‘Het is inderdaad moeilijk om hier wakker te blijven, totdat je eraan gewend raakt,’ zei Bilbo. ‘Niet dat hobbits ooit de elfse smaak voor muziek, poëzie en verhalen helemaal te pakken zullen krijgen. Ze schijnen er evenveel van te houden als van eten, of meer nog. Ze zullen nog heel lang doorgaan. Wat zou je ervan zeggen als we nog eens rustig ergens gingen zitten praten?’
‘Kan dat?’ vroeg Frodo.
‘Natuurlijk. We zijn hier nu voor ons plezier en niet voor zaken. Je kunt doen en laten wat je wilt, zolang je maar geen lawaai maakt.’
Ze stonden op en trokken zich rustig in de schaduwen terug en liepen naar de deuren. Sam lieten ze vast in slaap achter, met een glimlach op het gezicht. Ondanks zijn verrukking in Bilbo’s gezelschap, voelde Frodo heel even spijt toen ze de Vuurzaal verlieten. Op het ogenblik dat zij over de drempel stapten klonk er een heldere stem die zong.
Frodo bleef een ogenblik staan en keek om. Elrond zat op zijn stoel en het vuur scheen op zijn gezicht als zomerlicht op de bomen. Naast hem zat Vrouwe Arwen. Tot zijn verwondering zag Frodo dat Aragorn naast haar stond; zijn donkere mantel was opengeslagen en hij scheen gekleed te zijn in elfenmaliën en er schitterde een ster op zijn borst. Zij spraken samen, en toen scheen het Frodo plotseling toe dat Arwen hem aankeek, en het licht van haar ogen viel van verre op hem en drong in zijn hart door. Hij bleef opgetogen staan, terwijl de zoete lettergrepen van het elfenlied als heldere juwelen van woord en melodie versmolten.
‘Het is een lied aan Elbereth,’ zei Bilbo. ‘Ze zullen dat en andere liederen van het Gezegende Rijk vanavond vele keren zingen. Kom mee!’
Hij leidde Frodo naar zijn eigen kleine kamer terug. Die kwam uit op de tuinen en keek op het zuiden uit over het ravijn van de Bruinen. Daar bleven ze enige tijd zitten, terwijl ze door het raam naar de heldere sterren boven de steil oprijzende bossen keken en zacht praatten. Zij spraken niet langer over de nieuwtjes uit de verre Gouw, en ook niet over de donkere dreigingen en gevaren die hen omringden, maar over de mooie dingen die zij samen in de wereld hadden gezien, over de elfen, de sterren, bomen en het zoete sterven van het mooie jaar in de bossen.
Eindelijk klonk er een klop op de deur. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei Sam, terwijl hij zijn hoofd naar binnen stak, ‘maar ik vroeg me net af of asdat u misschien iets nodig had.’
‘En als je mij niet kwalijk neemt, Sam Gewissies,’ antwoordde Bilbo, ‘vermoed ik dat je bedoelt dat het tijd is dat je meester naar bed gaat.’
‘Nou ziet u, meneer, er is morgen een bijeenkomst van de Raad, hoor ik, en hij is vandaag pas voor het eerst op geweest.’
‘Groot gelijk, Sam,’ schaterde Bilbo. ‘Scheer je weg en zeg maar tegen Gandalf dat hij naar bed is gegaan. Welterusten, Frodo! Hè, wat was het fijn om je weer te zien! Er gaat per slot van rekening niets boven hobbits als je een werkelijk goed gesprek wilt voeren. Ik begin heel oud te worden, en ik begon me af te vragen of ik lang genoeg zal leven om jouw hoofdstukken van ons verhaal te zien. Welterusten! Ik denk dat ik nog wat ga wandelen en naar de sterren van Elbereth in de tuin ga kijken. Welterusten!’
II. De Raad van Elrond
De volgende dag werd Frodo vroeg wakker; hij voelde zich verkwikt en wel. Hij liep langs de terrassen boven de luidruchtig stromende Bruinen en zag de fletse, koele zon boven de verre bergen opgaan en neerschijnen, schuin door de dunne zilveren mist stralend; de dauw op de gele bladeren schitterde en het web van herfstdraden flonkerde aan iedere struik. Sam liep naast hem en zei niets, maar snoof de lucht op en keek af en toe met een verbaasde blik naar de grote hoogten in het oosten. De toppen ervan waren met sneeuw bedekt.
Op een zetel die in het gesteente naast een bocht in het pad was uitgehouwen, kwamen zij Gandalf en Bilbo tegen, die in diep gesprek met elkaar waren. ‘Hallo! Goeiemorgen!’ zei Bilbo. ‘Ben je gereed voor de grote vergadering?’
‘Ik ben gereed voor alles,’ antwoordde Frodo. ‘Maar het liefst zou ik vandaag gaan wandelen en het dal verkennen. Ik zou graag naar die pijnbossen daarboven willen gaan.’ Hij wees in de verte naar het noorden van Rivendel.
‘Misschien krijg je daar later nog gelegenheid voor,’ zei Gandalf.
‘Maar we kunnen nog geen plannen maken. Er valt vandaag veel te horen en te besluiten.’
Plotseling, terwijl ze aan het praten waren, begon er een bel helder te luiden. ‘Dat is de waarschuwing voor de Raadsvergadering van Elrond,’ riep Gandalf uit. ‘Kom mee! Jij en Bilbo moeten erbij zijn.’
Frodo en Bilbo volgden de tovenaar snel langs het kronkelende pad terug naar huis; achter hen, ongenood en voor het ogenblik vergeten, draafde Sam.
Gandalf leidde hen naar de loggia waar Frodo zijn vrienden de vorige avond had aangetroffen. Het licht van de heldere herfstochtend glansde nu in de vallei. Het geluid van bruisende wateren steeg op uit de schuimende rivierbedding. Vogels zongen en een weldadige vrede lag over het land. Frodo schenen zijn gevaarlijke vlucht en de geruchten over de toenemende duisternis in de Buitenwereld nu al slechts de herinneringen aan een boze droom toe; maar de gezichten die zich naar hen toe keerden toen zij binnenkwamen, stonden ernstig.
Elrond was er, en verscheidene anderen zaten zwijgend om hem heen. Frodo zag Glorfindel en Glóin en in een hoekje alleen zat Stapper, die weer zijn oude reisplunje droeg. Elrond trok Frodo naar een stoel naast hem, en stelde hem aan het gezelschap voor, zeggende:
‘Dit, vrienden, is de hobbit Frodo, de zoon van Drogo. Weinigen zijn ooit door grotere gevaren of met een dringender boodschap hierheen gekomen.’
Hij wees toen degenen aan die Frodo nog niet eerder had ontmoet en noemde hun namen. Er zat een jongere dwerg naast Glóin: zijn zoon Gimli. Naast Glorfindel zaten verschillende andere raadgevers van Elronds huis, van wie Erestor het hoofd was; en naast hem zat Galdor, een elf uit de Grijze Havens, die met een boodschap van Círdan, de scheepsbouwmeester, was gekomen. Er was ook een vreemde elf, die in groen en bruin was gekleed: Legolas, een boodschapper van zijn vader Thranduil, de Koning van de elfen van het noordelijke Demsterwold. En enigszins terzijde zat een lange man met een mooi en nobel gezicht, donker haar en grijze ogen, trots en met een ernstige blik.
Hij droeg een mantel en laarzen als voor een reis te paard; en hoewel zijn kleding er rijk uitzag en zijn mantel met bont was afgezet, waren ze vuil van een lange reis. Hij had een kraag van zilver, waarin één witte steen was gezet; zijn lokken hingen tot op zijn schouders. Aan een schouderriem droeg hij een grote hoorn, die aan de uiteinden met zilver was beslagen en die nu op zijn knieën lag. Hij staarde Frodo en Bilbo met plotselinge verbazing aan.
‘Dit,’ zei Elrond, zich tot Gandalf wendend, ‘is Boromir, een man uit het zuiden. Hij is in de grijze ochtend aangekomen en vraagt om raad. Ik heb hem gevraagd aanwezig te zijn, want hier zullen zijn vragen worden beantwoord.’
Niet alles wat in de Raadsvergadering gezegd en besproken werd, hoeft hier te worden verteld. Er werd uitvoerig over de gebeurtenissen in de buitenwereld gesproken, vooral in het zuiden en in de uitgestrekte landen ten oosten van de Bergen. Hierover had Frodo al vele geruchten gehoord, maar het verhaal van Glóin was nieuw voor hem, en toen de dwerg sprak, luisterde hij aandachtig. Het bleek dat te midden van de pracht van hun handwerken de harten van de dwergen van de Eenzame Berg verontrust waren.
‘Het is nu vele jaren geleden,’ zei Glóin, ‘dat een schaduw van onrust over ons volk viel. Waar die vandaan kwam wisten wij aanvankelijk niet. Er werden woorden in het geheim gefluisterd; men zei dat wij op een benauwde plaats waren ingesloten en dat er grotere rijkdom en pracht in een wijdere wereld te vinden waren. Sommigen spraken van Moria: de machtige werken van onze voorvaderen, die in onze eigen taal Khazad-dûm heten; en zij verklaarden dat wij nu eindelijk de macht en de aantallen hadden om terug te keren.’