Het lot had mij aangewezen om de Weg te nemen, en ik kwam aan de Brug van de Mitheithel en liet daar een teken achter, bijna zeven dagen geleden. Drie van Saurons dienaren waren op de Brug, maar zij trokken zich terug en ik achtervolgde hen in westelijke richting. Ik heb ook twee anderen ontmoet, maar die gingen zuidwaarts. Sindsdien heb ik uw spoor gezocht. Twee dagen geleden vond ik het en volgde het over de Brug; en vandaag ontdekte ik waar u weer uit de heuvels afdaalde. Maar kom! Er is geen tijd voor verder nieuws. Nu u hier bent, moeten wij de gevaren van de Weg riskeren en gaan. Vijf zitten er achter ons aan, en wanneer ze uw spoor op de Weg vinden, zullen ze als de wind achter ons aan rijden. En zij zijn niet de enigen. Waar de andere Vier zich bevinden, weet ik niet. Ik vrees dat wij wel eens zouden kunnen ontdekken dat de Weg door de Voorde reeds is afgesneden.’
Terwijl Glorfindel dit zei, werd de duisternis nog dieper. Frodo voelde een grote vermoeidheid over zich komen. Sinds de zon was gaan dalen, was de mist voor zijn ogen donkerder geworden, en hij voelde dat er een schaduw kwam tussen hem en de gezichten van zijn vrienden. Nu kreeg hij weer een aanval van pijn, en hij voelde zich koud. Hij wankelde en greep Sams arm.
‘Mijn meester is ziek en gewond,’ zei Sam boos. ‘Hij kan onmogelijk verder rijden na het vallen van de duisternis. Hij heeft rust nodig.’
Glorfindel pakte Frodo toen hij op de grond zakte, en nadat hij hem voorzichtig in zijn armen had genomen, keek hij ernstig bezorgd naar zijn gezicht.
Stapper vertelde in het kort van de aanval op hun kamp bij de Weertop en van het dodelijke mes. Hij haalde het gevest tevoorschijn dat hij had bewaard en gaf het aan de elf. Glorfindel huiverde toen hij het aannam, maar keek er aandachtig naar. ‘Er staan boze dingen op dit gevest geschreven,’ zei hij, ‘hoewel jouw ogen ze misschien niet kunnen zien. Bewaar het, Aragorn, tot we het huis van Elrond bereiken! Maar wees voorzichtig en kom er zo min mogelijk aan! Helaas ben ik niet kundig genoeg om de wonden van dit wapen te genezen. Ik zal doen wat ik kan – maar nog dringender moet ik je nu vragen om zonder rust verder te gaan.’
Hij onderzocht de wond op Frodo’s schouder met zijn vingers en zijn gezicht werd ernstiger, alsof hij verontrust was door wat hij had ontdekt. Maar Frodo voelde de koude in zijn zijde en arm minder worden; een warme gloed kroop van zijn schouder naar zijn hand en de pijn werd draaglijker. De avondschemer rondom hem scheen lichter te worden, alsof er een wolk was weggetrokken. Hij zag de gezichten van zijn vrienden weer duidelijker en kreeg weer wat nieuwe hoop en kracht.
‘U zult mijn paard berijden,’ zei Glorfindel. ‘Ik zal de stijgbeugels inkorten tot de rand van het zadel, en u moet u zo stevig mogelijk vastklemmen. Maar u hoeft niet bang te zijn: mijn paard werpt geen enkele berijder af die ik hem gelast te dragen. Zijn gang is licht en gelijkmatig; en als het gevaar te dichtbij komt, zal hij u meevoeren met een snelheid die zelfs de zwarte hengsten van de Vijand niet kunnen evenaren.’
‘Nee, dat zal hij niet,’ zei Frodo. ‘Ik zal hem niet berijden als ik naar Rivendel word gevoerd of ergens anders heen, terwijl mijn vrienden in gevaar achterblijven.’
Glorfindel glimlachte. ‘Ik betwijfel ten zeerste,’ zei hij, ‘of uw vrienden in gevaar zouden verkeren als u niet bij hen was! De achtervolgers zouden achter u aan gaan en ons met rust laten, denk ik. U bent het, Frodo, en datgene waarvan u de drager zijt, die ons allen in gevaar brengt.’
Hierop had Frodo geen antwoord, en hij liet zich ertoe overhalen Glorfindels witte paard te bestijgen. De pony kreeg het grootste deel van de last van de anderen te dragen, zodat ze nu gemakkelijker vooruit konden komen. Een tijdlang schoten ze behoorlijk op, maar het viel de hobbits niet mee om de vlugge onvermoeibare voeten van de elf bij te houden. Hij ging hun voor, de gapende duisternis in, al verder onder de dichtbewolkte nacht. Er waren geen sterren en geen maan. Pas toen de ochtend grijs aanbrak, stond hij hun toe halt te houden. Pepijn, Merijn en Sam waren tegen die tijd bijna in slaap gevallen op hun strompelende benen; en te oordelen naar zijn afhangende schouders scheen zelfs Stapper moe te zijn. Frodo zat in een duistere droom op zijn paard.
Ze lieten zich in de heide vallen, enkele meters van de kant van de weg en vielen ogenblikkelijk in slaap. Ze schenen hun ogen nauwelijks te hebben gesloten toen Glorfindel, die zelf de wacht had gehouden terwijl zij sliepen, hen weer wekte. De zon stond nu al hoog aan de hemel, en de wolken en nevels van de nacht waren verdwenen.
‘Drink dit!’ zei Glorfindel, en gaf ieder een beetje vloeistof uit zijn met zilver beslagen leren kruik te drinken. Het was helder als bronwater, smaakloos en voelde warm noch koud aan in de mond; maar toen ze het dronken, schenen kracht en sterkte in al hun ledematen te stromen. Na die dronk scheen het oudbakken brood en gedroogde fruit (het enige dat nog restte) hun honger beter te stillen dan menig voortreffelijk ontbijt in de Gouw had gedaan.
Ze hadden nog geen vijf uur gerust toen ze de Weg weer opzochten.
Glorfindel spoorde hen nog steeds aan en stond hun slechts twee keer tijdens de dagmars een kort oponthoud toe. Op die manier legden ze voor het vallen van de avond bijna twintig mijl af, en kwamen bij een punt waar de Weg naar rechts boog en steil naar de bodem van het dal liep en weer op de Bruinen afging. Tot dusver hadden de hobbits geen teken of geluid van een achtervolger gezien of gehoord; maar Glorfindel bleef vaak een ogenblik staan luisteren als ze achterop raakten, en een bezorgde blik bewolkte zijn gezicht. Een paar keer had hij met Stapper in de elfentaal gesproken.
Maar hoe bezorgd hun gidsen ook mochten zijn, het was duidelijk dat de hobbits die nacht niet verder konden gaan. Zij sukkelden voort, duizelig van moeheid en niet in staat om aan iets anders dan hun voeten en benen te denken. Frodo’s pijn was nu dubbel zo hevig geworden, en in de loop van de dag vervaagden de dingen rondom hem tot schaduwen van spookachtig grijs. Hij was haast blij dat de nacht viel, want dan scheen de wereld tenminste minder bleek en leeg.
De hobbits waren nog moe toen zij de volgende ochtend weer vroeg op weg gingen. Ze hadden nog vele mijlen voor de boeg eer ze bij de Voorde zouden komen, en ze hobbelden voort zo vlug ze konden.
‘Het gevaar zal het grootst zijn vlak voor we de rivier bereiken,’ zei Glorfindel, ‘mijn hart zegt mij dat de achtervolging nu vlak achter ons is en wellicht wachten ons bij de Voorde nog andere gevaren.’
De Weg liep nog steeds geleidelijk heuvelafwaarts, en op sommige plaatsen was er nu aan beide kanten veel gras, waar de hobbits doorheen liepen als ze de kans kregen om hun moede voeten verlichting te geven. Laat in de middag kwamen ze bij een open plek waar de Weg plotseling onder de donkere schaduwen van hoge dennenbomen liep, waarna hij in een diepe holte met steile vochtige wanden van rode steen dook. Er klonken echo’s terwijl ze zich voorwaarts spoedden, en er scheen een geluid van vele voetstappen te zijn die de hunne volgden. Maar ineens, als door een poort van licht, kwam de Weg aan het einde van de tunnel weer in de openlucht. Daar, onder aan een steile helling, zagen ze een vlakte van een mijl voor zich, en daarachter de Voorde van Rivendel. Aan de overkant was een hoge bruine oever waarover een slingerend pad liep; en daarachter verrezen de hoge bergen, helling na helling, top na top in de verblekende hemel.
Nog steeds klonk er een echo als van achtervolgende voetstappen op de holle weg achter hen; een ruisend geluid alsof er een wind opstak en door de takken van de dennenbomen joeg. Een ogenblik draaide Glorfindel zich om en luisterde; toen sprong hij met een luide kreet naar voren.
‘Vlucht!’ riep hij. ‘Vlucht! De Vijand is er!’
Het witte paard sprong vooruit. De hobbits renden de helling af. Glorfindel en Stapper volgden als achterhoede. Zij waren pas halverwege de open plek toen er plotseling een geluid klonk als van galopperende paarden. Uit de poort in de bomen waar ze net uit waren gekomen, kwam een Zwarte Ruiter aangereden. Hij toomde zijn paard in en bleef staan, in het zadel zwaaiend. Een tweede volgde hem; toen nog een en toen nog twee meer.