Later op de avond werd Frodo weer wakker, en hij merkte dat hij geen behoefte meer had aan rust of slaap, maar zin had in eten en drinken, met daarna waarschijnlijk een lied en een verhaal. Hij kwam uit bed en ontdekte dat zijn arm weer bijna even bruikbaar was als ooit. Er lagen, zag hij, schone kleren van groene stof voor hem klaar, die hem voortreffelijk pasten. Toen hij in de spiegel keek, zag hij tot zijn verbazing een veel magerder weerkaatsing van zichzelf dan hij zich herinnerde; het vertoonde een opvallende gelijkenis met de jeugdige neef van Bilbo, die met zijn oom in de Gouw uit zwerven placht te gaan; maar de ogen hadden een peinzende uitdrukking.
‘Ja, je hebt zo wel het een en ander meegemaakt sinds je voor het laatst in een spiegel hebt gekeken,’ zei hij tot zijn spiegelbeeld. ‘Maar nu – op naar een vrolijke bijeenkomst!’ Hij strekte zijn armen uit en floot een deuntje.
Op dat ogenblik werd er op de deur geklopt en Sam kwam binnen. Hij liep op Frodo toe en pakte hem bij de linkerhand, wat onbeholpen en verlegen. Hij streelde die zacht, bloosde en keerde zich haastig om.
‘Hallo, Sam!’ zei Frodo.
‘Hij is warm,’ zei Sam. ‘Ik bedoel uw hand, meneer Frodo. Hij heeft al die lange nachten zo koud aangevoeld. Laat de bazuinen schallen!’ riep hij uit, terwijl hij zich weer omdraaide en een rondedansje maakte. ‘Het is heerlijk u weer op en gezond te zien, meneer! Gandalf vroeg me om te gaan kijken of u klaar was om naar beneden te komen, en ik dacht dat het een grap was.’
‘Ik ben klaar,’ zei Frodo. ‘Vooruit, laat ons de anderen van het gezelschap gaan opzoeken.’
‘Ik kan u bij hen brengen, meneer,’ zei Sam. ‘Dit is een groot huis en heel eigenaardig. Er valt altijd weer iets nieuws aan te ontdekken, en je weet nooit wat je om een hoek te wachten staat. En een elfen, meneer! Elfen hier, en elfen daar! Sommigen als koningen, angstwekkend en luisterrijk, en anderen uitgelaten als kinderen. En al die muziek en dat zingen – niet dat ik veel tijd of zin heb gehad om ernaar te luisteren sinds wij hier zijn aangekomen. Maar ik begin toch iets omtrent de gewoonten in dit huis te leren.’
‘Ik weet wat je hebt gedaan, Sam,’ zei Frodo, terwijl hij hem bij de arm pakte. ‘Maar vanavond zul je vrolijk zijn en naar hartelust luisteren. Kom mee, wijs me de weg om de hoeken heen.’
Sam leidde hem door vele gangen en langs vele trappen naar een hooggelegen tuin boven de steile rivieroever. Hij trof zijn vrienden gezeten in een loggia aan de zijkant van het huis, op het oosten uitkijkend. In het dal beneden was de duisternis gevallen, maar op de berghellingen en hoog daarboven scheen nog licht. De lucht was warm. Er was een luid gerucht van stromend en neerklaterend water, en de avond was vervuld van een flauwe geur van bomen en bloemen, alsof de zomer nog in Elronds tuinen verwijlde.
‘Hoera!’ riep Pepijn opspringend. ‘Daar heb je onze nobele neef!
Maak plaats voor Frodo, Heer van de Ring!’
‘Stil toch,’ zei Gandalf uit de schaduwen achter in de loggia. ‘Boze zaken dringen niet door tot dit dal, maar toch moeten we er niet over spreken. De Heer van de Ring is niet Frodo, maar de meester van de Zwarte Toren van Mordor, wiens macht zich weer over de wereld uitstrekt! Wij bevinden ons in een fort. Buiten valt de duisternis.’
‘Gandalf heeft een hoop van deze opwekkende dingen gezegd,’ zei Pepijn. ‘Hij vindt blijkbaar dat ik in toom moet worden gehouden. Maar het schijnt op de een of andere manier onmogelijk je hier neerslachtig te voelen. Ik heb het gevoel dat ik zou kunnen zingen, als ik het juiste lied voor de gelegenheid kende.’
‘Ik zou zelf ook wel willen zingen,’ zei Frodo lachend. ‘Hoewel ik op het ogenblik meer voor eten en drinken voel.’
‘Daar is vlug iets aan te doen,’ zei Pepijn. ‘Je hebt je gebruikelijke slimheid betoond door juist op tijd voor een maaltijd op te staan.’
‘Meer dan een maal, een banket!’ zei Merijn. ‘Zodra Gandalf je voor genezen verklaarde, zijn de voorbereidingen begonnen.’ Hij was nauwelijks uitgesproken of ze werden door het luiden van vele klokken naar de grote zaal geroepen.
De zaal van Elronds huis wemelde van volk: elfen voor het merendeel, hoewel er ook enkele andere soorten gasten waren. Elrond zat, zijn gewoonte getrouw, op een grote stoel aan het hoofd van de lange tafel op de verhoging; en aan zijn ene kant zat Glorfindel, aan zijn andere Gandalf.
Frodo keek met verwondering naar hen, want hij had Elrond, over wie zoveel verhalen de ronde deden, nog nooit eerder gezien. En Glorfindel en zelfs Gandalf, die hij meende zo goed te kennen, zetelden, zoals zij daar rechts en links van hem troonden, als vorsten bekleed met waardigheid en macht.
Gandalf was kleiner van gestalte dan de beide anderen, maar zijn lange witte haar, zijn wuivende zilveren baard en zijn brede schouders gaven hem het aanzien van een wijze koning uit een eeuwenoude legende. In zijn oude gezicht, onder grote sneeuwwitte wenkbrauwen, stonden zijn donkere ogen, als kolen die plotseling konden ontvlammen.
Glorfindel was lang en rijzig; zijn haar was glanzend goud, zijn gezicht knap en jong, onbevreesd en vol vreugde; zijn ogen waren helder en levendig, en zijn stem klonk als muziek; zijn voorhoofd verried wijsheid en zijn hand was krachtig.
Het gezicht van Elrond was leeftijdloos – jong noch oud, hoewel de herinnering aan vele blijde en droeve dingen er haar stempel op had gedrukt. Zijn haar was donker als de schaduwen van de schemering, en het was gekroond met een zilveren band; zijn ogen waren grijs als een heldere avond, en het licht dat erin scheen, was gelijk aan dat van de sterren. Eerbiedwaardig zag hij eruit, als een koning gekroond door vele winters, maar toch kloek als een beproefde krijgsman in de volheid van zijn kracht. Hij was de Heer van Rivendel, en machtig onder elfen en mensen.
In het midden van de tafel, tegen de geweven kleden aan de wand, stond een zetel onder een baldakijn en daarop zat een Vrouwe, die schoon was om te zien; zij leek zozeer het vrouwelijke evenbeeld van Elrond, dat Frodo vermoedde dat zij een van zijn naaste bloedverwanten was. Zij was jong en toch ook weer niet, want hoewel de krullen van haar haar nog geen matheid vertoonden en haar blanke armen en helder gelaat fris en glad waren en het licht van de sterren in haar klare ogen scheen, grijs als een wolkeloze nacht, zag zij er toch koninklijk uit, en haar blik verried de wijsheid van iemand die vele dingen kent die de jaren met zich brengen. De kruin van haar hoofd was bedekt met een kapje van zilveren kant, met kleine juwelen bezet, die wit glinsterden; maar haar zachtgrijze gewaad had geen enkele opsmuk behalve een gordel van bladeren van zilveren smeedwerk. Zo zag Frodo haar die slechts weinig stervelingen hadden aanschouwd: Arwen, de dochter van Elrond in wie, naar men zei, het evenbeeld van Lúthien weer op aarde was gekomen; en zij werd Undómiel genoemd, omdat zij de Avondster van haar volk was. Lang had zij in het land van haar moeders familie vertoefd, in Lórien achter de bergen, en was pas kort geleden naar Rivendel en haar vaders huis teruggekeerd. Maar haar broers, Elladan en Elrohir, waren op avontuur uit; zij reden vaak ver weg met de Dolers uit het noorden, altijd de marteling indachtig van hun moeder in de holen van de orks.
Zoveel lieflijkheid in een levend wezen had Frodo nog nooit eerder in zijn geest gezien of gedroomd, en hij was verrast en verlegen te zien dat hij een plaats aan Elronds tafel had te midden van al deze zo hoge en schone lieden. Hoewel hij een passende stoel had en hoog op enige kussens zat, voelde hij zich heel klein en niet op zijn plaats; maar dat gevoel ging weldra voorbij. Het feestmaal was vrolijk en het eten bestond uit alles waar hij maar trek in kon hebben. Het duurde enige tijd voor hij weer om zich heen keek of zich tot zijn tafelburen wendde.
Hij zocht het eerst naar zijn vrienden. Sam had gevraagd zijn meester te mogen bedienen, maar men had hem te verstaan gegeven dat hij ditmaal een eregast was. Frodo zag hem nu met Pepijn en Merijn aan het einde van de zijtafels, dicht bij de verhoging zitten. Maar van Stapper was niets te bekennen.