Выбрать главу

Ik was de heraut van Gil-galad en trok met zijn leger op. Ik was bij de Slag van Dagorlad voor de Zwarte Poort van Mordor, waar wij de overhand hadden: want de Speer van Gil-galad en het Zwaard van Elendil, Aiglos en Narsil, kon niemand weerstaan. Ik zag de laatste slag op de hellingen van de Orodruin, waar Gil-galad stierf en Elendil sneuvelde en Narsil onder hem brak; maar Sauron zelf werd omvergeworpen en Isildur sneed de Ring van zijn hand met het gebroken heft van zijn vaders zwaard en eigende hem zich toe.’

Hierop viel de vreemdeling Boromir hem in de rede: ‘Dus dat is er van de Ring geworden!’ riep hij uit. ‘Zo een dergelijk verhaal ooit in het zuiden werd verteld, is het allang vergeten. Ik heb van de Grote Ring gehoord van hem wiens naam wij niet noemen; maar wij meenden dat hij bij de ondergang van zijn eerste rijk van de aardbodem verdween. Isildur nam hem dus! Dat is inderdaad nieuws.’

‘Ja, helaas,’ zei Elrond. ‘Isildur nam hem, hetgeen niet had behoren te gebeuren. Hij had toen in Orodruins vuur gegooid moeten worden, waar hij werd gemaakt. Maar weinigen bemerkten wat Isildur deed. Hij alleen stond zijn vader terzijde in die laatste dodelijke tweekamp, en Gil-galad werd slechts door Círdan en mij bijgestaan. Maar Isildur weigerde naar onze raad te luisteren.

“Dit zal ik nemen als weergeld voor mijn vader en mijn broeder,” zei hij; en daarom, of wij wilden of niet, nam hij hem om als schat te bewaren. Maar weldra veroorzaakte hij zijn dood; en daarom wordt hij in het noorden Isildurs Vloek genoemd. Toch was de dood misschien beter dan wat hem anders had kunnen overkomen. Deze berichten kwamen alleen naar het noorden en bereikten slechts enkelen. Daarom is het niet verwonderlijk dat u ze niet hebt gehoord, Boromir. Uit de verwoesting van de Irisvelden, waar Isildur omkwam, keerden slechts drie mannen ooit na lange omzwervingen over de bergen terug. Een van hen was Othar, Isildurs schildknaap, die de scherven van Elendils zwaard droeg; en hij bracht ze naar Valandil, de erfgenaam van Isildur die, omdat hij nog maar een kind was, hier in Rivendel was achtergebleven. Maar Narsil was gebroken en zijn licht gedoofd en het is nooit opnieuw gesmeed.

Noemde ik de overwinning van het Laatste Bondgenootschap vruchteloos? Niet helemaal, hoewel het doel niet werd bereikt.

Sauron was verzwakt, maar niet vernietigd. Zijn Ring was verloren, maar niet tenietgedaan. De Zwarte Toren was gebroken, maar de grondslagen ervan waren niet verwijderd, want zij waren met de macht van de Ring gemaakt en zolang die bestaat, zullen zij in stand blijven. Vele elfen en vele machtige mensen en velen van hun vrienden waren in de oorlog omgekomen. Anárion was gesneuveld en Isildur was gedood; en Gil-galad en Elendil waren niet langer. Nooit weer zal er een dergelijk bondgenootschap van elfen en mensen zijn; want de mensen vermenigvuldigen zich en de Eerstgeborenen nemen in aantal af, en de twee geslachten zijn van elkaar vervreemd. En van die dag af is het ras van Númenor in verval geraakt en de spanne van hun jaren is verminderd.

In het noorden waren na de oorlog en het bloedbad van de Irisvelden, de mensen van Westernisse in aantal verminderd, en hun stad Annúminas aan het Avondschemermeer was in verval geraakt; en de erfgenamen van Valandil trokken weg en gingen in Fornost wonen op de hoge Noorderheuvels, maar ook die zijn thans verlaten. De mensen noemen het de Dodemanswal en zijn bang daar te gaan. Want de bevolking van Arnor nam af en hun vijanden verslonden hen, en hun heerschappij ging verloren, alleen groene terpen op de grazige heuvels achterlatend.

In het zuiden hield het rijk van Gondor lang stand; en een tijdlang groeide zijn pracht, die enigszins aan de macht van Númenor deed denken, voor dit onderging. Hoge torens, die mensen bouwden, en sterke forten en havens voor vele schepen; en de gevleugelde kroon van de koningen der mensen boezemde lieden van vele talen ontzag in. Hun voornaamste stad was Osgiliath, de Citadel der Sterren, waar de Rivier dwars doorheen stroomde. En ook Minas Ithil bouwden zij, de Toren van de Wassende Maan, op een oostelijke helling van de Schaduwberg; en westelijk, aan de voet van de Witte Bergen bouwden ze Minas Anor, de Toren van de Ondergaande Zon. Daar in de tuinen van de Koning groeide een witte boom uit het zaad van de boom dat Isildur over de diepe wateren had meegebracht, en het zaad van die boom kwam uit Eressëa, en daarvoor uit het Uiterste Westen in de Tijd voor de dagen toen de wereld jong was.

Maar met het verstrijken van de vlugge jaren van Midden-aarde stierf de tak van Meneldil, zoon van Anárion, uit en de Boom verdorde, en het bloed van de Númenóreanen werd met dat van mindere mensen vermengd. Toen sliep de wacht op de muren van Mordor, en duistere dingen slopen terug naar Gorgoroth. En op een dag kwamen er boze wezens tevoorschijn en namen Minas Ithil in, woonden er en deden het in een stad van angst verkeren; het heet nu Minas Morgul, de Toren van Tovenarij. Toen werd Minas Anor herdoopt in Minas Tirith, de Toren van Waakzaamheid; en deze twee steden waren altijd met elkaar in oorlog, maar Osgiliath, dat ertussenin lag, was verlaten en te midden van haar bouwvallen waarden schimmen rond.

Zo is het vele mensengeslachten geweest. Maar de Heren van Minas Tirith vechten nog steeds voort, onze vijanden trotserend, en houden de doorgang van de Rivier van Argonath naar zee open. En nu loopt het gedeelte van het verhaal dat ik zal vertellen ten einde. Want in de tijd van Isildur verdween de Regerende Ring uit ieders herinnering, en de Drie werden van zijn heerschappij verlost. Maar nu, in deze latere tijd, zijn ze weer in gevaar, want tot ons verdriet is de Ene gevonden. Anderen zullen u van de vondst ervan verhalen, want daarin heb ik slechts een klein aandeel gehad.’

Hij zweeg, maar meteen stond Boromir voor hen op, rijzig en trots.

‘Sta mij toe, meester Elrond,’ zei hij, ‘om eerst meer over Gondor te vertellen; want, voorwaar, ik kom zelf uit het land Gondor. En het zou voor allen dienstig zijn te weten wat daar voorvalt. Want weinigen, neem ik aan, hebben van onze daden gehoord, en weten daarom weinig af van het gevaar waarin zij zouden verkeren als wij ten slotte zouden falen.

Geloof niet dat in het land van Gondor het bloed van Númenor is verdwenen, of al zijn trots en waardigheid vergeten. Door onze dapperheid worden de wilde volken uit het oosten nog altijd in toom en de verschrikking van Morgul op een afstand gehouden; en alleen op die manier blijven de vrede en de vrijheid in de landen achter ons, bolwerk van het westen, bewaard. Maar indien de oversteekplaatsen in de Rivier in hun handen zouden vallen, wat dan?

Ja, dat uur is misschien niet meer veraf. De Naamloze Vijand is weer opgestaan. Weer stijgt er rook op uit de Orodruin, die wij de Doemberg noemen. De macht van het Zwarte Land groeit en wij worden ernstig bedreigd. Toen de Vijand terugkeerde, werden onze mensen uit Ithilien, ons schone gebied ten oosten van de Rivier, verdreven, hoewel wij daar een steunpunt en een gewapende macht handhaafden. Maar dit jaar, in de dagen van juni, werden wij plotseling uit Mordor aangevallen, en wij werden weggevaagd. Wij stonden voor een overmacht, want Mordor heeft zich met de Oosterlingen en de wrede Haradrim verbonden; maar het was niet hun overmacht waardoor wij werden verslagen. Er was daar een macht aanwezig die wij nooit eerder hebben gevoeld. Sommigen zeiden dat hij zichtbaar was, als een grote Zwarte Ruiter, een donkere schaduw onder de maan. Waar hij zich vertoonde, werden onze vijanden met krankzinnigheid vervuld, maar de dappersten onder ons werden door vrees overvallen, zodat paard en man bezweken en vluchtten. Slechts een gedeelte van onze oostelijke strijdmacht keerde terug en verwoestte de laatste Brug die nog te midden van de ruïnes van Osgiliath overeind stond.

Ik was bij de compagnie die de Brug verdedigde, totdat zij achter ons instortte. Slechts vier konden zich zwemmende redden; mijn broer, ikzelf en twee anderen. Maar wij vechten nog steeds door en houden alle westelijke oevers van de Anduin bezet; en zij die achter ons schuilen, prijzen ons wanneer zij onze naam horen; grote lof maar weinig hulp. Alleen nog uit Rohan stuurt men ons manschappen als wij erom vragen.