Выбрать главу

Zo gingen de dagen voorbij, terwijl iedere ochtend helder en mooi aanbrak en gevolgd werd door koele, klare avonden. Maar de herfst liep snel ten einde; langzaam verschoot het gouden licht tot lichtzilver, en de laatste bladeren dwarrelden van de kale bomen. De wind begon kil uit de Nevelbergen in het oosten te waaien. De Jagersmaan wies rond aan de nachtelijke hemel en joeg alle kleinere sterren op de vlucht. Maar laag in het zuiden scheen één rode ster. Iedere nacht, toen de maan weer afnam, scheen zij helderder en helderder. Frodo kon haar door zijn raam zien, ver aan de hemel, schitterend als een waakzaam oog, dat boven de bomen aan de rand van de vallei scheen.

De hobbits waren bijna twee maanden in het Huis van Elrond en november was voorbijgegaan met de laatste rafels van de herfst, en december was ook al een eind gevorderd, toen de verkenners terug begonnen te komen. Sommigen waren naar het noorden gegaan voorbij de bronnen van het Luidwater in de Reuzenheide; anderen waren naar het westen gegaan, en met behulp van Aragorn en de Dolers hadden zij de landen verkend ver achter de Grijsvloed, tot helemaal aan Tharbad, waar de oude Noorderweg de rivier kruiste bij een verwoeste stad. Velen waren naar het zuiden en oosten gegaan en sommigen van hen waren de Bergen doorgetrokken en het Demsterwold binnengegaan, terwijl anderen de pas bij de bron van de Lisrivier hadden beklommen, in Wilderland waren gekomen, over de Irisvelden waren getrokken en op die manier ten slotte het oude huis van Radagast in Rhosgobel hadden bereikt. Radagast was er niet en zij waren over de hoge pas, die de Trap van Deemril werd genoemd, teruggekeerd. De zonen van Elrond, Elladan en Elrohir, keerden als laatsten terug. Zij hadden een lange reis gemaakt: via de Zilverlei naar een vreemd land, maar over hun zaken wilden zij met niemand anders dan Elrond spreken.

In geen enkel gewest hadden de boodschappers enig teken of nieuws van de Ruiters of andere Dienaren van de Vijand gezien of gehoord. Zelfs van de adelaars van de Nevelbergen hadden zij niets nieuws vernomen. Men had niets van Gollem gezien of gehoord; maar de wilde wolven verzamelden zich nog steeds en waren weer ver aan de bovenloop van de Grote Rivier op jacht.

Drie van de zwarte paarden had men verdronken in de overstroomde Voorde aangetroffen. Op de rotsen van de stroomversnellingen verder weg had men de karkassen van nog vijf andere paarden gevonden, en ook een lange zwarte mantel, gescheurd en gerafeld. Van de Zwarte Ruiters viel geen ander spoor te bekennen en nergens werd hun aanwezigheid gevoeld. Het scheen dat zij uit het noorden waren verdwenen.

‘Wij weten tenminste wat er van acht van de Negen is geworden,’ zei Gandalf. ‘We moeten er niet al te zeer op vertrouwen, maar ik denk dat we nu mogen hopen dat de Ringgeesten zijn verspreid, en gedwongen zijn geweest om zo goed mogelijk naar hun meester in Mordor terug te keren, leeg en vormloos.

Indien dat zo is, zal het nog wel even duren voor zij de jacht kunnen hervatten. Natuurlijk heeft de Vijand andere dienaren, maar die zullen helemaal naar de grenzen van Rivendel moeten reizen voordat ze ons spoor kunnen ontdekken. En als we voorzichtig doen, zal het moeilijk te vinden zijn. Maar we moeten ons vertrek geen ogenblik langer uitstellen.’

Elrond riep de hobbits bij zich. Hij keek Frodo ernstig aan. ‘De tijd is gekomen,’ zei hij. ‘Als de Ring op weg moet gaan, moet het snel gebeuren. Maar zij die meegaan moeten er niet op rekenen dat hun expeditie zal worden ondersteund door oorlog of geweld. Zij moeten het domein van de Vijand betreden, waar zij ver van elke hulp verwijderd zijn. Blijf je nog altijd bij je woord, Frodo, dat jij de Drager van de Ring wilt zijn?’

‘Ja,’ zei Frodo. ‘Ik zal met Sam gaan.’

‘Dan kan ik jullie niet veel helpen, zelfs niet met raad,’ zei Elrond. ‘Ik kan heel weinig van jullie weg voorzien; en hoe jullie taak volbracht moet worden weet ik niet. De Schaduw is nu naar de voet van de Bergen gekropen, en nadert zelfs de grenzen van de Grijsvloed; en al wat onder die Schaduw ligt is duister voor mij. Jullie zullen vele vijanden ontmoeten, sommigen openlijk, anderen in vermomming; en misschien zul je onderweg vrienden tegenkomen wanneer je ze het minst verwacht. Ik zal waar mogelijk boodschappen uitzenden, aan hen die ik ken in de wijde wereld; maar zo gevaarlijk zijn de landen nu geworden dat sommige wellicht niet aan zullen komen, of er niet eerder zullen aankomen dan jullie zelf.

En ik zal Reisgenoten voor je kiezen om met jullie mee te gaan, voorzover zij dat willen of het fortuin dit toestaat. Hun aantal moet gering zijn, want jullie hoop ligt in snelheid en geheimhouding. Als ik een troep gewapende elfen uit de Dagen van Weleer had, zou dit weinig baten, maar alleen de macht van Mordor opwekken. Het Gezelschap van de Ring zal uit Negen personen bestaan; en de Negen Lopers zullen het opnemen tegen de Negen Ruiters, die slecht zijn. Jij en je trouwe dienaar zullen worden vergezeld door Gandalf, want dit zal zijn grote taak worden en misschien wel het einde van zijn arbeid.

Verder zullen zij de andere Vrije Volken van de Wereld vertegenwoordigen: elfen, dwergen en mensen. Legolas zal voor de elfen gaan en Gimli, zoon van Glóin, voor de dwergen. Zij zijn bereid om je in ieder geval tot aan de passen van de Bergen te vergezellen, en misschien nog wel verder. Voor de mensen zal Aragorn, zoon van Arathorn, je vergezellen, want hij is ten nauwste bij de Ring van Isildur betrokken.’

‘Stapper!’ riep Frodo uit.

‘Ja,’ zei hij glimlachend. ‘Ik vraag opnieuw verlof om je metgezel te zijn, Frodo.’

‘Ik zou je hebben gesmeekt mee te gaan,’ zei Frodo, ‘maar ik dacht dat je met Boromir naar Minas Tirith ging.’

‘Dat ga ik ook,’ zei Aragorn. ‘En het Zwaard-dat-werd-gebroken zal opnieuw worden gesmeed voor ik ten strijde trek. Maar jullie weg en onze weg vallen vele honderden mijlen samen. Daarom zal Boromir ook deel van het Gezelschap uitmaken. Hij is een dapper man.’

‘Er moeten er nog twee meer worden gevonden,’ zei Elrond. ‘Daar moet ik nog over nadenken. Misschien vind ik er een paar onder mijn hofhouding die het mij goeddunkt te zenden.’

‘Maar dan is er geen plaats voor ons over!’ riep Pepijn ontsteld uit. ‘Wij willen niet worden achtergelaten. Wij willen met Frodo mee!’

‘Dat komt omdat je niet begrijpt en je niet kunt voorstellen wat je te wachten staat,’ zei Elrond.

‘Dat kan Frodo ook niet,’ zei Gandalf, die Pepijn onverwachts steunde. ‘En geen van ons kan dat duidelijk zien. Het is waar dat deze hobbits niet zouden durven gaan als zij het gevaar beseften. Maar ze zouden toch willen gaan, of wensen dat ze de moed hadden, en zich schamen en ongelukkig zijn. Ik denk, Elrond, dat het in dit geval beter is op hun vriendschap dan op grote wijsheid te vertrouwen. Zelfs als je een elfenvorst, zoals Glorfindel, voor ons zou kiezen, zou hij de Donkere Toren niet kunnen bestormen, of de Weg naar het Vuur openleggen met de macht die hij bezit.’

‘Je spreekt in ernst,’ zei Elrond, ‘maar ik twijfel. De Gouw, stel ik mij voor, is nu niet vrij van gevaar, en ik had gedacht deze twee als boodschappers terug te sturen om te doen wat zij kunnen, volgens de gewoonte van hun land, om het volk voor het gevaar te waarschuwen. In ieder geval ben ik van oordeel dat de jongste van de twee, Peregrijn Toek, moet achterblijven. Mijn hart is ertegen dat hij gaat.’

‘Dan, meester Elrond, zult u me gevangen moeten zetten, of me in een zak naar huis sturen. Want ik zal hoe dan ook het Gezelschap volgen.’

‘Dan zij het zo. Jullie zullen gaan,’ zei Elrond en hij zuchtte. ‘Nu is het getal van Negen vol. Over zeven dagen moeten de Reisgenoten vertrekken.’

Het zwaard van Elendil werd opnieuw door elfensmeden gesmeed en op het staal werd een devies van zeven sterren tussen de halvemaan en de stralende zon afgebeeld, en daaromheen waren vele runen geschreven; want Aragorn, de zoon van Arathorn, trok ten strijde naar de grenzen van Mordor. Heel fonkelend was dat zwaard toen het weer heel was gemaakt; het licht van de zon scheen er roodglanzend in, en het licht van de maan scheen koud, en zijn snede was hard en scherp. En Aragorn gaf het een nieuwe naam en noemde het Andúril, Vlam van het Westen.