Aanvankelijk hielden de schoonheid van de melodieën en de woorden in de elfentaal, zelfs al begreep hij er weinig van, hem in hun ban, zodra hij erop ging letten. Het scheen bijna dat de woorden vorm aannamen, en visioenen van verre landen en mooie dingen die hij zich nog nooit had verbeeld, ontvouwden zich voor hem. De door het vuur verlichte zaal werd als een gouden mist boven zeeën van schuim, die aan de randen van de wereld trilden. Toen werd de betovering nog meer als van een droom, totdat hij een eindeloze rivier van aanzwellend goud en zilver over zich heen voelde stromen, zo veelsoortig, dat hij het patroon ervan niet kon begrijpen; het maakte deel uit van de trillende lucht om hem heen, en het doorweekte en overstelpte hem. Vlug zonk hij onder het glanzende gewicht ervan in een diep rijk van slaap.
Daar zwierf hij lang in een droom van muziek die in stromend water veranderde, en toen plotseling een stem werd. Het leek de stem van Bilbo te zijn, die verzen zong. Eerst vaag, maar toen werden de woorden duidelijker:
Eärendil was een zeevaarder
die woonde in Arvernien;
hij bouwde een boot van hout geveld
in Nimbrethil om mee scheep te gaan;
haar zeilen waren van zilverdraad,
van zilver haar lantaarns ook,
haar boeg was als een zwaan gevormd
en van haar vanen straalde licht.
Met wapentuig van vorsten oud,
met maliën harnaste hij zich;
runen stonden in zijn schild gegrift
om af te weren wond en kwaad;
zijn boog bestond uit ebbenhout,
van zilver was zijn maliënhemd;
heldhaftig was zijn zwaard van staal,
van adamant zijn hoge helm
gekroond met veer van adelaar,
en op zijn borst een smaragd groen.
Onder de maan en onder ster
dwaalde hij ver van ’t noorderstrand,
verbijsterd op een toverweg
achter het sterfelijke land.
Van ’t schuren van het Nauwe IJs
met schaduwgrijs op bergen koud,
van hitte en brandende woestijn
trok hij op ’t laatst door Nacht van Niets,
maar nooit zag hij een teken van
de kust en ’t licht waarnaar hij zocht.
De wind van gramschap joeg hem op
en blindelings vluchtte hij in ’t schuim
van west naar oost en vruchteloos,
onaangekondigd, keerde hij weer.
Daar vloog Elwing hem tegemoet,
en in het donker vonkte een vlam;
heller dan licht van diamant
was van haar halsketting de glans.
De Silmaril gaf zij hem mee,
bekleedde hem met levend licht
en, onvervaard, met stralend hoofd,
wendde hij ’t schip en in de nacht
van Anderwereld achter Zee
stak sterk en woest een storm toen op,
een machtige wind in Tarmenel;
een koers die zelden sterveling gaat
joeg hij zijn boot met adem fel
als macht des doods over de lang
verlaten grijze Zee, gekweld:
van oost naar west trok hij voorbij.
Door Immernacht voer hij terug
op golvenruggen, woest en zwart,
over duister, verzonken land,
verdronken lang voor Tijd begon
totdat hij hoorde op paarlen strand
aan ’t eind der aarde, muziek lang,
waar altijd schuimend golvenspel
geelgoud en edelstenen wiegt.
Hij zag de Berg die zwijgend stond
waar schemering valt op de schoot
van Valinor en Eldamar
hij zag, heel ver achter de Zee.
Een zwerver aan de nacht ontsnapt
kwam hij ten slotte aan haven wit
bij elfenwoon, zo groen en schoon
in pure lucht, waar bleek als glas
onder de heuvel Ilmarin
schijnend in laaggelegen dal
verlichte toren Tirion
zich spiegelt in het Schaduwmeer.
Daar toefde hij toen, zwervensmoe,
en zingen leerde men er hem,
wonderen vertelden wijzen oud
en gouden harpen bracht men hem.
Men kleedde hem in elfenwit,
zond zeven lichten voor hem uit
toen door de Calacirian
hij trok naar het verloren land.
Hij kwam aan zalen tijdeloos
waar glanzend vallen zonder tal
de jaren en Eerste Koning heerst,
in Ilmarin op steile berg;
woorden ongehoord klonken er toen
over mensen en elfenras,
buiten de wereld werd visioen
getoond, verboden voor wie wonen daar.
Toen bouwde men hem een nieuw schip
van mithril en van elfenglas
met schitterboeg; geen gladde riem
noch zeil had ze aan de zilveren mast:
de Silmaril als lampenlicht
en held’re vaan met helle vlam
daarop gezet door Elbereth
met eigen hand, die daarheen kwam
en hem eeuwige vleugels gaf
en hem oplegde ’t eeuwig lot
te klieven luchten zonder kust
tot achter ’t licht van Zon en Maan.
Van Immeravonds heuv’len hoog
waar de fonteinen klaat’ren zacht
voerden zijn vleugels hem, dwaallicht,
achter de Bergmuur, groot en sterk.
En toen verliet hij ’sWerelds Eind,
verlangend weer te vinden zijn
verre oord, een reis door schaduwen,
en brandend als een eilandster
steeg ver boven de mist hij uit,
een verre vlam voor ’t licht der Zon,
een wonder vóór de ochtendstond
waar grijs het Noorlands water stroomt.
Over Midden-aard trok hij voorbij
en hoorde op ’t laatst het droef geween
van vrouwen en elfenmaagden in
Vroeger Tijden, lang geleen.
Maar op hem rustte ontzaglijk lot,
tot Maan zou doven, een ster te zijn,
voorbijgaand, nooit vertoevend meer
op stranden van de sterfelijken;
voor altijd een heraut nu met
een missie die nooit eindigen zal,
zijn toorts te dragen, ver, ver weg,
De Vlammifer van Westernisse.
Het gezang hield op. Frodo opende de ogen en zag Bilbo op zijn krukje zitten te midden van een kring toeschouwers, die lachten en in de handen klapten.
‘Laat het nog maar eens horen,’ zei een elf.
Bilbo stond op en boog. ‘Ik voel mij gevleid, Lindir,’ zei hij. ‘Maar het zou te vermoeiend zijn om het in zijn geheel te herhalen.’
‘Niet te vermoeiend voor jou,’ zeiden de elfen lachend. ‘Je weet dat je het nooit moe wordt je eigen verzen voor te dragen. Maar we kunnen je vraag eigenlijk niet beantwoorden na het één keer te hebben gehoord.’
‘Wat!’ riep Bilbo uit. ‘Kun je niet zeggen welke gedeelten van mij waren en welke van de Dúnadan?’
‘Het is niet gemakkelijk voor ons het verschil uit te maken tussen twee Stervelingen,’ zei de elf.
‘Onzin, Lindir,’ bromde Bilbo. ‘Als je het verschil niet kent tussen een mens en een hobbit, is je oordeel armzaliger dan ik dacht. Ze verschillen evenveel van elkaar als erwten en appels.’
‘Misschien. Schapen vinden andere schapen waarschijnlijk anders,’ zei Lindir lachend. ‘Of schaapherders. Maar wij hebben geen studie van Stervelingen gemaakt. Wij hebben andere dingen aan ’t hoofd.’
‘Ik zal niet met je redetwisten,’ zei Bilbo. ‘Ik heb slaap gekregen na zoveel muziek en gezang; wat mij betreft mogen jullie ernaar raden.’
Hij stond op en ging naar Frodo toe. ‘Nu, dat hebben we gehad,’ zei hij. ‘Het is beter gegaan dan ik verwachtte. Men vraagt me niet dikwijls om te bisseren. Wat vond jij ervan?’
‘Ik zal het niet proberen te raden,’ zei Frodo glimlachend.
‘Dat hoef je ook niet,’ zei Bilbo. ‘Feitelijk was het allemaal van mij. Behalve dat Aragorn erop stond dat ik er een groene steen in zou verwerken. Hij scheen dat belangrijk te vinden. Ik weet niet waarom. Voor het overige vond hij blijkbaar dat het hele geval ver boven mijn pet ging, en zei dat als ik de brutaliteit had om in het Huis van Elrond verzen over Eärendil te maken, ik het zelf maar moest weten. Ik veronderstel dat hij gelijk had.’
‘Ik weet het niet,’ zei Frodo. ‘Het scheen mij heel toepasselijk toe, hoewel ik dat niet kan verklaren. Ik was half in slaap toen je begon en het scheen een vervolg op iets waar ik over droomde. Ik besefte niet dat jij het in werkelijkheid was die sprak, tot vlak voor het einde.’