Niemand gaf antwoord. De middagbel klonk. Nog steeds zei niemand iets. Frodo keek naar alle gezichten, maar ze waren niet naar hem toe gewend. De hele Raad zat met neergeslagen ogen, als waren zij diep in gedachten verzonken. Een grote angst overviel hem alsof hij een noodlottige uitspraak verwachtte die hij allang had zien aankomen en vergeefs hoopte dat zij ten slotte nooit zou worden gedaan. Een overweldigend verlangen om rustig en vredig aan Bilbo’s zijde in Rivendel te mogen leven vervulde zijn hart. Eindelijk, met grote moeite, sprak hij en was verbaasd zijn eigen woorden te horen alsof een andere wil zijn nietige stem gebruikte. ‘Ik zal de Ring brengen,’ zei hij, ‘hoewel ik de weg niet weet.’
Elrond sloeg de ogen op en keek hem aan, en Frodo voelde dat zijn hart door de plotselinge scherpte van zijn blik werd doorboord. ‘Als ik alles wat ik heb gehoord goed begrijp,’ zei hij, ‘geloof ik dat jij bent aangewezen voor de taak, Frodo; en dat, als jij geen mogelijkheid ziet, niemand anders dat zal doen. Dit is het uur van het volk van de Gouw, waarin zij opstaan uit hun vredige velden om de torens en vergaderingen van de groten op hun grondvesten te doen schudden. Wie van alle Wijzen had dit kunnen voorzien? Of, indien ze wijs zijn, waarom zouden ze verondersteld worden het te weten totdat het uur heeft geslagen?
Maar het is een zware last. Zo zwaar, dat niemand hem een ander zou kunnen opleggen. Ik leg hem jou niet op. Maar als je hem vrijwillig op je neemt, kan ik je zeggen dat je keuze juist is; en dat, als alle machtige elfenvrienden van vroeger, Hador en Húrin en Túrin en Beren zelf verzameld waren, jouw plaats te midden van hen zou behoren te zijn.’
‘Maar u zult hem er toch zeker niet alleen op uitsturen, meester?’ riep Sam, niet in staat zich langer in te houden en opspringend uit de hoek waar hij rustig op de grond had gezeten.
‘Voorwaar, nee!’ zei Elrond, zich met een glimlach tot hem richtend. ‘Jij zult in ieder geval met hem meegaan. Het is nauwelijks mogelijk jou van hem te scheiden, zelfs wanneer hij naar een geheime vergadering wordt geroepen en jij niet.’
Sam ging weer zitten, terwijl hij bloosde en mompelde: ‘We hebben ons mooi in de nesten gewerkt, meneer Frodo,’ zei hij hoofdschuddend.
III. De Ring gaat zuidwaarts
Later die dag hielden de hobbits zelf een vergadering in Bilbo’s kamer. Merijn en Pepijn waren verontwaardigd toen ze hoorden dat Sam de Raadsvergadering was binnengeslopen en als Frodo’s reisgenoot was gekozen.
‘Het is helemaal niet eerlijk,’ zei Pepijn. ‘In plaats van hem eruit te smijten en in de boeien te sluiten, beloont Elrond hem voor zijn brutaliteit.’
‘Belonen!’ zei Frodo. ‘Ik kan me geen ergere straf voorstellen. Je denkt niet na bij wat je zegt: veroordeeld om op deze hopeloze reis te gaan, een beloning? Gisteren droomde ik dat mijn taak was volbracht en dat ik hier kon rusten, lange tijd, misschien wel voorgoed.’
‘Dat verwondert me niets,’ zei Merijn, ‘en ik wou voor je dat het mogelijk was. Maar we benijden Sam, niet jou. Als jij moet gaan, zal het voor elk van ons een straf zijn om te worden achtergelaten, zelfs in Rivendel. We hebben je een heel eind vergezeld en moeilijke tijden doorgemaakt. We willen verdergaan!’
‘Dat bedoelde ik,’ zei Pepijn. ‘Wij hobbits moeten bij elkaar blijven, en dat zullen we ook doen. Ik ga mee, tenzij ze me gevangenzetten. Er moet toch iemand met verstand in het gezelschap zijn.’
‘Dan zul jij zeker niet worden gekozen, Peregrijn Toek!’ zei Gandalf, die door het raam, dat laag bij de grond was, naar binnen keek. ‘Maar jullie maken je allemaal onnodig zorgen. Er is nog niets beslist.’
‘Niets beslist!’ riep Pepijn uit. ‘Wat hebben jullie dan allemaal uitgevoerd? Jullie zijn uren opgesloten geweest!’
‘Praten,’ zei Bilbo. ‘Er is heel wat afgepraat en iedereen had een verrassing. Zelfs de ouwe Gandalf. Ik geloof dat Legolas’ nieuwtje over Gollem hem zelfs overrompelde, hoewel hij het negeerde.’
‘Helemaal niet,’ zei Gandalf. ‘Je hebt niet opgelet. Ik had het al van Gwaihir gehoord. Als je het weten wilt, de enige werkelijke “verrassingen”, zoals jij het noemt, waren jij en Frodo en ik was de enige die niet verbaasd was.’
‘Nu, in ieder geval,’ zei Bilbo, ‘is er niets anders besloten dan dat Sam en Frodo gekozen zijn. Ik was de hele tijd al bang dat het zover zou komen, als ik werd vrijgesteld. Maar als je het mij vraagt, zal Elrond een behoorlijk aantal sturen, wanneer de verslagen binnenkomen. Zijn ze al op weg gegaan, Gandalf?’
‘Ja,’ zei de tovenaar. ‘Sommigen van de verkenners zijn al uitgezonden. En morgen gaan er nog meer. Elrond stuurt elfen en die zullen zich in verbinding stellen met de Dolers, en misschien met Thranduils volk in het Demsterwold. En Aragorn is met Elronds zonen vertrokken. Wij zullen alle omliggende landen vele lange mijlen moeten doorkruisen voordat de volgende zet wordt gedaan. Dus kop op, Frodo! Je zult hier waarschijnlijk heel lang blijven.’
‘Ach,’ zei Sam droefgeestig. ‘We zullen net lang genoeg wachten tot het winter is.’
‘Daar is niets aan te doen,’ zei Bilbo. ‘Dat is gedeeltelijk jouw schuld, Frodo, m’n jongen: omdat je met alle geweld tot mijn verjaardag wilde wachten. Een rare manier om hem te gedenken, vind ik. En niet bepaald de dag die ik zou hebben uitgekozen om de BB’en Balingshoek binnen te laten trekken. Maar het is nu eenmaal zo: je kunt nu niet tot het voorjaar wachten, en je kunt niet vertrekken voordat de verslagen binnenkomen.
Maar ik vrees dat dát nu juist jouw geluk zal zijn.’
‘Daar ben ik ook bang voor,’ zei Gandalf. ‘We kunnen niet op weg gaan voor we iets over de Ruiters te weten zijn gekomen.’
‘Ik dacht dat ze allemaal in de vloed waren omgekomen,’ zei Merijn.
‘Je kunt Ringgeesten niet op die manier uitroeien,’ zei Gandalf. ‘Zij bezitten de macht van hun meester en staan of vallen met hem. We hopen dat ze allen hun paarden en vermomming verloren hebben, en op die manier een tijdlang minder gevaarlijk zijn gemaakt, maar dat moeten wij met zekerheid zien te ontdekken. Ondertussen moet je proberen je zorgen te vergeten, Frodo. Ik weet niet of ik iets kan doen om je te helpen, maar ik zal je iets verklappen. Iemand zei dat er intelligentie nodig zou zijn bij het gezelschap. Hij had gelijk. Ik denk dat ik met je mee zal gaan.’
Frodo’s blijdschap over deze aankondiging was zo groot, dat Gandalf van de vensterbank afsprong, waar hij op had gezeten, zijn hoed afnam en een buiging maakte.
‘Ik zei alleen maar ik denk dat ik mee zal gaan. Reken nergens op. Elrond heeft hierin een hoop te zeggen, en ook je vriend Stapper. Wat mij eraan herinnert dat ik een afspraak met Elrond heb. Ik moet ervandoor.’
‘Hoelang denk je dat ik hier de tijd zal hebben?’ vroeg Frodo aan Bilbo toen Gandalf weg was.
‘O, ik weet het niet. Ik kan de dagen in Rivendel niet tellen,’ zei Bilbo. ‘Maar behoorlijk lang, zou ik zeggen. We kunnen heel wat goede gesprekken voeren. Wat zou je ervan zeggen mij met mijn boek te helpen en met het volgende te beginnen? Heb jij een slot bedacht?’
‘Ja, meer dan een, en die zijn allemaal somber en onprettig,’ zei Frodo.
‘O, maar dat kan niet,’ zei Bilbo. ‘Boeken moeten een goed slot hebben. Wat zou je zeggen van: en ze kwamen allemaal tot rust en woonden daarna gelukkig samen?’
‘Dat is goed, als het ooit zover komt,’ zei Frodo.
‘Ah!’ zei Sam. ‘Maar waar zullen ze wonen? Dat vraag ik me vaak af…’
De hobbits bleven nog enige tijd over de reis die achter hen lag en de gevaren die hen te wachten stonden, zitten praten en nadenken; maar het land van Rivendel was zo mooi, dat ze weldra al hun angsten en zorgen vergaten. De toekomst, goed of slecht, werd niet vergeten, maar had geen macht meer over het heden. Gezondheid en hoop sterkten hen, en ze waren tevreden met iedere goede dag die kwam, zich in iedere maaltijd en in elk woord en lied verheugend.