Выбрать главу

“Wat bedoel je?” vroeg ik.

“Men heeft mij verteld dat de Ruiters overal waar zij gaan, om nieuws vragen omtrent een land, Gouw genaamd.”

De Gouw,” zei ik, maar de moed zonk me in de schoenen. Want zelfs de Wijzen kunnen bang zijn om de Negen te weerstaan wanneer ze onder hun wrede aanvoerder zijn verzameld. Vroeger was hij een grote Koning en tovenaar, maar nu gaat er een dodelijke verschrikking van hem uit. “Wie heeft je dat verteld en wie heeft je gestuurd?” vroeg ik.

“Saruman de Witte,” antwoordde Radagast. “En hij heeft mij ook opgedragen te zeggen dat hij je zal helpen als je daar behoefte aan hebt, maar je moet zijn hulp onmiddellijk inroepen, want anders zal het te laat zijn.”

En die boodschap gaf mij hoop. Want Saruman de Witte is de grootste van mijn orde. Radagast is natuurlijk een eerbiedwaardige tovenaar, een meester op het gebied van vormen en kleurveranderingen; en hij bezit een zeer grote kennis van kruiden en dieren; vooral vogels zijn z’n vrienden. Maar Saruman heeft lange tijd de kunsten van de Vijand zelf bestudeerd en zodoende zijn we vaak in staat geweest hem voor te zijn. Het was door de kunstgrepen van Saruman dat wij hem uit Dol Guldur verdreven. Het kon zijn dat hij enkele wapens had gevonden die de Negen zouden verdrijven.

“Ik zal naar Saruman gaan,” zei ik.

“Dan moet je meteen gaan,” zei Radagast, “want ik heb tijd verspild met je te zoeken, en er is niet veel tijd meer. Ik had opdracht je voor Midzomer te vinden, en die is thans aangebroken. Zelfs als je van hieruit op weg gaat, zul je hem ternauwernood bereiken voor de Negen het land ontdekken dat zij zoeken. Ikzelf zal onmiddellijk terugkeren.’

’ Daarop besteeg hij zijn paard en zou meteen zijn weggereden.

“Wacht even!” riep ik. “We zullen je hulp nodig hebben, en de hulp van alles en iedereen die haar wil geven. Stuur boodschappen naar alle dieren en vogels die je vrienden zijn. Zeg hun nieuws over alles wat hiermee verband houdt, naar Saruman en Gandalf te brengen. Laat boodschappen naar Orthanc zenden.”

“Dat zal ik doen,” zei hij en reed weg alsof de Negen hem op de hielen zaten.

Ik kon hem op dat ogenblik en die plaats niet volgen. Ik had die dag al heel ver gereden, en ik was even vermoeid als mijn paard; en ik moest over alles nadenken. Ik bleef die nacht in Breeg en kwam tot de slotsom dat ik geen tijd had om naar de Gouw terug te keren. Nooit heb ik een grotere fout begaan!

Ik schreef echter een boodschap aan Frodo en vertrouwde erop dat mijn vriend de herbergier haar zou doorzenden. Bij het ochtendkrieken reed ik weg en eindelijk bereikte ik de woonplaats van Saruman. Die bevindt zich ver in het zuiden, in Isengard, aan het einde van de Nevelbergen, niet ver van de Kloof van Rohan. En Boromir zal kunnen vertellen dat het een grote open vallei is, die ligt tussen de Nevelbergen en de meest noordelijke heuvels aan de voet van de Ered Nimrais, de Witte Bergen, waar hij woont. Maar Isengard ligt in een kring van steile rotsen, die een dal als een muur omgeven, en midden in dat dal staat een stenen toren, Orthanc genaamd. Die werd niet door Saruman gemaakt, maar door de mensen van Númenor, lang geleden; en hij is heel hoog en herbergt vele geheimen; toch ziet hij er niet uit alsof hij door handen is gemaakt. Men kan hem alleen bereiken door de kring van Isengard door te gaan; en in die kring bevindt zich slechts één poort.

Op een avond laat kwam ik bij de poort, als een grote boog in de rotsmuur en zij werd zwaar bewaakt. Maar de poortwachters keken naar mij uit en zeiden dat Saruman mij verwachtte. Ik reed onder de boog door, de poort sloot zich geruisloos achter mij, en plotseling werd ik bang, hoewel ik niet wist waarom.

Maar ik reed door naar de voet van Orthanc, en kwam bij de trap van Saruman; hij stond daar op mij te wachten en leidde mij naar zijn hoge kamer. Hij droeg een ring aan zijn vinger.

“Je bent dus gekomen, Gandalf,” zei hij ernstig tegen mij, maar in zijn ogen scheen een wit licht alsof hij in zijn hart ijzig lachte.

“Ja, ik ben gekomen,” zei ik. “Ik ben gekomen om je hulp in te roepen, Saruman de Witte.” En die benaming scheen hem kwaad te maken.

“Zo werkelijk, Gandalf de Grijze!” spotte hij. “Om hulp? Men heeft zelden gehoord dat Gandalf de Grijze hulp zocht, iemand die zo slim en wijs is, door de landen zwerft en zich met alles bemoeit, of het hem aangaat of niet.”

Ik keek hem aan en verbaasde mij. “Maar als ik mij niet vergis,” zei ik, “gebeuren er nu dingen die de vereniging van al onze krachten vereisen.”

“Dat kan wel zijn,” zei hij, “maar je bent wel wat laat op die gedachte gekomen. Ik vraag me af hoelang je voor mij, het hoofd van de Raad, een zaak van het allergrootste belang verborgen hebt gehouden? Wat voert je nu hier van je schuilplaats in de Gouw?”

“De Negen zijn weer gesignaleerd,” zei ik. “Ze zijn de Rivier overgestoken.

Dat heeft Radagast mij verteld.”

“Radagast de Bruine!” zei Saruman spottend, en verborg zijn minachting niet langer. “Radagast de Vogeltemmer. Radagast de Domme! Radagast de Dwaas! Maar hij had toch genoeg verstand om de rol te spelen die ik hem voorschreef. Want jij bent gekomen, en dat was het enige doel van mijn boodschap. En hier zul je blijven, Gandalf de Grijze, om van je reizen uit te rusten. Want ik ben Saruman de Wijze, Saruman de Ringmaker, Saruman van Vele Kleuren!”

Ik keek toen en zag dat zijn kleren, die wit hadden geschenen, dat niet waren, maar uit alle kleuren waren geweven; en wanneer hij zich bewoog schitterden zij en veranderden van glans, zodat het oog werd verbijsterd.

“Ik vond het wit mooier,” zei ik.

“Wit!” snierde hij. “Dat is goed om mee te beginnen. Witte stof kan worden geverfd; de witte bladzijde kan worden beschreven, en het witte licht kan worden gebroken.”

“In welk geval het niet langer wit is,” zei ik. “En hij die iets breekt om te zien wat het is, heeft het pad van de wijsheid verlaten.”

“Je hoeft tegen mij niet te spreken alsof ik een van de dwazen ben die jij tot vrienden neemt,” zei hij. “Ik heb je niet hierheen gebracht om mij de les te lezen, maar om je voor een keuze te stellen.”

Hij kwam toen dicht bij mij staan en begon te declameren, alsof hij een redevoering hield die hij lang had ingestudeerd.

“De Oudste Tijden zijn voorbij. De Midden-tijden lopen ten einde. De Jongste Tijden beginnen. De tijd van de elfen is voorbij, maar onze tijd is ophanden: de wereld van mensen die wij moeten regeren. Maar wij moeten macht hebben, macht om alles naar eigen wil te besturen, voor het heil dat alleen de Wijzen kunnen zien. En luister, Gandalf, mijn oude vriend en helper!” zei hij, en kwam nog dichter bij mij staan en sprak nu met nog zachtere stem. “Ik zei wij, want wij zullen het doen, als je mij wilt bijstaan. Een nieuwe Macht is in opkomst. Daartegen zullen de oude bondgenoten en politiek ons niet baten. Er is geen hoop meer voor de elfen of het stervende Númenor. Dit is daarom één keus voor jou, voor ons. Wij kunnen ons bij die Macht aansluiten. Het zou wijs zijn, Gandalf. Er is hoop op die manier. Zijn overwinning is nabij en groot zal de beloning zijn voor hen die hebben meegeholpen. Naarmate de Macht groeit, zullen zijn bewezen vrienden ook groeien; en Wijzen zoals jij en ik zullen met geduld wellicht ten slotte haar richting kunnen bepalen, leiden. Wij kunnen onze tijd beiden, wij kunnen onze gedachten voor ons houden, wellicht het kwaad betreurend dat terloops wordt aangericht, maar het uiteindelijke hoge doel goedkeurend: Kennis, Heerschappij, Orde; alle dingen die wij tot dusverre tevergeefs hebben nagestreefd, gehinderd, in plaats van geholpen, door onze zwakke of luie vrienden. Er hoeft geen enkele werkelijke verandering in onze plannen te komen, alleen in onze middelen.”

“Saruman,” zei ik, “ik heb dergelijke toespraken eerder gehoord, maar alleen uit de monden van afgezanten uit Mordor, gestuurd om de onwetenden te bedriegen. Ik kan niet geloven dat je mij van zo ver hebt laten komen, alleen om mijn oren te vermoeien.”