Hij keek mij van terzijde aan en zweeg een poosje terwijl hij nadacht. “Welnu, ik zie dat deze wijze gedragslijn je niet aanspreekt,”zei hij. “Nóg niet? Niet als er een betere manier kan worden gevonden?”
Hij kwam naar me toe en legde zijn lange hand op mijn arm. “En waarom niet, Gandalf?” fluisterde hij. “Waarom niet? De Regerende Ring? Indien wij die beheersten, zou de macht op ons overgaan. Dat is de ware reden waarom ik je hier heb laten komen. Want ik heb vele ogen in mijn dienst en ik geloof dat jij weet waar dat kostbare kleinood zich nu bevindt. Is dat niet zo? Waarom vragen de Negen anders naar de Gouw, en wat heb jij daar te maken?” Toen hij dit zei kwam er plotseling een onbedwingbaar verlangen in zijn ogen, dat hij niet kon verbergen.
“Saruman,” zei ik, terwijl ik van hem wegliep, “slechts één hand tegelijk kan de Ene bezitten, dus bespaar je de moeite om wij te zeggen!
Maar ik zou hem niet geven; nee, ik zou je er zelfs geen inlichtingen over geven, nu ik weet wat je van plan bent. Je was het hoofd van de Raad, maar je hebt jezelf eindelijk ontmaskerd. Welnu, ik heb blijkbaar de keus mij aan Sauron te onderwerpen, of aan jou. Ik zal geen van beide doen. Heb je nog een andere te bieden?”
Hij was nu koelbloedig en gevaarlijk. “Ja,” zei hij. “Ik verwachtte niet dat je wijsheid zou tonen, zelfs niet in je eigen belang; maar ik heb je de kans gegeven mij vrijwillig te helpen en je zodoende veel last en pijn te besparen. De derde keuze is om hier te blijven, tot aan het einde.”
“Tot aan welk einde?”
“Totdat je mij onthult waar de Ene te vinden is. Ik beschik wellicht over middelen om je te overreden. Of totdat hij, jou ten spijt, gevonden wordt en de Heerser tijd heeft om zich met minder gewichtige zaken bezig te houden: bijvoorbeeld om een passende beloning te bedenken voor de obstructie en brutaliteit van Gandalf de Grijze.”
“Dat zou wel eens niet een van de minder gewichtige zaken kunnen blijken,” zei ik. Hij lachte mij uit, want mijn woorden waren hol, en hij wist het.’
Zij voerden mij weg en zetten mij eenzaam op de pinakel van Orthanc, op de plaats waar Saruman gewoonlijk naar de sterren keek. Het is onmogelijk af te dalen, behalve langs een smalle trap van vele duizenden treden, en het dal in de diepte schijnt ver weg. Ik keek erop neer en zag dat het, hoewel het eens groen en mooi was geweest, nu met vallen en klemmen lag bezaaid. Wolven en orks waren in Isengard gehuisvest, want Saruman was nu bezig zelf een sterke macht op de been te brengen om met Sauron te wedijveren, en was nog niet in zijn dienst. Over al zijn werken hing een donkere rook, die zich om de flanken van Orthanc hulde. Ik stond alleen op een eiland in de wolken; en ik had geen kans om te ontsnappen, en mijn dagen waren bitter. De kou doorvlijmde mij, en ik had slechts weinig ruimte om heen en weer te lopen, nadenkend over de komst van de Ruiters naar het Noorden.
Ik was ervan overtuigd dat de Negen inderdaad waren opgestaan, afgezien van de woorden van Saruman, die leugens konden zijn. Lang voordat ik naar Isengard kwam, had ik onderweg berichten gehoord die niet konden worden misverstaan. Er leefde een voortdurende angst in mijn hart over mijn vrienden in de Gouw; maar toch koesterde ik nog enige hoop. Ik hoopte dat Frodo meteen was vertrokken, waarop ik in mijn brief had aangedrongen, en dat hij Rivendel had bereikt voor de dodelijke achtervolging begon. Zowel mijn angst als mijn hoop bleek geen goede gronden te hebben. Want mijn hoop was gevestigd op een dikke man in Breeg en mijn angst was gevestigd op de sluwheid van Sauron. Maar gezette mannen die bier verkopen, hebben veel aan hun hoofd, en de macht van Sauron is nog altijd kleiner dan men zich in zijn angst voorstelt. Maar in de kring van Isengard, gevangen en alleen, was het niet gemakkelijk je voor te stellen dat de jagers voor wie allen gevlucht of gevallen zijn, in de verre Gouw zouden falen.’
‘Ik heb je gezien!’ riep Frodo. ‘Je liep op en neer. De maan scheen op je haren.’
Gandalf zweeg verbaasd en keek hem aan. ‘Het was maar een droom,’ zei Frodo, ‘maar plotseling herinnerde ik hem mij weer. Ik was hem helemaal vergeten. Ik had hem enige tijd geleden, nadat ik de Gouw had verlaten, denk ik.’
‘Dan is hij wel laat gekomen,’ zei Gandalf, ‘zoals je zult zien. Ik verkeerde in een benarde toestand. En zij die mij kennen, zullen het ermee eens zijn dat ik zelden in zo grote nood heb verkeerd, en een dergelijke tegenspoed niet goed verdraag. Gandalf de Grijze als een vlieg gevangen in het verraderlijke web van een spin! Toch kunnen zelfs de slimste spinnen een zwakke draad spinnen.
Eerst vreesde ik, zoals Saruman ongetwijfeld van plan was, dat Radagast ook was gevallen. Toch had ik aan zijn stem of blik niet gemerkt dat er iets mis was toen wij elkaar ontmoetten. Anders zou ik nooit naar Isengard zijn gegaan, zou ik ook meer op mijn hoede zijn geweest. Dat had Saruman natuurlijk voorzien, en hij had zijn ware gedachten verhuld en zijn boodschapper bedrogen. Het zou in ieder geval nutteloos zijn geweest te proberen om de eerlijke Radagast tot verraad over te halen. Hij zocht mij te goeder trouw en haalde mij zodoende over.
Dat betekende de mislukking van Sarumans geheime plan. Want Radagast zag geen enkele reden om niet te doen wat ik vroeg en reed naar het Demsterwold, waar hij vanouds vele vrienden had. En de Adelaars van de Bergen vlogen wijd en zijd, en zij zagen vele dingen: de samenkomst van wolven en de bijeenkomst van orks; en de Negen Ruiters, die de landen doorkruisten; en zij vernamen het nieuws van Gollems ontsnapping. En zij zonden een boodschapper om mij dit alles te berichten.
Zo gebeurde het dat er, toen de zomer ten einde liep, een maanverlichte nacht was en Gwaihir, de Heer van de Winden, de snelste van de Grote Adelaars, onverwacht naar Orthanc kwam en mij daar op de top zag staan. Toen sprak ik met hem en hij droeg mij weg, voordat Saruman er erg in had. Ik was ver van Isengard voor de wolven en orks door de poort naar buiten stormden om mij te achtervolgen.
“Hoever kun je me dragen?” vroeg ik Gwaihir.
“Vele mijlen,” zei hij, “maar niet tot aan het einde van de aarde. Ik ben gezonden om nieuws te brengen, niet om lasten te dragen.”
“Dan moet ik op het land een paard hebben,” zei ik, “en een weergaloos snel paard, want ik heb nog nooit eerder zo’n haast gehad.”
“Dan zal ik je naar Edoras brengen, waar de Heer van Rohan in zijn zalen troont,” zei hij, “want dat is niet ver weg.” En ik was blij, want in de Riddermark van Rohan wonen de Rohirrim, de Paardenvorsten, en er zijn geen paarden als die welke in dat grote dal tussen de Nevelbergen en de Witte Bergen worden gefokt.
“Denk je dat de mensen van Rohan nog te vertrouwen zijn?” vroeg ik aan Gwaihir, want het verraad van Saruman had mijn vertrouwen geschokt.
“Zij betalen een schatting aan paarden,” zei hij, “en zenden er jaarlijks vele naar Mordor, naar men beweert; maar zij zuchten nog niet onder het juk. Maar als Saruman ten kwade is gekeerd, zoals u zegt, kan hun lot niet lang meer worden afgewend.”
Hij zette mij voor het aanbreken van de dag in het land van Rohan neer, maar ik heb mijn verhaal al te lang gemaakt. De rest moet korter zijn. In Rohan merkte ik dat het kwaad al werkzaam was dankzij de leugens van Saruman; en de koning van het land wilde niet naar mijn waarschuwingen luisteren. Hij vroeg mij een paard te nemen en heen te gaan; ik koos er een dat mij erg zinde, maar hem niet. Ik nam het beste paard in zijn land, en nooit heb ik zijns gelijke gezien.’
‘Dan moet het wel een nobel dier zijn,’ zei Aragorn, ‘en het spijt me meer dan veel nieuws dat erger schijnt dat Sauron een dergelijke schatting oplegt. Het was niet zo toen ik de laatste keer in dat land was.’
‘En nu ook niet, zweer ik,’ zei Boromir. ‘Het is een leugen, die van de Vijand afkomstig is. Ik ken de mensen van Rohan, eerlijk en dapper, onze bondgenoten, die nog wonen in de landen die we hun lang geleden gaven.’
‘De schaduw van Mordor ligt over verre landen,’ antwoordde Aragorn. ‘Saruman is eraan ten prooi gevallen. Rohan wordt bedreigd. Wie weet wat u daar zult vinden, als u ooit teruggaat?’