Выбрать главу

‘En ik,’ zei Aragorn, ‘ried aan om Gollem op te sporen, hoewel het misschien te laat leek. En omdat het niet meer dan oorbaar scheen dat Isildurs erfgenaam zich zou inspannen om Isildurs fout te herstellen, ging ik met Gandalf mee op de lange hopeloze speurtocht.’ Toen beschreef Gandalf hoe ze heel Wilderland hadden afgezocht, helemaal tot aan de Schaduwbergen en de omheiningen van Mordor. ‘Daar hoorden we geruchten over hem, en we vermoedden dat hij daar lang in de donkere heuvels had vertoefd; maar we vonden hem niet, en ten slotte gaf ik de moed op. Toen, in mijn wanhoop, dacht ik weer aan een proef die het wellicht onnodig zou maken om Gollem te vinden. De Ring zelf zou kunnen vertellen of hij de Ene was. De herinnering aan woorden tijdens de Raad gesproken kwamen in mijn geest terug: woorden van Saruman, waar ik toentertijd slechts met een half oor naar had geluisterd. Ik hoorde ze nu duidelijk in mijn hart.

“De Negen, de Zeven, en de Drie,” zei hij, “hadden elk hun eigen sieraad. De Ene echter niet. Die was rond en zonder enig versiersel, alsof hij een van de mindere ringen was; maar zijn maker bracht er tekens op aan die de geoefenden misschien konden zien en lezen.”

Wat die tekens waren, had hij niet gezegd. Wie zou dat nu nog weten?

De maker. En Saruman? Want hoe groot zijn kennis ook moge zijn, zij moet een bron hebben. Wie anders dan Sauron zelf had dit voorwerp in handen gehad voor het verloren ging? Alleen Isildur.

Met die gedachte gaf ik de achtervolging op en begaf mij snel naar Gondor. In vroegere tijden waren de leden van mijn orde daar goed ontvangen, maar vooral Saruman. Vaak was hij lange tijd de gast geweest van de Heren van de Stad. Heer Denethor ontving mij minder hartelijk dan vroeger en stond mij node toe om in zijn perkamentrollen en boeken te snuffelen.

“Als u werkelijk, zoals u zegt, slechts naar annalen van oude tijden en het begin van de Stad zoekt, lees dan maar,” zei hij, “want mij is datgene wat is geweest minder duister dan wat er komen gaat, en dat baart mij zorg. Maar tenzij u nog geleerder bent dan Saruman, die hier lang heeft gestudeerd, zult u niets vinden dat ook mij niet bekend is, meester in de kennis van deze Stad.”

Aldus sprak Denethor. En toch bevinden zich tussen zijn schatten vele annalen die tegenwoordig weinigen kunnen lezen, zelfs de geleerden niet, want hun schrifturen en talen zijn de latere mensen duister geworden. En, Boromir, er ligt in Minas Tirith nog, ongelezen denk ik, behalve door Saruman en mijzelf sinds de Koningen faalden, een geschrift dat Isildur zelf heeft vervaardigd. Want Isildur is niet meteen van de oorlog in Mordor weggemarcheerd, zoals sommigen hebben verteld.’

‘Sommigen in het noorden misschien,’ viel Boromir hem in de rede. ‘In Gondor weet iedereen dat hij eerst naar Minas Anor is gegaan en een tijd bij zijn neef Meneldil heeft gewoond, hem onderwijzend, voordat hij hem de nieuwe regering van het Zuidelijk Koninkrijk toevertrouwde. In die tijd plantte hij daar de laatste loot van de Witte Boom, ter nagedachtenis aan zijn broer.’

‘Maar in die tijd vervaardigde hij ook dit geschrift,’ zei Gandalf, ‘en dat herinnert men zich blijkbaar niet in Gondor. Want deze perkamentrol heeft betrekking op de Ring, en Isildur schreef daar als volgt in:

De Grote Ring zal thans heengaan om een erfstuk te worden van het Noordelijk Koninkrijk; maar boekstavingen ervan zullen in Gondor worden achtergelaten, waar ook de erfgenamen van Elendil verblijven, opdat er niet een tijd zal komen waarin de herinnering aan deze belangrijke zaken zal vervagen.

En na deze woorden beschreef Isildur de Ring, zoals hij hem had gevonden.

Hij was heet toen ik hem eerst oppakte, heet als een gloeiende sintel, en mijn hand werd verschroeid, zodat ik betwijfel of ik ooit weer vrij zal zijn van de pijn ervan. Maar terwijl ik dit schrijf, koelt hij af, en hij schijnt te krimpen, hoewel hij noch zijn schoonheid noch zijn vorm verliest. Het schrift erop, dat eerst helder scheen als een rode vlam, vervaagt al en is nu nauwelijks meer te lezen. Het heeft de vorm van het elfenschrift van Eregion, want men heeft in Mordor geen letters voor zulk fijn werk; maar de taal is mij onbekend. Ik veronderstel dat het een taal van het Zwarte Land is, want het is laag en gemeen. Welk kwaad het verkondigt weet ik niet; maar ik maak er hier een afschrift van, opdat het niet voorgoed vervaagt. De Ring mist, wellicht, de hitte van Saurons hand, die zwart was en toch brandde als vuur, en zo werd Gil-galad gedood; en misschien dat het schrift, als het goud weer warm werd gemaakt, zou herleven. Maar wat mij betreft, ik wil het niet wagen dit voorwerp schade te berokkenen; van alle werken van Sauron het enige mooie. Het is mij lief hoewel ik het met grote pijn bekoop.

Toen ik deze woorden las, was mijn queeste ten einde. Want het gekopieerde schrift was inderdaad, zoals Isildur vermoedde, in de taal van Mordor en de Dienaren van de Toren. En wat dit inhield was al bekend. Want op de dag dat Sauron de Ene voor het eerst omdeed, was Celebrimbor, de maker van de Drie, hem gewaargeworden, en hoorde hem van verre deze woorden spreken, en zo werden zijn kwade bedoelingen geopenbaard.

Onmiddellijk nam ik afscheid van Denethor, maar terwijl ik naar het noorden ging, bereikten mij berichten uit Lórien dat Aragorn daardoor was gekomen en dat hij het schepsel dat Gollem werd genoemd, had gevonden. Daarom besloot ik hem eerst tegemoet te reizen en zijn verhaal aan te horen. Ik durfde er niet aan te denken in welke dodelijke gevaren hij zich alleen had begeven.’

‘Het is ook niet nodig erover te spreken,’ zei Aragorn. ‘Als een mens in het gezicht van de Zwarte Poort moet gaan, of op de dodelijke bloemen van het Morguldal moet trappen, dan loopt hij gevaar. Ik wanhoopte op het laatst ook en ik aanvaardde de thuisreis. Maar toen vond ik door louter toeval plotseling wat ik zocht: de afdrukken van zachte voeten naast een modderige poel. Maar nu was het spoor vers en vluchtig en het leidde niet naar Mordor, maar in tegengestelde richting. Ik volgde het langs de randen van de Dode Moerassen en toen kreeg ik hem te pakken. Terwijl hij bij een stilstaande poel schuilde en in het water staarde terwijl de donkere nacht viel, greep ik hem, Gollem. Hij was met groen slijm overdekt. Hij zal nooit van mij houden, vrees ik; want hij beet me en ik was niet zachtzinnig. Ik heb nooit meer uit zijn mond gekregen dan de afdrukken van zijn tanden. Dat vond ik het ergste gedeelte van heel mijn reis, de terugweg, waarop ik hem dag en nacht moest bewaken en voor mij uit doen lopen met een halter op zijn nek gebonden, gekneveld, totdat hij getemd was door gebrek aan water en eten, hem steeds voor mij uitdrijvend naar het Demsterwold. Ten slotte kwam ik daar aan en droeg hem over aan de elfen, want wij hadden afgesproken dat dit zou gebeuren; en ik was blij van zijn gezelschap verlost te zijn, want hij stonk. Wat mij betreft, hoop ik hem nooit weer onder ogen te krijgen; maar Gandalf kwam en heeft lang met hem gesproken.’

‘Ja, lang en vermoeiend was het,’ zei Gandalf, ‘maar niet zonder nut. In de eerste plaats stemde het verhaal dat hij over zijn verlies vertelde overeen met dat wat Bilbo nu voor het eerst in het openbaar heeft verteld, maar dat was niet zo belangrijk, want ik had het al vermoed. Maar ik kreeg toen voor het eerst te horen dat Gollems Ring uit de Grote Rivier kwam vlak bij de Irisvelden. En ik kreeg ook te horen dat hij hem lang had bezeten. Veel levens van zijn kleine soort. De macht van de Ring had zijn jaren ver boven zijn tijdsspanne verlengd: maar die macht oefenen alleen de grote ringen uit.

En als dat nog niet voldoende bewijs is, Galdor, is er de andere proef waarvan ik sprak. Op dezelfde Ring die u hier omhoog hebt zien houden, rond en zonder versiering, staan de letters waarvan Isildur gewaagde te lezen, indien men de wilskracht heeft om het gouden sieraad een tijdje in het vuur te houden. Dat heb ik gedaan en dit is wat ik heb gelezen:

ASH NAZG DURBATULÛK, ASH NAZG GIMBATUL, ASH NAZG THRAKATALÛK, AGH BURZUM-ISHI KRIMPATUL.’