Выбрать главу

De verandering in de stem van de tovenaar was verbazingwekkend.

Plotseling werd zij dreigend, krachtig en ruw als steen. Er scheen een schaduw langs de hoge zon te trekken en de loggia werd een ogenblik donker. Allen beefden en de elfen stopten hun vingers in de oren.

‘Nog nooit eerder heeft een stem woorden in die taal in Imladris durven spreken, Gandalf de Grijze,’ zei Elrond, toen de schaduw voorbijtrok en het gezelschap weer herademde.

‘En laat ons hopen dat geen hier die ooit weer zal spreken,’ zei Gandalf. ‘Niettemin vraag ik u niet om vergiffenis, meester Elrond. Want als die taal niet spoedig in elke uithoek van het Westen zal worden gehoord, laat ons dan alle twijfel opzij zetten dat dit voorwerp werkelijk is wat de Wijzen hebben verklaard: de schat van de Vijand, gemaakt met al zijn boosaardigheid; en er ligt een groot deel van zijn vroegere kracht in. Uit de Zwarte Jaren komen de woorden die de Smeden van Eregion hoorden, en wisten dat zij waren verraden:

Eén Ring om allen te regeren, Eén Ring om hen te vinden, Eén Ring om hen te brengen en in de duisternis te binden.

En weet ook, vrienden, dat ik nog meer van Gollem te weten ben gekomen. Hij was ongenegen te spreken en zijn verhaal was onduidelijk, maar het is boven alle twijfel verheven dat hij naar Mordor is gegaan en daar werd gedwongen alles te vertellen wat hij wist. Op die manier weet de Vijand nu dat de Ene is gevonden, dat hij lang in de Gouw is geweest; en omdat zijn dienaren hem bijna tot aan onze drempel hebben achtervolgd, zal hij weldra weten, zo hij het al niet weet, dat wij hem hier hebben.’

Allen bleven een tijdje zwijgend zitten, tot Boromir eindelijk sprak. ‘Hij is een klein wezen, zegt u, deze Gollem? Klein, maar groot in het kwaad. Wat is er van hem geworden? Welk lot hebt u hem doen ondergaan?’

‘Hij zit gevangen, erger niet,’ zei Aragorn. ‘Hij had veel geleden. Er is geen twijfel aan dat hij werd gekweld, en de vrees voor Sauron ligt zwaar op zijn hart. Maar ik voor mij ben blij dat hij veilig door de waakzame elfen van het Demsterwold wordt vastgehouden. Zijn boosaardigheid is groot en geeft hem een kracht die men nauwelijks voor mogelijk houdt bij een zo mager en verschrompeld schepsel. Hij zou nog veel kwaad kunnen doen, als hij vrij was. En ik twijfel er niet aan dat hij Mordor mocht verlaten om een boze opdracht te vervullen.’

‘Helaas, helaas!’ riep Legolas uit, en grote bezorgdheid stond op zijn mooie elfengezicht te lezen. ‘Het nieuws waarmee ik hierheen ben gezonden, moet nu worden verteld. Het is niet gunstig, vooral nu ik zojuist heb gehoord hoe kwaad het dit gezelschap wel moet voorkomen. Sméagol, die nu Gollem wordt genoemd, is ontsnapt.’

‘Ontsnapt?’ riep Aragorn uit. ‘Dat is inderdaad slecht nieuws. We zullen het allen bitter berouwen, vrees ik. Hoe is het gekomen dat het volk van Thranduil het vertrouwen heeft beschaamd?’

‘Niet door gebrek aan waakzaamheid,’ zei Legolas, ‘maar misschien door te grote vriendelijkheid. En wij vrezen dat de gevangene hulp van anderen heeft gehad, en dat meer van ons doen en laten bekend is dan ons lief is. Wij bewaakten dit schepsel dag en nacht, op Gandalfs verzoek, hoezeer wij die taak ook moe werden. Maar Gandalf vroeg ons op zijn genezing te blijven hopen, en wij hadden de moed niet hem voor altijd in kerkers onder de aarde te houden, waar hij weer in zijn oude duistere gedachten zou vervallen.’

‘Jullie waren minder zachtzinnig met mij,’ zei Glóin met flitsende blik toen oude herinneringen aan zijn gevangenschap in de diepe gewelven van de kastelen van de elfenkoningen wakker werden geroepen.

‘Kom nu,’ zei Gandalf. ‘Val hem alsjeblieft niet in de rede, waarde Glóin. Dat was een betreurenswaardig misverstand, dat lang geleden is rechtgezet. Indien alle grieven tussen elfen en dwergen hier worden opgerakeld, kunnen wij deze Raad wel opheffen.’

Glóin stond op en boog, en Legolas vervolgde: ‘In de tijd dat het mooi weer was, leidden we Gollem door de bossen, en er stond een eenzame hoge boom ver van de andere waar hij graag in klom. Wij lieten hem vaak in de hoogste takken klimmen tot hij de vrije wind kon voelen; maar wij posteerden een schildwacht aan de voet van de boom. Op een dag weigerde hij naar beneden te komen, en de bewakers hadden er geen zin in hem achterna te klimmen: hij had het kunstje geleerd om zowel met zijn voeten als met zijn handen aan de takken te hangen; zodoende zaten ze tot diep in de nacht bij de boom.

Op diezelfde zomernacht, hoewel er geen maan en sterren schenen, overvielen de orks ons. Na verloop van tijd verdreven wij hen; zij waren met velen en fel, maar ze kwamen van over de bergen en waren niet aan de bossen gewend. Toen de slag voorbij was, merkten we dat Gollem was verdwenen, en zijn bewakers waren gedood of gevangengenomen. Toen was het ons duidelijk dat de overval was uitgevoerd om hem te redden, en dat hij er van tevoren van wist. Hoe dat was beraamd, weten wij niet; maar Gollem is sluw en de Vijand heeft vele spionnen. De donkere dingen die werden verjaagd in het jaar van de val van de draak, zijn in groteren getale teruggekeerd, en het Demsterwold is opnieuw een boos oord, behalve waar ons rijk is gehandhaafd.

We zijn er niet in geslaagd Gollem opnieuw gevangen te nemen. We hebben zijn spoor te midden van dat van vele orks gevonden, het liep tot diep in het Woud, in zuidelijke richting. Maar weldra raakten wij het spoor bijster en durfden de jacht niet voort te zetten, want wij naderden Dol Guldur, en dat is nog altijd een zeer boze plaats; wij gaan die kant niet uit.’

‘Zo, zo, dus hij is ontsnapt,’ zei Gandalf. ‘We hebben geen tijd om hem opnieuw te zoeken. Hij moet maar doen wat hij wil. Maar hij zou nog wel eens een rol kunnen spelen die hij noch Sauron heeft voorzien.

En nu zal ik Galdors andere vragen beantwoorden. Hoe zit het met Saruman? Welk nut hebben zijn raadgevingen voor ons in deze nood? Dit verhaal moet ik volledig vertellen, want tot op heden heeft alleen Elrond het gehoord, en wel heel beknopt; maar het staat in nauw verband met alles wat wij moeten besluiten. Het is het laatste hoofdstuk in het Verhaal over de Ring, tot nu toe.

Aan het einde van juni was ik in de Gouw, maar grote bezorgdheid bewolkte mijn geest, en ik reed naar de zuidelijke grenzen van het kleine land, want ik had een voorgevoel dat er gevaar dreigde, dat nog voor mij verborgen was, maar naderbij kwam. Daar bereikten mij berichten over oorlog en een nederlaag in Gondor, en toen ik van de Zwarte Schaduw hoorde, verkilde mijn hart. Maar ik vond er niets, behalve enkele vluchtelingen uit het zuiden; toch kwam het mij voor dat zij een vrees koesterden waarover zij niet wilden spreken. Ik ging daarna naar het oosten en noorden en trok langs de Groeneweg; en niet ver van Breeg ontmoette ik een reiziger die in een berm langs de weg zat, terwijl zijn paard naast hem graasde.

Het was Radagast de Bruine, die indertijd in Rhosgobel, aan de rand van het Demsterwold, woonde. Hij behoort tot mijn orde, maar ik had hem vele jaren niet gezien.

“Gandalf!” riep hij uit. “Ik zocht je. Maar ik ben vreemd in deze contreien. Het enige dat ik wist, was dat je te vinden was in een wild gebied met de zonderlinge naam Gouw.”

“Je inlichtingen waren juist,” zei ik. “Maar zeg dat maar niet als je een van de inwoners tegenkomt. Je bent nu dicht bij de grenzen van de Gouw. En wat wil je van me? Het moet wel dringend zijn. Je bent nooit een groot reiziger geweest, tenzij gedreven door grote noodzaak.”

“Ik heb een dringende boodschap,” zei hij. “Ik heb slecht nieuws.”

Toen keek hij om zich heen alsof de heggen oren hadden.

“Nazgûl,” fluisterde hij. “De Negen zijn weer op pad. Ze zijn in het geheim de rivier overgestoken en trekken westwaarts. Ze hebben de vermomming van ruiters in het zwart aangenomen.”

Ik wist toen wat ik ongeweten had gevreesd.

“De Vijand moet een of andere dringende reden of doel hebben,” zei Radagast, “maar wat hij in deze afgelegen, troosteloze contreien zoekt weet ik niet.”