‘In elk geval niet dit,’ zei Boromir, ‘dat zij hun levens met paarden zullen kopen. Na hun gezin houden ze het meest van hun paarden. En niet zonder reden, want de paarden van de Riddermark komen uit de velden van het noorden, ver van de Schaduw, en hun ras, evenals dat van hun meesters, stamt uit de vrije dagen van weleer.’
‘Dat is waar,’ zei Gandalf. ‘En er is er een bij, die geboren zou kunnen zijn in de ochtend van de wereld. De paarden van de Negen kunnen niet met hem wedijveren; onvermoeibaar, vlug als de jagende wind. Schaduwvacht noemden zij hem. Overdag glanst zijn huid als zilver, maar bij nacht is hij als een schaduw, en hij gaat ongezien voorbij. Licht is zijn hoefslag! Nog nooit eerder had iemand hem bereden, maar ik koos hem en temde hem, en zo vlug droeg hij mij, dat ik de Gouw bereikte toen Frodo op de Grafheuvels was, hoewel ik pas uit Rohan vertrok toen hij uit Hobbitstee wegging.
Maar onderweg nam mijn angst toe. Naarmate ik verder naar het noorden kwam, hoorde ik nieuws over de Ruiters, en hoewel ik dagelijks op hen inliep, waren zij mij nog steeds voor. Ik hoorde dat ze zich hadden verspreid; sommigen bleven aan de oostelijke grenzen, niet ver van de Groeneweg, en sommigen vielen de Gouw uit het zuiden binnen. Ik kwam in Hobbitstee aan en Frodo was weg; maar ik had een gesprek met de oude Gewissies. Een lang gesprek, maar dat weinig terzake was. Hij had veel te vertellen over de tekortkomingen van de nieuwe eigenaren van Balingshoek. “Ik kan niet tegen veranderingen,” zei hij, “niet op mijn leeftijd, en vooral niet tegen veranderingen ten kwade.” “Veranderingen ten kwade,” herhaalde hij meer dan eens.
“Kwaad is een slecht woord,” zei ik tegen hem, “en ik hoop dat jij het niet meer zult meemaken.” Maar uit al zijn gepraat maakte ik ten slotte op dat Frodo nog geen week geleden uit Hobbitstee was vertrokken en dat er diezelfde avond een Zwarte Ruiter naar de Heuvel was gekomen. Toen reed ik ontzet verder. Ik kwam in Bokland aan en alles was er ontregeld, even bedrijvig als een mierenhoop die met een stok overhoop is gehaald. Ik kwam bij het huis in Krikhol, en het was opengebroken en leeg; maar op de drempel lag een mantel die van Frodo was geweest. Toen verloor ik een tijdlang alle hoop, en ik bleef niet wachten om nieuws te verzamelen, anders zou ik misschien gerustgesteld zijn, maar ging het spoor van de Ruiters achterna. Het was moeilijk te volgen, want het liep vele kanten uit, en ik wist niet wat ik moest doen. Maar het scheen mij toe dat er een of twee naar Breeg waren gereden; en ik ging die richting uit, want ik dacht aan woorden die misschien tegen de herbergier waren gezegd.
Boterbloem wordt hij genoemd, dacht ik. Als dit oponthoud zijn schuld was zal ik alle boter in hem smelten. Ik zal de oude dwaas op een laag pitje roosteren. Dat verwachtte hij ook, want toen hij mijn gezicht zag viel hij plat op de grond en begon ter plekke te smelten.’
‘Wat heb je met hem gedaan?’ riep Frodo ontsteld uit. ‘Hij was werkelijk heel aardig tegen ons en deed alles wat hij kon.’
Gandalf lachte. ‘Wees niet bang,’ zei hij. ‘Ik heb hem niet gebeten en heb ook zo goed als niet geblaft. Zo geweldig blij was ik met het nieuws dat ik uit hem los kreeg toen hij ophield met bibberen, dat ik de oude kerel omhelsde. Hoe het gebeurd was kon ik toen niet vermoeden, maar ik hoorde dat je de avond tevoren in Breeg was geweest en die morgen met Stapper was vertrokken.
“Stapper!” riep ik uit, en schreeuwde van blijdschap.
“Ja, meneer. Ik vrees van wel, meneer,” zei Boterbloem, die me verkeerd begreep. “Hij heeft ze te pakken gekregen, ondanks alles dat ik kon doen, en ze hebben met hem aangepapt. Ze gedroegen zich erg vreemd toen ze hier waren: eigenzinnig, zou u kunnen zeggen.” “Ezel, dwaas! Driedubbel waardige en geliefde Gersteman,” zei ik. “Dat is het beste nieuws dat ik sinds Midzomer heb gehoord; het is minstens een goudstuk waard. Moge je bier zeven jaar lang onder de betovering van steeds toenemende voortreffelijkheid liggen,” zei ik. “Nu kan ik eens een nacht rusten, de eerste sinds ik weet niet hoelang.”
Dus bleef ik daar die nacht, terwijl ik me afvroeg wat er van de Ruiters was geworden; want over twee slechts was er enig nieuws in Breeg geweest, scheen het. Maar in de nacht hoorden we meer. Minstens vijf kwamen er uit het westen, en zij haalden de poorten omver en trokken door Breeg als een huilende wind; en de Breeglieden rillen er nog van en verwachten het einde van de wereld. Ik stond voor zonsopgang op en ging hen achterna.
Zeker weet ik het niet, maar het lijkt mij duidelijk dat het volgende is gebeurd. Hun aanvoerder hield zich in het geheim ten zuiden van Breeg op, terwijl er twee vooruitreden door het dorp, en vier anderen de Gouw binnenvielen. Maar toen die in Breeg en Krikhol werden tegengehouden, keerden ze met nieuws naar hun aanvoerder terug, en lieten op die manier de Weg een tijdje onbewaakt, behalve door hun spionnen. De aanvoerder stuurde enkelen van hen dwars door het land naar het oosten, en hijzelf reed in grote woede met de anderen de Weg langs.
Ik galoppeerde als een wervelwind naar de Weertop en bereikte die voor zonsondergang op mijn tweede dag na Breeg – maar zij waren mij voor. Ze trokken zich voor mij terug, want ze voelden mijn naderende woede en durfden die niet te trotseren zolang de zon aan de hemel stond. Maar zij sloten mij ’s nachts in en ik werd op de heuveltop belegerd, in de oude ring van Amon Sûl. Ik bevond mij werkelijk in een uiterst benarde positie: een dergelijk licht en vuur kan niet op de Weertop gezien zijn sinds de oorlogsbakens van weleer.
Bij zonsopgang ontsnapte ik en vluchtte naar het noorden. Er was geen hoop op dat ik meer kon doen. Het was onmogelijk, Frodo, je in de wildernis te vinden en het zou dwaasheid zijn geweest het te proberen met alle Negen op mijn hielen. Dus moest ik op Aragorn vertrouwen. Maar ik hoopte enkelen van hen af te leiden en toch vóór jullie Rivendel te bereiken en van daaruit hulp te zenden. Vier van de Ruiters volgden mij dan ook, maar na een tijdje keerden ze terug en gingen op weg naar de Voorde, schijnt het. Dat hielp enigszins, want er waren er slechts vijf en niet negen toen jullie kamp werd aangevallen.
Ik kwam hier ten slotte via een lange, zware weg aan, het Luidwater langs, over de Reuzenheide en terug uit het noorden. Ik heb er bijna veertien dagen voor nodig gehad van de Weertop, want ik kon niet rijden tussen de rotsen van de trollenbergen, en Schaduwvacht ging van mij heen. Ik stuurde hem terug naar zijn meester, maar er is een grote vriendschap tussen ons ontstaan en als ik hem nodig heb, zal hij komen op mijn roep. Maar daardoor kwam het dat ik slechts drie dagen eerder in Rivendel aankwam dan de Ring, en nieuws over het gevaar waarin hij verkeerde hier reeds was aangekomen – hetgeen maar al te goed is gebleken.
En dat, Frodo, is het einde van mijn verhaal. Mogen Elrond en de anderen mij vergeven dat het zo lang is geworden. Maar iets dergelijks is nog nooit eerder gebeurd: dat Gandalf zich niet aan zijn afspraak hield en niet kwam, hoewel hij het had beloofd. Ik meen dat een verslag van zo’n vreemde gebeurtenis aan de Drager van de Ring vereist was.
Welnu, het verhaal is nu van a tot z verteld. Hier zijn wij met ons allen, en hier is de Ring. Maar wij zijn nog niets nader tot ons doel gekomen. Wat zullen wij ermee doen?’
Er viel een stilte. Eindelijk sprak Elrond weer.
‘Dit is pijnlijk nieuws omtrent Saruman,’ zei hij, ‘want wij vertrouwden hem en hij is geheel ingewijd in al onze plannen. Het is gevaarlijk om de listen van de Vijand te grondig te bestuderen, ten goede of ten kwade. Maar een dergelijke val en verraad zijn helaas al eerder voorgekomen. Van de verhalen die wij vandaag hebben gehoord, was dat van Frodo wel het vreemdste. Ik heb weinig hobbits gekend, behalve Bilbo hier; maar het komt mij voor dat hij wellicht niet zo eenzaam en uitzonderlijk is als ik had gedacht. De wereld is erg veranderd sinds ik voor het laatst de westelijke wegen heb betreden.