De Grafgeesten kennen wij onder vele namen; en over het Oude Woud zijn vele verhalen in omloop geweest; het enige dat er nu nog van over is, is een noordelijke uitloper. Er was een tijd dat een eekhoorn van boom tot boom kon gaan van wat nu de Gouw is tot aan Donkerland, ten westen van Isengard. In die landen heb ik eens gereisd, en vele wilde en vreemde dingen leerde ik er kennen. Maar ik was Bombadil vergeten, zo hij werkelijk dezelfde is die lang geleden door de bossen en over de heuvels zwierf, en ook toen al was hij ouder dan de oudsten. Toen heette hij anders. Iarwain Benadar noemden wij hem, de oudste en de vaderloze. Maar sindsdien hebben andere lieden hem vele andere namen gegeven: de dwergen noemen hem Forn, de Noordelijke mensen Orald, en nog andere namen. Hij is een vreemd schepsel, maar misschien had ik hem voor de Raadsvergadering moeten uitnodigen.’
‘Hij zou niet zijn gekomen,’ zei Gandalf.
‘Zouden wij hem alsnog niet een boodschap kunnen sturen en zijn hulp inroepen?’ vroeg Erestor. ‘Het schijnt dat hij zelfs macht over de Ring heeft.’
‘Nee, zo zou ik het niet willen zeggen,’ zei Gandalf. ‘Zeg liever dat de Ring geen macht over hem heeft. Hij is zijn eigen meester. Maar hij kan de Ring zelf niet veranderen, noch zijn macht over anderen breken. En nu heeft hij zich teruggetrokken in een klein land, binnen grenzen die hij heeft afgebakend, hoewel niemand ze kan zien, en wacht wellicht tot de tijden veranderen, want daarbuiten wil hij zich niet begeven.’
‘Maar binnen die grenzen schijnt niets hem te deren,’ zei Erestor.
‘Zou hij de Ring niet willen hebben en daar bewaren, voor altijd onschadelijk?’
‘Nee,’ zei Gandalf, ‘niet uit eigen beweging. Misschien zou hij het doen als alle vrije lieden van de wereld hem erom smeekten, maar hij zou de noodzaak ervan niet inzien. En als men hem de Ring gaf, zou hij hem weldra vergeten, of, hetgeen nog waarschijnlijker is, weggooien. Dergelijke zaken hebben geen vat op zijn geest. Hij zou een bijzonder onveilige bewaker zijn; en dat alleen is al een afdoend argument.’
‘Maar in ieder geval,’ zei Glorfindel, ‘als we de Ring naar hem zouden zenden, zou dat slechts uitstel betekenen van de dag van het kwaad. Hij is ver weg. Wij zouden hem nu niet naar hem terug kunnen brengen, onvermoed, zonder door enige spion te worden gezien. En ook al zouden we het wel kunnen, de Heer der Ringen zou zijn schuilplaats weldra te weten komen en zou al zijn macht erop richten. Zou Bombadil die macht ooit alleen kunnen weerstaan? Ik denk van niet. Ik denk dat uiteindelijk, als al het andere is overwonnen, Bombadil ten slotte zal vallen, als Laatste, zoals hij de Eerste was; en dan zal de Nacht komen.’
‘Ik weet weinig van Iarwain af, behalve de naam,’ zei Galdor, ‘maar ik geloof dat Glorfindel gelijk heeft. De macht om onze Vijand te weerstaan is niet in hem, tenzij de aarde zelf een dergelijke macht bevat. Maar toch zien wij dat Sauron de heuvels kan martelen en vernietigen. De macht die nog rest, berust bij ons, hier in Imladris, of bij Círdan in de Havens, of in Lórien. Maar hebben zij de kracht, hebben wij hier de kracht om de Vijand te weerstaan, de komst van Sauron aan het einde, als al het andere is omvergeworpen?’
‘Ik bezit die kracht niet,’ zei Elrond, ‘evenmin als zij.’
‘Als dan de Ring niet voor altijd door kracht aan hem kan worden onttrokken,’ zei Glorfindel, ‘blijven ons slechts twee mogelijkheden open: hem overzee te sturen, of te vernietigen.’
‘Maar Gandalf heeft ons duidelijk gemaakt dat wij hem niet kunnen vernietigen met enigerlei vaardigheid die wij hier bezitten,’ zei Elrond. ‘En zij die achter de zee wonen, zouden hem niet willen ontvangen; ten goede of ten kwade, hij behoort in Midden-aarde thuis; het is aan ons die hier nog wonen om ermee af te rekenen.’
‘In dat geval,’ zei Glorfindel, ‘moeten wij hem in de diepte werpen en zo de leugens van Saruman waarmaken. Want het is nu wel duidelijk dat hij zelfs in de Raad al op het verkeerde pad was. Hij wist dat de Ring niet voor altijd verloren was, maar wilde dat wij dat zouden denken, omdat hij er zelf naar begon te hunkeren. Toch ligt in leugens vaak waarheid besloten: op de bodem van de zee zou hij veilig zijn.’
‘Niet veilig voor altijd,’ zei Gandalf. ‘De diepe wateren herbergen vele dingen, en zeeën en landen kunnen veranderen. En het is niet onze taak hier om slechts aan één seizoen te denken, of aan een paar mensengeslachten, of aan een voorbijgaande Era van de wereld. We moeten voor eens en altijd een einde aan deze dreiging maken, zelfs al is er geen hoop op dat wij hierin zullen slagen.’
‘En dat zullen wij niet op de wegen naar de zee vinden,’ zei Galdor. ‘Zo de terugkeer naar Iarwain te gevaarlijk wordt gevonden, dan is de vlucht naar de zee nu met de grootste gevaren omringd. Mijn hart zegt mij dat Sauron zal verwachten dat wij de westelijke weg zullen nemen wanneer hij hoort wat er gebeurd is. En dat zal weldra het geval zijn. De Negen hebben inderdaad hun paarden verloren, maar het zal niet lang duren voor zij nieuwe, snellere rossen krijgen. Alleen de afnemende macht van Gondor staat nu tussen hem en een machtige opmars langs de kusten naar het Noorden; en indien hij oprukt en de Witte Torens en de Havens aanvalt, zullen de elfen daarna wellicht geen mogelijkheid meer hebben om aan de lengende schaduwen van Midden-aarde te ontkomen.’
‘Die opmars zal nog lang worden vertraagd,’ zei Boromir. ‘Gondors macht neemt af, zegt u. Maar Gondor houdt stand en zelfs het einde van zijn kracht is nog heel sterk.’
‘Maar toch kan zijn waakzaamheid de Negen niet langer tegenhouden,’ zei Galdor. ‘En hij zal wellicht andere wegen vinden die Gondor niet bewaakt.’
‘Dan,’ zei Erestor, ‘staan ons slechts twee wegen open, zoals Glorfindel al heeft gezegd: de Ring voor eeuwig verbergen of hem vernietigen. Maar beide wegen gaan onze macht te boven. Wie zal dit raadsel voor ons oplossen?’
‘Niemand hier kan dat,’ zei Elrond ernstig. ‘Tenminste niemand kan voorspellen wat er zal gebeuren als wij deze of gene weg bewandelen. Maar het lijkt mij nu duidelijk welke de weg is die wij moeten kiezen. De westelijke weg schijnt de gemakkelijkste. Daarom moet hij worden gemeden. Die zal worden bewaakt. Te vaak zijn de elfen die richting uit gevlucht. Nu, deze keer, moeten wij een zware weg nemen, een onvoorziene weg. Daarin ligt onze hoop, als men het zo kan noemen. Om een gevaarvolle tocht te maken – naar Mordor. We moeten de Ring naar het Vuur sturen.’
Weer viel er een stilte. Zelfs in dat mooie huis, uitkijkend over een zonovergoten dal, vervuld met het geluid van heldere wateren, voelde Frodo een dodelijke angst in zijn hart. Boromir bewoog zich en Frodo keek hem aan. Hij betastte zijn grote hoorn en fronste het voorhoofd. Ten slotte sprak hij.
‘Ik begrijp dit alles niet,’ zei hij. ‘Saruman is een verrader, maar toonde hij geen glimp van wijsheid? Waarom hebt u het altijd over verbergen en vernietigen? Waarom zouden we niet denken dat de Grote Ring ons in handen is gevallen om ons te dienen in dit uur van nood? Wanneer zij hem gebruiken, zullen de Vrije Heersers van de Vrijen de Vijand zeker kunnen verslaan. Ik veronderstel dat hij dat het meeste vreest.
De mensen van Gondor zijn dapper en zullen zich nooit onderwerpen; maar ze kunnen worden verslagen. Dapperheid vereist in de eerste plaats kracht, en dan een wapen. Laat de Ring uw wapen zijn als hij zo’n macht heeft als u zegt. Neem hem en trek op naar de overwinning!’
‘Neen, helaas,’ zei Elrond. ‘We kunnen de Regerende Ring niet gebruiken. Dat weten we nu maar al te goed. Hij behoort aan Sauron toe en werd door hem alleen gemaakt, en is door en door slecht. Zijn kracht, Boromir, is te groot; niemand kan hem naar verkiezing gebruiken, alleen zij die zelf reeds grote macht bezitten. Maar voor hen bevat hij een nog dodelijker gevaar: het verlangen ernaar verderft het hart. Neem Saruman. Indien een van de Wijzen met deze Ring de Heerser van Mordor omver zou werpen, met gebruikmaking van zijn eigen kunstgrepen, zou hij zich op Saurons troon installeren waarmee een nieuwe Donkere Heerser naar voren zou komen. En dat is een reden temeer waarom de Ring moet worden vernietigd; zolang hij op de wereld is, zal hij een gevaar zijn, zelfs voor de Wijzen. Want in het begin is niets kwaad. Zelfs Sauron was dat niet. Ik ben bang om de Ring te nemen en te verbergen. Ik wil de Ring niet hebben om te gebruiken.’