Выбрать главу

‘Dat zal worden verteld,’ zei Elrond.

‘Maar nu nog niet, verzoek ik u, meester!’ zei Bilbo. ‘De zon klimt reeds naar haar hoogste stand en ik voel behoefte aan iets om mij te versterken.’

‘Ik had jou nog niet genoemd,’ zei Elrond glimlachend. ‘Maar dat doe ik dan nu. Kom! Vertel ons je verhaal. En als je je relaas nog niet in dichtvorm hebt gegoten, mag je het ook in gewone woorden vertellen. Hoe korter, hoe eerder je inwendige hobbit zal worden versterkt.’

‘Goed dan,’ zei Bilbo. ‘Ik zal doen wat u vraagt. Maar ik zal nu het ware verhaal vertellen, en als sommigen het mij anders hebben horen vertellen’ – hij keek Glóin van opzij aan – ‘vraag ik hun dat te vergeten en mij te vergeven. Ik wilde in die dagen de schat slechts als mijn eigendom opeisen en mij ontdoen van de naam van dief, die mij werd toegevoegd. Maar misschien begrijp ik de dingen nu een beetje beter. In ieder geval, dit is wat er is gebeurd.’

Voor sommigen was Bilbo’s verhaal helemaal nieuw, en ze luisterden er met verbazing naar, terwijl de oude hobbit, die feitelijk helemaal niet ontstemd was, zijn avontuur met Gollem in zijn geheel vertelde. Hij sloeg geen enkel raadsel over. Hij zou ook een verslag van zijn feest en verdwijning uit de Gouw hebben gedaan als hij zijn gang had mogen gaan, maar Elrond hief zijn hand op.

‘Goed verteld, mijn vriend,’ zei hij, ‘maar dat is voor deze keer genoeg. Voor het ogenblik is het voldoende te weten dat de Ring op Frodo, je erfgenaam, is overgegaan. Laat hem nu spreken!’

Daarna, minder gewillig dan Bilbo, vertelde Frodo al zijn ervaringen met de Ring, van de dag af dat hij aan hem werd toevertrouwd. Elke stap van zijn reis van Hobbitstee naar de Voorde van de Bruinen werd aan een ondervraging en bespreking onderworpen, en alles wat hij zich met betrekking tot de Zwarte Ruiters kon herinneren werd onderzocht. Ten slotte ging hij weer zitten.

‘Niet slecht,’ zei Bilbo tegen hem. ‘Je zou er een goed verhaal van hebben gemaakt als je niet voortdurend in de rede was gevallen. Ik heb geprobeerd een paar aantekeningen te maken, maar we zullen het allemaal nog eens moeten doornemen, als ik het moet opschrijven. Er is al genoeg stof voor hele hoofdstukken voordat je hier aankwam.’

‘Ja, het was een behoorlijk lang verhaal,’ zei Frodo. ‘Maar het schijnt mij toe dat het verhaal nog niet af is. Ik wil nog een heleboel meer weten, vooral over Gandalf.’

Galdor van de Havens, die dicht bij hen zat, hoorde wat hij zei. ‘U spreekt ook namens mij,’ riep hij uit, en zich tot Elrond wendend, zei hij: ‘De Wijzen hebben misschien een goede reden om aan te nemen dat de schat van de halfling inderdaad de veelbesproken Grote Ring is, hoe onwaarschijnlijk dat ook hun die minder weten, moge schijnen. Maar mogen wij de bewijzen niet vernemen? En ik zou ook dit willen vragen. Hoe zit het met Saruman? Hij is een groot geleerde op het gebied van de Ringen, maar toch hij is niet in ons midden. Welke is zijn raad – als hem de dingen bekend zijn die wij hebben gehoord?’

‘De vragen die u stelt, Galdor, staan met elkaar in verband,’ zei Elrond. ‘Ik had ze niet over het hoofd gezien, en ze zullen worden beantwoord. Maar het is aan Gandalf om deze dingen op te helderen; en ik doe het laatste een beroep op hem, want hem komt de ereplaats toe; in deze hele aangelegenheid is hij de voornaamste persoon geweest.’

‘Sommigen, Galdor,’ zei Gandalf, ‘zouden het nieuws van Glóin en de achtervolging van Frodo al voldoende bewijs vinden dat de Schat van de halfling een voorwerp van grote waarde voor de Vijand is. Toch is het een ring. Wat dan? De Negen zijn in het bezit van de Nazgûl. De Zeven zijn zoek of vernietigd.’

Hierop bewoog Glóin zich onrustig, maar zei niets. ‘Van de Drie weten wij alles af. Welke is dan deze die hij zo fel begeert?

Er ligt inderdaad een groot tijdsverloop tussen de Rivier en de Berg, tussen het verloren gaan en het vinden. Maar het hiaat in de kennis van de Wijzen is ten slotte gevuld. Te langzaam echter, want de Vijand is er vlakbij geweest, nog dichter dan ik vreesde. En het is maar goed dat hij pas dit jaar, deze zomer naar het schijnt, de volle waarheid te weten is gekomen.

Sommigen van u hier zullen zich herinneren dat ik het vele jaren geleden heb gewaagd de deuren van de Zwarte Tovenaar in Dol Guldur door te gaan, en zijn gangen in het geheim heb nagespeurd, en zodoende ontdekte dat onze vrees gegrond was: hij was niemand anders dan Sauron, vanouds onze Vijand, die eindelijk weer vorm en macht begon te krijgen. Sommigen zullen zich ook herinneren dat Saruman ons heeft afgeraden openlijk iets tegen hem te ondernemen, en lange tijd hebben wij hem slechts in de gaten gehouden. Maar ten slotte, toen zijn schaduw groter werd, zwichtte Saruman en de Raad wendde zijn kracht aan en dreef het kwaad uit het Demsterwold, en dat was hetzelfde jaar waarin deze Ring werd gevonden – een vreemd toeval, zo het toeval was. Maar wij waren te laat, zoals Elrond voorzag. Sauron had ons ook in het oog gehouden, en had zich lang op onze zet voorbereid terwijl hij Mordor uit de verte regeerde door middel van Minas Morgul waar zijn Negen Dienaren verbleven, totdat alles in gereedheid was. Toen week hij voor ons, hoewel hij slechts voorwendde te vluchten, en kwam spoedig daarna bij de Donkere Toren en vertoonde zich openlijk. Toen vergaderde de Raad voor de laatste keer; want nu vernamen wij dat hij begeriger dan ooit naar de Ene zocht. Wij vreesden toen dat hij er nieuws over had waar wij niets van af wisten. Maar Saruman ontkende dat, en herhaalde wat hij ons al eerder had gezegd: dat de Ene nooit meer in Midden-aarde zou worden teruggevonden.

“In het ergste geval,” zei hij, “weet onze Vijand dat wij hem niet hebben en dat hij nog altijd verloren is. Maar wat verloren is gegaan, kan nog worden teruggevonden, denkt hij. Vrees niet! Zijn hoop zal hem bedriegen. Heb ik deze zaak niet ernstig bestudeerd? Hij is in Anduin de Grote gevallen; en lang geleden, terwijl Sauron sliep, werd hij door de Rivier naar Zee gespoeld. Laat hem daar rusten tot het Einde.”’

Gandalf zweeg en staarde van de loggia naar het oosten, naar de verre toppen van de Nevelbergen aan de grondvesten waarvan het gevaar voor de wereld zo lang verborgen had gelegen. Hij zuchtte.

‘Daar heb ik een fout begaan,’ zei hij. ‘Ik was in slaap gewiegd door de woorden van Saruman de Wijze, maar ik had eerder naar de waarheid moeten zoeken, dan zou het gevaar nu minder groot zijn geweest.’

‘Wij hebben ons allen vergist,’ zei Elrond, ‘en het is alleen aan jouw waakzaamheid te danken dat de Duisternis al niet over ons is gekomen. Maar ga verder.’

‘Vanaf het eerste ogenblik was er een bang voorgevoel in mijn hart, tegen alle rede, die ik kende, in,’ zei Gandalf, ‘en ik wilde weten hoe Gollem dit voorwerp in zijn bezit had gekregen, en hoelang hij het had bezeten. Dus liet ik goed naar hem uitkijken, vermoedend dat hij eerlang uit zijn duisternis tevoorschijn zou komen om zijn kleinood te zoeken. Hij kwam inderdaad, maar ontvluchtte en werd niet gevonden. En toen, helaas, liet ik de zaak rusten en wachtte en waakte alleen maar, zoals wij te vaak hebben gedaan.

De tijd verstreek met vele zorgen, totdat mijn twijfels plotseling weer in angst omsloegen. Waar kwam de Ring van de hobbit vandaan? En wat, als mijn vrees gegrond was, moest ermee gebeuren?

Dat alles was aan mij om te beslissen. Maar ik gewaagde tegen niemand van mijn vrees, omdat ik het gevaar van een ontijdig gerucht kende als verkeerde oren het zouden horen. In al de lange oorlogen met de Donkere Toren is verraad altijd onze grootste vijand geweest.

Dat was zeventien jaar geleden. Weldra bemerkte ik dat vele soorten spionnen, zelfs beesten en vogels, om de Gouw waren verzameld, en mijn angst nam toe. Ik riep de hulp van de Dúnedain in, en hun wacht werd verdubbeld; en ik stortte mijn hart uit bij Aragorn, de erfgenaam van Isildur.’