Выбрать главу

‘Ja, de fortuin of het noodlot heeft je geholpen,’ zei Gandalf, ‘om van moed maar te zwijgen. Want je hart werd niet aangetast en alleen je schouder werd doorboord; dat kwam omdat je je tot het uiterste hebt verzet. Maar het was op het kantje af. Je verkeerde in het grootste gevaar terwijl je de Ring droeg, want toen verkeerde je zelf half in de geestenwereld en hadden ze je kunnen grijpen. Jij kon hen zien, en zij konden jou zien.’

‘Dat weet ik,’ zei Frodo. ‘Ze waren vreselijk om te aanschouwen. Maar waarom konden wij wel allemaal hun paarden zien?’

‘Omdat het echte paarden zijn; evenals hun zwarte kleren echte kleren zijn, die ze dragen om vorm te geven aan hun niets-zijn wanneer ze omgang hebben met de levenden.’

‘Maar waarom verdragen die zwarte paarden dergelijke Ruiters dan? Alle andere dieren zijn doodsbang als ze naderbij komen, zelfs het elfenpaard van Glorfindel. De honden janken en de ganzen schreeuwen tegen hen.’

‘Omdat deze paarden geboren en grootgebracht zijn in dienst van de Donkere Heerser in Mordor. Niet al zijn dienaren en bezittingen zijn geesten! Er zijn orks en trollen, er zijn wargen en weerwolven; en er waren en zijn nog vele mensen, krijgers en koningen, die onder de zon leven en toch onder zijn heerschappij vallen. En hun aantal groeit met de dag.’

‘En hoe zit het met Rivendel en de elfen? Is Rivendel veilig?’

‘Ja, op het ogenblik, totdat al het andere is veroverd. De elfen mogen dan de Donkere Heerser vrezen, en zij mogen voor hem vluchten, maar zij zullen nooit weer naar hem luisteren of hem dienen. En hier in Rivendel wonen nog enkelen van zijn voornaamste vijanden: de elfenwijzen, heren van de Eldar vanachter de verste zeeën. Zij vrezen de Ringgeesten niet, want zij die in het Gezegende Rijk hebben gewoond verkeren gelijktijdig in beide werelden en bezitten grote macht, zowel tegen het Zichtbare als tegen het Onzichtbare.’

‘Ik dacht dat ik een witte figuur zag, die straalde en niet vervaagde zoals de anderen. Was dat Glorfindel?’

‘Ja, je hebt hem een ogenblik gezien zoals hij aan de overzijde is, een van de machtigen onder de Eerstgeborenen. Hij is een elfenvorst uit een huis van prinsen. Er is inderdaad in Rivendel een macht die de macht van Mordor kan weerstaan; een tijdlang; en elders zijn nog andere machten. Maar al die plaatsen zullen weldra belegerde eilanden worden, als de dingen verdergaan zoals zij nu gaan. De Donkere Heerser wendt al zijn krachten aan. Maar toch,’ zei hij, terwijl hij plotseling opstond en zijn kin naar voren stak, waarbij zijn baard stijf en recht werd als borstelige draden, ‘moeten we moed blijven houden. Je zult weldra beter zijn, als ik je niet dood praat. Je bent in Rivendel en je hoeft je voorlopig nergens zorgen over te maken.’

‘Ik heb helemaal geen moed meer om erin te houden,’ zei Frodo, ‘maar op het ogenblik ben ik niet bezorgd. Vertel me alleen het nieuws over mijn vrienden, en vertel mij het besluit van de gebeurtenissen bij de Voorde, zoals ik je al een paar keer heb gevraagd, dan zal ik voorlopig tevreden zijn. Daarna zal ik, denk ik, weer gaan slapen; maar ik zal geen oog dicht kunnen doen voordat je het verhaal voor me hebt afgemaakt.’

Gandalf trok zijn stoel bij het bed en keek Frodo eens goed aan. De kleur was weer op zijn gezicht teruggekomen, en zijn ogen waren helder en klaarwakker en scherp. Hij glimlachte en er scheen hem weinig te mankeren. Maar voor het oog van de tovenaar was er een flauwe verandering; een zweem van doorzichtigheid omgaf hem, als het ware; vooral de hand, die op de deken lag.

Maar dat was te verwachten, zei Gandalf bij zichzelf. Hij is er nog niet half doorheen, en wat er uiteindelijk met hem zal gebeuren, kan zelfs Elrond niet voorspellen. Maar niets kwaads, denk ik. Hij wordt wellicht als een glas, gevuld met een klaar licht voor ogen die dat kunnen zien.

‘Je ziet er voortreffelijk uit,’ zei hij hardop. ‘Ik zal het erop wagen je een kort verhaal te vertellen zonder Elrond erin te kennen. Maar heel kort, denk erom, en dan moet je weer gaan slapen. Voorzover ik weet, is er dit gebeurd. De Ruiters kwamen recht op je af, zodra je vluchtte. Zij hadden de leiding van hun paarden niet langer nodig; jij was zichtbaar voor hen geworden, omdat je al op de drempel van hun wereld vertoefde. En de Ring trok hen ook aan. Je vrienden sprongen opzij, van de weg af, anders zouden ze omver zijn gereden. Ze wisten dat niets je kon redden als het witte paard dat niet kon. De Ruiters waren te snel om in te halen en met te velen om te weerstaan. Te voet zouden zelfs Glorfindel en Aragorn samen alle Negen niet tegelijk aankunnen.

Toen de Ringgeesten voorbijstormden, snelden je vrienden hen achterna. Dicht bij de Voorde is een kleine inham naast de weg, aan het oog onttrokken door een paar afgeknotte bomen. Daar maakten zij snel een vuur, want Glorfindel wist dat er een springvloed zou komen als de Ruiters probeerden over te steken, en dan zou hij moeten afrekenen met degenen die aan zijn kant van de rivier waren gebleven. Het ogenblik dat de vloed opkwam, snelde hij met vlammende takken naar het water, gevolgd door Aragorn en de anderen. Gevangen tussen vuur en water en bij de aanblik van een elfenvorst in zijn toorn, werden zij ontsteld en hun paarden door dolheid getroffen. Drie waren door de eerste stormloop van de vloed meegesleurd; de anderen werden door hun paarden in het water geworpen en overweldigd.’

‘En is dat het einde van de Zwarte Ruiters?’ vroeg Frodo.

‘Nee,’ zei Gandalf, ‘hun paarden moeten zijn omgekomen, en zonder hen zijn ze verlamd. Maar de Ringgeesten zelf zijn niet zo gemakkelijk te vernietigen. Op het ogenblik hebben wij echter niets meer van hen te vrezen. Je vrienden staken de Voorde over toen de vloed voorbij was; en ze vonden je op de oever op je buik liggen met een gebroken zwaard onder je. Het paard hield de wacht naast je. Je was bleek en koud en ze vreesden dat je dood was, of nog erger. Elronds lieden kwamen hun tegemoet toen ze je langzaam naar Rivendel droegen.’

‘Wie veroorzaakte de vloed?’ vroeg Frodo.

‘Elrond gelastte die,’ antwoordde Gandalf. ‘De rivier in deze vallei staat onder zijn heerschappij, en wast in gramschap, wanneer het nodig is de Voorde te versperren. Zodra de kapitein van de Ringgeesten het water inreed, werd de vloed losgelaten. Als ik het mag zeggen, ik heb er zelf ook een paar steentjes toe bijgedragen; misschien heb je het niet gemerkt, maar sommige van de golven namen de vorm aan van grote witte paarden met stralende witte ruiters; er waren vele rollende en knarsende keien. Een ogenblik vreesde ik dat we een te grote toorn hadden ontketend en dat de vloed uit de hand zou lopen, en jullie allen zou wegspoelen. Er schuilt een grote kracht in de wateren die van de sneeuw op de Nevelbergen komen.’

‘Ja, ik herinner het mij nu allemaal weer,’ zei Frodo, ‘het enorme gebrul. Ik dacht dat ik verdronk, met mijn vrienden en vijanden en al. Maar nu zijn we veilig!’

Gandalf keek snel naar Frodo, maar deze had de ogen gesloten. ‘Ja, op het ogenblik zijn jullie allemaal veilig. Weldra zal er feest en vertier zijn om de overwinning bij de Voorde van de Bruinen te vieren, en jullie zullen allen ereplaatsen innemen.’

‘Prachtig!’ zei Frodo. ‘Het is schitterend dat Elrond en Glorfindel en dergelijke grote heren, om van Stapper maar te zwijgen, zich zoveel moeite getroosten en mij zoveel vriendelijkheid betuigen.’

‘Welnu, er zijn vele redenen waarom ze dat behoren te doen,’ zei Gandalf glimlachend. ‘Ik ben er een van. De Ring is er nog een; jij bent de drager van de Ring. En je bent de erfgenaam van Bilbo, de vinder van de Ring.’

‘Die beste Bilbo,’ zei Frodo slaperig. ‘Ik vraag me af waar hij is. Ik wou dat hij hier was en er alles over kon horen. Het zou hem aan het lachen hebben gemaakt. De koe sprong over de Maan. En die arme ouwe trol!’ En toen hij dat had gezegd, viel hij vast in slaap.

Frodo bevond zich nu veilig in het Laatste Huiselijke Huis ten oosten van de zee. Dat huis was, zoals Bilbo lang geleden had verteld, ‘een volmaakt huis, of je nu het meeste van eten, slapen, naar verhalen luisteren of alleen maar van mijmeren, of van een aangename mengeling van dit alles houdt’. Alleen al om daar te vertoeven was een medicijn tegen verveling, angst en droefenis.