Выбрать главу

Glóin zuchtte. ‘Moria! Moria! Wonder van de Noordelijke wereld! Te diep hebben wij daar gedolven, en de naamloze angst gewekt. Lang hebben zijn uitgestrekte woningen leeggestaan sinds de kinderen van Durin vluchtten. Maar nu spraken wij er weer verlangend over, en toch ook met angst, want geen dwerg heeft het gedurende de levens van vele koningen gewaagd de deuren van Khazad-dûm door te gaan, met uitzondering alleen van Thrór, en hij kwam om. Eindelijk schonk Balin echter gehoor aan het gefluister en besloot te gaan; en hoewel Dáin niet graag toestemming gaf, nam hij Ori en Óin en velen van ons volk mee, en zij gingen weg naar het zuiden.

Dat was bijna dertig jaar geleden. Een tijdlang kregen wij nieuws en dat scheen gunstig te zijn: de berichten meldden dat men Moria was binnengegaan en dat daar een groot werk was begonnen. Toen werd het stil, en sindsdien is er nooit meer een bericht uit Moria gekomen.

Toen, ongeveer een jaar geleden, kwam er een boodschapper bij Dáin, maar niet uit Moria – uit Mordor: een ruiter in de nacht, die Dáin aan de poort riep. Heer Sauron de Grote, zei hij, wenste onze vriendschap. Hij zou er ringen voor geven, zoals hij vroeger had gedaan. En hij stelde dringende vragen over hobbits; wat voor soort wezens dat waren en waar ze woonden. “Want Sauron weet,” zei hij, “dat één van hen u eertijds bekend was.”

Dit verontrustte ons ten zeerste, en wij gaven geen antwoord. Toen dempte hij zijn veile stem en hij zou hem hebben verzoet als hij had gekund. “Als klein bewijs van uw vriendschap,” zo zei hij, “vraagt Sauron u het volgende: dat u deze dief vindt en goedschiks of kwaadschiks, een kleine ring, de minste van de ringen, die hij eens gestolen heeft, van hem afpakt. Het is maar een kleinigheid waarop Sauron zijn zinnen heeft gezet, en een blijk van uw goede wil. Vind hem, en drie ringen, die de dwergheren vroeger bezaten, zullen u worden teruggegeven en het rijk Moria zal voor altijd het uwe zijn. Als u alleen maar nieuws omtrent de dief te weten komt, of hij nog leeft en waar, dan zullen u een grote beloning en de duurzame vriendschap van de Heer ten deel vallen. Weiger, en de dingen zullen er niet zo goed voor u uitzien. Weigert u?”

Hierop klonk zijn adem als het gesis van slangen, en allen die erbij waren huiverden, maar Dáin zei: “Ik zeg ja noch nee. Ik moet over deze boodschap nadenken en zien wat hij eigenlijk betekent.’

“Denk er goed over na, maar niet te lang,” zei hij.

“Het is aan mij om te denken zo lang ik wil,” antwoordde Dáin.

“Voorlopig althans,” zei hij en reed de duisternis in.

Zwaar te moede is het onze leiders sinds die avond geweest. Wij hadden de wrede stem van de boodschapper niet nodig om ons te waarschuwen dat zijn woorden zowel dreiging als misleiding inhielden, want wij wisten al dat de macht die weer in Mordor is teruggekeerd, niet veranderd is en ons als vanouds bedreigde. Twee keer is de boodschapper teruggekeerd en zonder antwoord vertrokken. De derde en laatste keer, zo zegt hij, zal spoedig komen, voor het einde van het jaar.

En daarom ben ik ten slotte door Dáin uitgezonden om Bilbo te waarschuwen dat de Vijand hem zoekt, en zo mogelijk te weten te komen, waarom hij deze ring, de minste van de ringen, begeert. Ook zijn wij zeer verlangend naar de raadgeving van Elrond. Want de Schaduw groeit en komt naderbij. We weten dat er ook boodschappers naar Koning Brand in Dal zijn gegaan, en dat hij bang is. Wij vrezen dat hij misschien zal zwichten. Er dreigt al oorlog aan de oostgrenzen van zijn land. Als wij geen antwoord geven, zal de Vijand misschien mensen onder zijn heerschappij ertoe brengen Koning Brand aan te vallen, en ook Dáin.’

‘U hebt er goed aan gedaan te komen,’ zei Elrond. ‘U zult vandaag alles horen wat u nodig hebt om de bedoelingen van de Vijand te begrijpen. Er is niets anders dat u kunt doen dan weerstand bieden, met of zonder hoop. Maar u staat niet alleen. U zult horen dat uw moeilijkheden slechts een onderdeel van de moeilijkheden van de hele westelijke wereld zijn. De Ring! Wat zullen we doen met de Ring, de minste van de ringen, het bagatel waar Sauron zijn zinnen op heeft gezet. Dat is het oordeel dat wij moeten vellen.

Dat is het doel, waartoe u hierheen geroepen bent. Geroepen, zeg ik, hoewel ik u, vreemdelingen uit verre landen, niet tot mij geroepen heb. U bent hier precies op tijd bijeengekomen, bij toeval naar het schijnt. Toch is dat niet zo. Geloof liever dat het zo is beschikt dat wij, die hier zitten, en niemand anders, nu raad moeten vinden voor het gevaar waarin de wereld verkeert.

Daarom zullen nu openlijk dingen worden besproken die tot op deze dag voor allen, op enkelen na, verborgen zijn geweest. En eerst, opdat allen mogen begrijpen wat het gevaar is, zal het verhaal van de Ring worden verteld van het begin tot aan dit ogenblik. En ik zal dat verhaal beginnen, hoewel anderen het zullen voltooien.’

Toen luisterden allen terwijl Elrond met zijn heldere stem sprak over Sauron en de Ringen van Macht, en hoe ze in de Tweede Era van de wereld, lang geleden, waren gesmeed. Sommige aanwezigen kenden een gedeelte van het verhaal, maar niemand kende het in zijn geheel, en vele ogen waren met angst en verbazing op Elrond gericht toen hij vertelde van de elfensmeden van Eregion en hun vriendschap met Moria, en hun dorst naar kennis, waardoor Sauron hen verstrikte. Want in die tijd was hij nog niet boosaardig van uiterlijk, en zij ontvingen zijn hulp en werden machtig in het ambacht, terwijl hij al hun geheimen te weten kwam en hen verried, en in het geheim in de Vuurberg de Ene Ring smeedde, die hun meester zou zijn. Maar Celebrimbor doorzag hem en verborg de Drie die hij had gemaakt; en er brak oorlog uit en het land werd verwoest, en de poort van Moria werd gesloten.

Daarna, in alle jaren die daarna kwamen, volgde hij het spoor van de Ring; maar omdat die geschiedenis elders wordt verteld, precies zoals Elrond haar zelf in zijn wijze boeken optekende, wordt er hier niet aan herinnerd. Want het is een lang verhaal, met vele grote en verschrikkelijke daden, en hoe beknopt Elrond ook sprak, de zon steeg aan de hemel en de ochtend was bijna om toen hij ophield.

Hij sprak over Númenor, zijn glorie en val, en de terugkeer van de koningen der mensen naar Midden-aarde uit de diepten van de Zee, gedragen op de vleugels van storm. Toen werden Elendil de Lange en zijn machtige zonen Isildur en Anárion grote heersers; het Noordelijke rijk vestigden zij in Arnor en het Zuidelijke rijk in Gondor boven de mondingen van de Anduin. Maar Sauron van Mordor viel hen aan, en zij sloten het Laatste Bondgenootschap van elfen en mensen, en de legers van Gil-galad en Elendil verzamelden zich in Arnor.

Daarna zweeg Elrond even en zuchtte. ‘Ik herinner me de pracht van hun banieren nog goed,’ zei hij. ‘Die deed mij denken aan de glorie van de Oudste Tijden en de legers van Beleriand, zoveel grote prinsen en aanvoerders waren er verzameld. Maar toch niet zo velen, en niet zo mooi als toen Thangorodrim werd verwoest en de elfen meenden dat er voorgoed een eind aan het kwaad was gekomen, hoewel dat niet zo was.’

‘Herinnert u zich dat?’ vroeg Frodo, terwijl hij tot zijn verbazing merkte dat hij zijn gedachten hardop uitsprak. ‘Maar ik dacht,’ stotterde hij, toen Elrond zich naar hem toe keerde, ‘ik dacht dat de val van Gil-galad heel lang geleden was.’

‘Dat is ook zo,’ antwoordde Elrond ernstig. ‘Maar mijn herinnering gaat zelfs tot de Oudste Tijden terug. Eärendil was mijn vader, die in Gondolin werd geboren voor dit viel; en mijn moeder was Elwing, de dochter van Dior, de zoon van Lúthien van Doriath. Ik heb drie Era’s in het westen van de wereld en vele nederlagen en vele vruchteloze overwinningen gezien.