Выбрать главу

‘Rijden! Vooruit! Rijden!’ schreeuwde Glorfindel tegen Frodo. Hij gehoorzaamde niet onmiddellijk, want hij werd door een vreemde tegenzin aangegrepen. Het paard inhoudend tot het stapvoets liep, draaide hij zich om en keek over zijn schouder. De Ruiters schenen op hun grote hengsten te zitten als dreigende standbeelden op een heuvel, donker en massief, terwijl de bossen en het land eromheen terugweken, als in een mist. Plotseling wist hij in zijn hart dat zij hem zwijgend bevalen te wachten. Toen kwamen plotseling angst en haat in hem op. Zijn hand liet de teugel los en greep het gevest van zijn zwaard en met een rode flits trok hij het uit de schede.

‘Rijd verder! Rijd verder!’ riep Glorfindel, en toen riep hij luid en helder in de elfentaal tegen zijn paard: ‘Noro lim, noro lim, Asfaloth!’ Meteen sprong het witte paard weg en rende als de wind over het laatste stuk van de Weg. Op hetzelfde ogenblik sprongen de zwarte paarden hem achterna de heuvel af, en de Ruiters slaakten een afschrikwekkende kreet, zoals Frodo eens met afgrijzen ver weg in de bossen in het Oosterkwartier had gehoord. Hij werd beantwoord en tot Frodo’s ontzetting en die van zijn vrienden kwamen er van tussen de bomen en rotsen links nog vier andere Ruiters snellen. Twee reden op Frodo af; twee galoppeerden als razenden naar de Voorde om hem de weg af te snijden. Het scheen hem toe dat zij als de wind joegen en snel groter en donkerder schenen te worden toen hun baan met de zijne samenviel.

Frodo keek een ogenblik achterom over zijn schouder. Hij kon zijn vrienden niet langer zien. De Ruiters achter hem kregen een achterstand: zelfs hun grote hengsten konden Glorfindels snelle witte elfenpaard niet bijhouden. Hij keek opnieuw voor zich uit, en zijn hoop vervloog. Er scheen geen kans op dat hij de Voorde zou bereiken, voor hij door de anderen die in hinderlaag hadden gelegen werd afgesneden. Hij kon ze nu duidelijk zien: ze schenen hun kappen en mantels te hebben weggeworpen en waren in het wit en grijs gekleed. Zwaarden lagen ontbloot in hun bleke handen en zij hadden helmen op het hoofd. Hun koude ogen schitterden en zij schreeuwden hem toe met woedende stemmen.

Frodo’s geest was nu geheel door angst bevangen. Hij dacht niet langer aan zijn zwaard. Hij kon geen kreet uitbrengen. Hij sloot de ogen en klampte zich aan de manen van het paard vast. De wind floot in zijn oren en de bellen aan de toom rinkelden wild en schril. Een dodelijke koude adem drong als een speer door hem heen toen met een laatste sprint, als een witte vuurflits, het elfenpaard, dat wel te vliegen scheen, vlak langs het gezicht van de voorste Ruiter voorbijschoot.

Frodo hoorde het gespetter van water. Het schuimde aan zijn voeten. Hij voelde het water snel rijzen en zuigen toen het paard de rivier verliet en het stenen pad opklauterde. Hij klom tegen de steile oever op. Hij was over de Voorde.

Maar de achtervolgers zaten hem op de hielen. Op de oever bleef het paard staan, keerde zich om en hinnikte fel. Er waren negen Ruiters aan de rand van het water beneden, en Frodo voelde zijn moed versagen toen hij de dreiging van hun opgeheven gezichten zag. Hij wist dat niets hen ervan kon weerhouden de Voorde even gemakkelijk over te steken als hijzelf had gedaan en voelde dat het nutteloos was te proberen langs het lange onbekende pad van de Voorde tot aan de rand van Rivendel te ontsnappen, wanneer de Ruiters eenmaal aan de andere kant waren. In ieder geval voelde hij dat hem dringend werd bevolen halt te houden. Haat welde weer in hem op, maar hij had niet langer de kracht om te weigeren.

Plotseling gaf de voorste Ruiter zijn paard de sporen. Het deinsde bij het water terug en verhief zich op de achterbenen. Met grote inspanning ging Frodo rechtop zitten en ontblootte zijn zwaard. ‘Ga terug!’ riep hij uit. ‘Ga terug naar het Land Mordor en volg me niet langer!’ Zijn stem klonk hem zwak en schril in de oren. De Ruiters bleven staan, maar Frodo had niet de macht van Bombadil. Zijn vijanden lachten hem uit met een rauwe, angstaanjagende lach. ‘Kom terug! Kom terug!’ riepen ze. ‘We zullen je mee naar Mordor nemen.’

‘Ga terug,’ fluisterde hij.

‘De Ring. De Ring!’ riepen zij met doodse stemmen en onmiddellijk daarop dwong de leider zijn paard het water in te gaan, op de hielen gezeten door twee anderen.

‘Bij Elbereth en Lúthien de Schone,’ zei Frodo met een laatste poging terwijl hij zijn zwaard ophief, ‘jullie zullen de Ring noch mij krijgen!’

Toen ging de leider, die nu halverwege de Voorde was, dreigend in de stijgbeugels staan en hief zijn hand op. Frodo was met stomheid geslagen. Hij voelde zijn tong aan zijn gehemelte kleven en zijn hart zwoegde. Zijn zwaard brak en viel uit zijn bevende hand. Het elfenpaard steigerde en brieste. Het voorste van de zwarte paarden had nu bijna de oever bereikt.

Op dat ogenblik brak er een brullend en ruisend geweld los: een rumoer van luide wateren die vele stenen met zich meevoerden. Vagelijk zag Frodo de rivier beneden zich stijgen, en langs haar bedding kwam een gepluimde ruiterij van golven. Het scheen Frodo toe dat er witte vlammen op hun toppen flikkerden en hij verbeeldde zich half dat hij midden in het water witte ruiters op witte paarden met schuimende manen zag. De drie Ruiters die nog in het midden van de Voorde waren, werden overweldigd: zij verdwenen en werden plotseling onder woedend schuim begraven. Zij die daarachter waren trokken zich ontzet terug.

Met zijn laatste verzwakkende zintuigen hoorde Frodo kreten en het scheen hem toe dat hij achter de Ruiters die op de oever draalden, een stralende gestalte van wit licht zag; en daarachter renden kleine schimmige figuren die met vlammen zwaaiden, rood flakkerend in de grijze mist die over de wereld neerdaalde.

De zwarte paarden waren van razernij vervuld, en terwijl ze in doodsangst steigerden, droegen ze hun berijders de ziedende wateren in. Hun doordringende kreten gingen verloren in het gebulder van de rivier, die hen meesleurde. Toen voelde Frodo dat hij viel, en het gebrul en de verwarring schenen nog groter te worden en hem tegelijk met zijn vijanden op te slokken. Hij hoorde en zag niets meer.

Tweede boek

I. Vele kennismakingen

Frodo werd wakker en kwam tot de ontdekking dat hij in bed lag. Eerst dacht hij dat hij zich had verslapen, na een lange nare droom, die hij zich nog vaag herinnerde. Of misschien was hij ziek geweest?

Maar het plafond zag er vreemd uit; het was vlak en het had donkere, mooi bewerkte balken. Hij bleef nog wat langer naar de vlekken zonlicht op de muur liggen kijken, en naar het geluid van een waterval luisteren.

‘Waar ben ik en hoe laat is het?’ zei hij hardop tegen het plafond.

‘In het huis van Elrond, en het is tien uur in de ochtend,’ zei een stem. ‘Het is de ochtend van de vierentwintigste oktober, als je het wilt weten.’

‘Gandalf!’ riep Frodo uit, terwijl hij rechtop ging zitten. Daar zat de oude tovenaar in een stoel bij het open raam.

‘Ja,’ zei hij. ‘Ik ben hier. En jij mag van geluk spreken dat je ook hier bent, na alle dwaze dingen die je hebt gedaan sinds je van huis bent vertrokken.’

Frodo ging weer liggen. Hij voelde zich te behaaglijk en vredig om te redetwisten, en in ieder geval dacht hij niet dat hij een woordenwisseling zou kunnen winnen. Hij was nu klaarwakker en de herinnering aan zijn reis kwam bij hem terug: de rampspoedige ‘korte weg’ door het Oude Woud; het ‘ongeluk’ in De Steigerende Pony; zijn dwaze daad in de vallei onder de Weertop toen hij de Ring had aangedaan. Terwijl hij aan al deze dingen dacht en zich tevergeefs probeerde te herinneren hoe hij in Rivendel was aangekomen, viel er een lange stilte, die alleen werd verbroken door de zachte pufjes van Gandalfs pijp, terwijl hij blauwwitte rookkringen het raam uit blies.