pad was nu zo breed, dat er vier of vijf hobbits naast elkaar op konden lopen. Maar ze waren niet ver gegaan of Pepijn kwam teruggerend, gevolgd door Merijn. Ze zagen er beiden doodsbang uit.

‘Er zijn hier trollen,’ hijgde Pepijn. ‘Ginds op een open plek in het bos niet ver hierbeneden. We zagen ze tussen de boomstammen door. Ze zijn heel groot!’

‘We zullen ze eens gaan bekijken,’ zei Stapper, terwijl hij een stok opraapte. Frodo zei niets, maar Sam keek angstig.

De zon stond nu hoog aan de hemel en scheen door de halfkale takken van de bomen en toverde heldere lichtvlekken op de open plek. Aan de rand ervan bleven ze plotseling staan en gluurden tussen de boomstammen door, terwijl ze de adem inhielden. Daar stonden de trollen: drie enorme trollen. De ene bukte zich terwijl de andere twee naar hem stonden te kijken.

Stapper liep onbevreesd naar voren. ‘Sta op, ouwe steen!’ zei hij en sloeg zijn stok in tweeën op de voorovergebogen trol. Er gebeurde niets. De hobbits slaakten een zucht van verbazing en zelfs Frodo moest lachen. ‘Nu,’ zei hij. ‘We zijn onze familiegeschiedenis vergeten. Het kan bijna niet anders of dit is het drietal dat Gandalf aantrof toen ze aan het ruziën waren over de juiste manier om dertien dwergen en één hobbit te roosteren.’

‘Ik had er geen idee van dat wij in de buurt van die plek waren,’ zei Pepijn. Hij kende het verhaal goed. Bilbo en Frodo hadden het vaak verteld, maar eigenlijk had hij het altijd maar half geloofd. Ook nu bekeek hij de stenen trollen achterdochtig en vroeg zich af of ze niet plotseling door tovenarij weer tot leven konden worden gewekt.

‘Je vergeet niet alleen je familiegeschiedenis, maar alles wat je ooit van trollen af hebt geweten,’ zei Stapper. ‘Het is klaarlichte dag, met een heldere zon, en toch proberen jullie me angst aan te jagen met een verhaal over levende trollen die ons op deze open plek staan op te wachten. In ieder geval had je kunnen opmerken dat een ervan een oud vogelnestje achter zijn oor heeft. Dat zou een bijzonder ongewone versiering zijn voor een levende trol.’

Ze barstten allen in lachen uit. Frodo voelde zich opgewekter: de herinnering aan Bilbo’s eerste geslaagde avontuur was bemoedigend. De zon was ook warm en verkwikkend en de mist voor zijn ogen scheen een beetje op te trekken. Ze bleven daar een tijd rusten op de open plek en nuttigden hun middagmaal in de schaduw van de grote benen van de trollen.

‘Wil iemand niet iets voor ons zingen terwijl de zon nog hoog aan de hemel staat?’ vroeg Merijn toen hij klaar was. ‘We hebben in geen dagen een verhaal of lied gehoord.’

‘Niet sinds de Weertop,’ zei Frodo. De anderen keken hem aan. ‘Maak je geen zorgen om mij!’ voegde hij eraan toe. ‘Ik voel me een stuk beter, maar ik denk niet dat ik zou kunnen zingen. Misschien kan Sam iets uit zijn geheugen opdiepen.’

‘Vooruit, Sam,’ zei Merijn. ‘Er zit meer in jouw hoofd gestouwd dan je ons wilt doen geloven.’

‘Dat weet ik nog zonet niet,’ zei Sam. ‘Maar wat zouden jullie hiervan zeggen? Het is niet wat ik echte poëzie noem, als u me vat; alleen maar een beetje onzin. Maar die oude beelden brachten het in mijn herinnering terug.’

Rechtopstaand, met zijn handen achter zijn rug, als een schooljongen, begon hij een oud lied te zingen:

Trol zat alleen op z’n kruk van steen En knauwde en knaagde op een mager oud been; En al menig jaar zat te knagen hij daar Want aan vlees was moeilijk te komen. Dromen! Genomen! In een heuvelgrot woonde hij alleen En aan vlees was moeilijk te komen.