Выбрать главу

Aan Frodo’s rechterzijde zat een gewichtig uitziende, rijk geklede dwerg. Zijn baard, heel lang en gevorkt, was wit, bijna even wit als de sneeuwwitte stof van zijn kleren. Hij droeg een zilveren gordel en om zijn hals hing een ketting van zilver en diamanten. Frodo hield op met eten om naar hem te kijken.

‘Welkom, en aangenaam kennis te maken,’ zei de dwerg tegen hem. Toen stond hij van zijn zetel op en boog. ‘Glóin, tot uw dienst,’ zei hij en boog nog dieper.

‘Frodo Balings, tot uw dienst en die van uw familie,’ zei Frodo beleefd, verbaasd opstaand, waarbij zijn kussens op de grond vielen.

‘Is mijn vermoeden juist dat u de Glóin bent, een van de twaalf gezellen van de grote Thorin Eikenschild?’

‘Volkomen juist,’ antwoordde de dwerg, terwijl hij de kussens opraapte en Frodo beleefd weer in zijn stoel hielp. ‘En ik hoef niets te vragen, want men heeft mij al verteld dat u de neef en aangenomen erfgenaam van onze befaamde vriend Bilbo bent. Sta mij toe u geluk te wensen met uw herstel.’

‘Dank u zeer,’ zei Frodo.

‘U hebt een aantal zeer vreemde avonturen beleefd, hoor ik,’ zei Glóin. ‘Ik ben zeer benieuwd naar wat vier hobbits op een zo lange reis heeft gevoerd. Wij hebben zoiets niet meer meegemaakt sinds Bilbo met ons meeging. Maar misschien moet ik niet te nieuwsgierig zijn, aangezien Elrond en Gandalf niet geneigd schijnen te zijn hierover te spreken?’

‘Mij dunkt dat wij er niet over moeten spreken, tenminste nóg niet,’ zei Frodo beleefd. Hij vermoedde dat zelfs in Elronds huis de kwestie van de Ring niet lichtvaardig werd besproken; en in ieder geval wilde hij zijn moeilijkheden enige tijd vergeten. ‘Maar ik ben even benieuwd te horen,’ voegde hij eraan toe, ‘wat een zo belangrijke dwerg zo ver van de Eenzame Berg voert.’

Glóin keek hem aan. ‘Als u dat nog niet hebt vernomen, denk ik dat we daar ook nog niet over zullen praten. Meester Elrond zal ons allen weldra bij zich roepen, neem ik aan, en dan zullen wij allen vele dingen te horen krijgen. Maar er zijn veel andere dingen die wel verteld mogen worden.’

Tijdens de rest van de maaltijd spraken zij met elkaar, maar Frodo luisterde meer dan hij sprak, want het nieuws over de Gouw, behalve dan wat de Ring betrof, scheen nietig en ver weg en onbelangrijk, terwijl Glóin veel te vertellen had over de gebeurtenissen in de noordelijke gebieden van Wilderland.

Frodo kwam te weten dat Grimbeorn de Oude, zoon van Beorn, nu de heerser was over vele sterke mannen en dat ork noch wolf zich in hun land tussen de Bergen en het Demsterwold durfde te wagen.

‘Voorwaar,’ zei Glóin, ‘als de Beornings er niet waren, zou de doortocht van Dal naar Rivendel lang geleden al onmogelijk zijn geworden. Het zijn dappere mannen en ze houden de Hoge Pas en de Voorde van Karrots open. Maar zij eisen een hoge tol,’ voegde hij er hoofdschuddend aan toe, ‘en evenals Beorn houden zij als vanouds niet erg van dwergen. Maar ze zijn in ieder geval te vertrouwen, en dat is heel wat tegenwoordig. Nergens zijn er mensen zo vriendelijk voor ons als de mensen van Dal. Het zijn beste lui, de Bardings. De kleinzoon van Bard de Boogschutter regeert over hen, Brand, zoon van Bain, zoon van Bard. Hij is een sterke koning en zijn rijk strekt zich nu ver ten zuiden en oosten van Esgaroth uit.’

‘En hoe is het met uw eigen volk?’ vroeg Frodo.

‘Daar valt veel over te vertellen, goed en slecht,’ zei Glóin. ‘Maar het meeste is toch goed: tot dusver hebben we geluk gehad, hoewel we ons niet aan de schaduw van deze tijd kunnen onttrekken. Als u werkelijk over ons wilt horen, zal ik u het nieuws met alle plezier vertellen. Maar laat me ophouden als het u begint te vervelen. Dwergentongen weten van geen ophouden als zij over hun ambacht spreken, zegt men wel.’

En daarmee begon Glóin aan een lang verslag van de bedrijvigheden van het dwergenkoninkrijk. Hij was opgetogen dat hij zo’n beleefde toehoorder had gevonden, want Frodo vertoonde geen enkel teken van verveling en probeerde niet een ander onderwerp aan te snijden, hoewel hij in feite al gauw geen raad meer wist met de vreemde namen van personen en plaatsen, waar hij nooit eerder van had gehoord. Maar hij vond het niettemin interessant om te horen dat Dáin nog steeds Koning onder de Berg en nu oud was (hij was al in zijn tweehonderdvijftigste jaar), eerbiedwaardig en ongelooflijk rijk. Van de tien metgezellen die met hem de Slag van Vijf Legers hadden overleefd, waren er nog zeven bij hem: Dwalin, Glóin, Dori, Nori, Bifur, Bofur en Bombur. Bombur was nu zo dik, dat hij niet eens meer van zijn rustbank naar zijn stoel bij de tafel kon komen, en er zes jonge dwergen voor nodig waren om hem op te tillen.

‘En wat is er van Balin en Ori en Óin geworden?’ vroeg Frodo.

Glóins gezicht betrok. ‘Dat weten wij niet,’ antwoordde hij. ‘Het is voornamelijk vanwege Balin, dat ik hier gekomen ben om de raad in te winnen van hen die in Rivendel wonen. Maar laten we het vanavond over vrolijker zaken hebben!’

Daarna begon Glóin over de werken van zijn volk te spreken en vertelde Frodo over hun grootste werken in Dal en onder de Berg. ‘Wij hebben goede dingen verricht,’ zei hij. ‘Maar op het gebied van de metaalbewerking kunnen wij onze voorvaderen niet evenaren, want vele van hun geheimen zijn verloren gegaan. Wij maken goede wapenrustingen en scherpe zwaarden, maar we kunnen geen maliën of klingen maken die het kunnen halen bij die welke voor de komst van de draak werden gemaakt. Alleen op het gebied van de mijnbouw en de bouw hebben we de oude tijd overtroffen. Je moest de waterwegen van Dal eens zien, Frodo, en de bergen en de bassins. Je zou de veelkleurig geplaveide stenen wegen moeten zien. En de zalen en grotstraten onder de aarde met bogen uitgesneden als bomen; en de terrassen en torens op de hellingen van de Berg! Dan zou je zien dat we niet hebben stilgezeten.’

‘Ik zal ze komen bezichtigen als ik ooit in de gelegenheid ben,’ zei Frodo. ‘Wat zou Bilbo verrast zijn als hij al die veranderingen in de Woestenij van Smaug had kunnen zien.’ Glóin keek Frodo aan en glimlachte.

‘Je was erg op Bilbo gesteld, nietwaar?’ vroeg hij.

‘Ja,’ antwoordde Frodo. ‘Ik zou hem liever zien dan alle torens en paleizen ter wereld bij elkaar.’

Ten slotte was het banket ten einde. Elrond en Arwen stonden op en liepen de zaal door, en het gezelschap volgde hen in de voorgeschreven volgorde. De deuren werden opengeworpen en zij gingen een brede gang en andere deuren door en kwamen in een verder gelegen zaal. Daarin stonden geen tafels, maar een helder vuur brandde in een grote haard tussen de gebeeldhouwde pilaren aan weerskanten.

Frodo liep aan Gandalfs zijde. ‘Dit is de Zaal van het Vuur,’ zei de tovenaar. ‘Hier zul je vele liederen en verhalen te horen krijgen – als je wakker kunt blijven. Maar behalve op hoogtijdagen is zij gewoonlijk verlaten en stil, en er komen alleen lieden die rust willen hebben en willen nadenken. Er brandt hier altijd een vuur, het hele jaar door, maar er is weinig ander licht.’

Toen Elrond binnenkwam en naar de zetel liep die voor hem klaar was gezet, begonnen elfenminstrelen zoete muziek te maken. Langzaam vulde de zaal zich en Frodo keek opgetogen naar de vele mooie gezichten die daar verzameld waren; het gouden schijnsel van het vuur speelde op hen en deed hun haren glanzen. Plotseling merkte hij, niet ver van de andere kant van het vuur, een kleine donkere figuur op, gezeten op een kruk, die met zijn rug tegen een pilaar leunde. Naast hem op de grond stond een drinkbeker en wat brood. Frodo vroeg zich af of hij ziek was (zo men ooit ziek was in Rivendel) en niet in staat was geweest het banket bij te wonen. Zijn hoofd scheen op zijn borst in slaap te zijn gezonken, en een plooi van zijn donkere mantel was over zijn gezicht getrokken.

Elrond liep naar voren en ging naast de stille figuur staan.