‘Ik evenmin,’ zei Gandalf.
Boromir keek hen twijfelachtig aan, maar hij boog het hoofd. ‘Het zij zo,’ zei hij. ‘Dan moeten wij in Gondor vertrouwen op de wapens die wij hebben. En terwijl de Wijzen deze Ring bewaken, zullen wij in ieder geval verder strijden. Misschien dat het Zwaarddatgebroken-was het tij zal doen keren – indien de hand die het voert niet alleen een erfstuk heeft ontvangen, maar ook de kracht van de Koningen der mensen.’
‘Wie zal het zeggen,’ zei Aragorn. ‘Maar eens zullen wij het op de proef stellen.’
‘Moge die dag niet te lang worden uitgesteld,’ zei Boromir. ‘Want hoewel ik niet om hulp vraag, hebben wij die nodig. Het zou een geruststelling voor ons zijn te weten dat anderen ook vechten met alle middelen waarover zij beschikken.’
‘Wees dan gerust,’ zei Elrond. ‘Want er zijn andere machten en rijken waarvan u niet af weet, omdat ze voor u verborgen zijn. Anduin de Grote stroomt langs vele oevers eer zij Argonath en de Poorten van Gondor bereikt.’
‘Maar toch zou het goed kunnen zijn voor allen,’ zei Glóin de dwerg, ‘indien al deze krachten werden samengevoegd, en de macht van elk samen met die van andere werd gebruikt. Er zijn wellicht andere ringen, minder verraderlijk, die in onze nood zouden kunnen worden gebruikt. De Zeven zijn voor ons verloren – als Balin de ring van Thrór niet gevonden heeft, die de laatste was; niets is ervan vernomen sinds Thrór in Moria omkwam. Ik mag nu wel onthullen dat het gedeeltelijk in de hoop was die ring te vinden, dat Balin wegging.’
‘Balin zal geen enkele ring in Moria vinden,’ zei Gandalf. ‘Thrór heeft hem aan Thráin, zijn zoon, gegeven, maar Thráin niet aan Thorin. Hij werd onder martelingen van Thráin afgenomen in de kerkers van Dol Guldur. Ik kwam te laat.’
‘Ach, helaas,’ riep Glóin uit. ‘Wanneer zal de dag van onze wraak komen? Alleen de Drie zijn er nog. Hoe staat het met de drie ringen van de elfen? Bijzonder machtige Ringen, naar men zegt. Bewaren de elfenheren hen niet? Maar ook zij werden lang geleden door de Donkere Heerser gemaakt. Worden zij niet gebruikt? Ik zie hier elfenheren. Willen zij het niet zeggen?’
De elfen gaven geen antwoord. ‘Hebt u me niet verstaan, Glóin?’ vroeg Elrond. ‘De Drie werden niet door Sauron gemaakt, en evenmin heeft hij ze ooit aangeraakt. Maar over hen mag niet worden gesproken. Alleen dit mag ik nu in dit uur van twijfel zeggen. Ze zijn niet werkloos. Maar ze werden niet gemaakt als wapens voor oorlog of verovering: daarin ligt hun macht niet. Zij die ze gemaakt hebben begeerden geen macht, overheersing of bijeengegaarde rijkdom, maar begrip, scheppingsdrang en genezing om alle dingen ongerept in stand te houden. Deze dingen hebben de elfen van Midden-aarde tot op zekere hoogte bereikt, hoewel met verdriet. Maar alles dat is gewrocht door hen die de Drie gebruiken, zal leiden tot hun ondergang en hun geesten en harten zullen aan Sauron worden geopenbaard, als hij de Ene terugkrijgt. Het zou beter zijn als de Drie er nooit waren geweest. Dat is zijn doel.’
‘Maar wat zou er dan gebeuren indien de Regerende Ring zou worden vernietigd, zoals u aanraadt?’ vroeg Glóin.
‘Dat weten we niet met zekerheid,’ antwoordde Elrond droevig. ‘Sommigen hopen dat de drie ringen, die Sauron nooit heeft aangeraakt, dan vrij zouden worden, en dat zij die hen regeren, de wonden van de wereld die hij heeft veroorzaakt, zouden kunnen genezen. Maar misschien dat, wanneer de Ene is verdwenen, de Drie zullen falen, en vele schone dingen zullen verwelken en worden vergeten. Dat geloof ik.’
‘Maar alle elfen zijn bereid deze kans te wagen,’ zei Glorfindel, ‘als hierdoor Saurons macht kan worden gebroken, en de vrees voor zijn overheersing voor altijd worden weggenomen.’
‘En zo komen wij weer op de vernietiging van de Ring terug,’ zei Erestor, ‘maar toch komen wij niet verder. Welke kracht hebben wij om het Vuur te vinden waarin hij werd gesmeed? Dat is het pad van de wanhoop. Of dwaasheid, zou ik zeggen, indien de grote wijsheid van Elrond mij dit niet verbood.’
‘Wanhoop of dwaasheid?’ zei Gandalf. ‘Het is geen wanhoop, want wanhoop is slechts voor hen voor wie het einde zonder twijfel vaststaat. Bij ons is dat niet het geval. Het is wijsheid om noodzaak te erkennen, wanneer alle andere mogelijkheden zijn afgewogen, hoewel het hun die zich aan valse hoop vastklampen dwaas mag voorkomen. Welnu, laat dwaasheid onze dekmantel zijn, een sluier voor de ogen van de Vijand! Want hij is zeer wijs en weegt alle dingen nauwgezet in de weegschaal van zijn boosaardigheid. Maar de enige maat die hij kent is begeerte, begeerte naar macht; en zo beoordeelt hij alle harten. In zijn hart komt de gedachte dat iemand haar ooit zou kunnen weigeren – dat wij, nu wij de Ring bezitten, zouden proberen hem te vernietigen, nooit op. Als wij hiernaar streven, zullen wij hem buiten de waard doen rekenen.’
‘Althans enige tijd,’ zei Elrond. ‘De Weg moet worden afgelegd, maar hij zal bijzonder moeilijk zijn. En kracht noch wijsheid zal ons ver brengen. Deze queeste kan door de zwakken met evenveel hoop worden ondernomen als door de sterken. Toch gaat het vaak zo met daden die de wielen van de wereld doen draaien; kleine handen verrichten ze omdat ze dit moeten doen, terwijl de ogen van de groten op andere dingen zijn gericht.’
‘Goed, goed, meester Elrond,’ zei Bilbo plotseling. ‘Meer hoeft u niet te zeggen! Het is maar al te duidelijk waar u op zinspeelt. Bilbo, de dwaze hobbit, is dit alles begonnen, en Bilbo moet het maar liever afmaken, of zichzelf. Ik was hier bijzonder op mijn gemak, en schoot op met mijn boek. Als jullie het willen weten, ik ben juist bezig er een slot aan te maken. Ik had gedacht om te zeggen: en hij leefde daarna gelukkig tot aan het einde van zijn dagen. Het is een goed slot en het hindert niet dat het al eens eerder is gebruikt. Nu zal ik dat moeten veranderen: het ziet er niet naar uit dat het wordt vervuld, en in ieder geval is het wel duidelijk dat er nog een paar hoofdstukken bij zullen komen, als ik tijd van leven heb om ze te schrijven. Het is verschrikkelijk vervelend. Wanneer moet ik vertrekken?’
Boromir keek Bilbo verbaasd aan, maar de lach verstierf op zijn lippen toen hij zag dat alle anderen de oude hobbit met ernstige eerbied aankeken. Alleen Glóin glimlachte, maar zijn glimlach kwam van oude herinneringen.
‘Natuurlijk, mijn waarde Bilbo,’ zei Gandalf. ‘Als je deze zaak werkelijk was begonnen, zou men van je mogen verwachten dat je haar beëindigde. Maar je weet maar al te goed dat beginnen voor iedereen een te groot woord is, en dat iedere held slechts een kleine rol speelt in grote daden. Je hoeft geen buiging te maken! Hoewel het woord gemeend was, en we er niet aan twijfelen dat je al spottend een dapper aanbod doet. Maar een aanbod dat je krachten te boven gaat, Bilbo. Je kunt dit voorwerp niet terugbrengen. Het is op een ander overgegaan. Indien je mijn raad nog langer nodig hebt, zou ik zeggen dat jouw rol is uitgespeeld, tenzij als kroniekschrijver. Maak je boek af, en laat het slot onveranderd! Er is nog hoop op. Maar maak je gereed om een vervolg te schrijven wanneer zij terugkeren.’
Bilbo lachte. ‘Je hebt me nog nooit eerder een prettige raad gegeven,’ zei hij. ‘En omdat al je onaangename raadgevingen goed zijn geweest, vraag ik mij af of deze raad niet slecht is. Hoe het ook zij, ik geloof niet dat ik genoeg kracht of geluk overheb om me met de Ring bezig te houden. Hij is gegroeid, en ik niet. Maar zeg eens: wie bedoel je met zij?’
‘De boodschappers die met de Ring zullen worden gestuurd.’
‘Precies! En wie zullen dat zijn? Dat lijkt me wat deze Raad te beslissen heeft, en het enige dat er te beslissen valt. Elfen mogen dan kunnen leven van gepraat alleen en dwergen mogen grote vermoeienis kunnen verduren; maar ik ben maar een oude hobbit en mis mijn middagmaal. Kun je nu niet een paar namen bedenken? Of het misschien uitstellen tot na het eten?’