Aragorn en Gandalf wandelden samen of zaten te spreken over hun tocht en de gevaren die zij zouden ontmoeten, en ze bogen zich over de geschiedkundige en geïllustreerde boeken en kaarten die zich in Elronds huis bevonden. Soms was Frodo bij hen, maar hij stelde zich tevreden met op hun leiding te vertrouwen, en hij bracht zoveel mogelijk tijd met Bilbo door.
Die laatste dagen zaten de hobbits ’s avonds samen in de Vuurzaal, en daar hoorden ze onder de vele verhalen die volledig werden verteld, het lied van Beren en Lúthien en de verwerving van het Grote Juweel; maar overdag, terwijl Merijn en Pepijn eropuit waren, kon men Frodo en Sam met Bilbo in diens eigen kamertje aantreffen. Dan las Bilbo gedeelten voor uit zijn boek (dat nog erg onvolledig leek) of fragmenten van zijn verzen, of maakte aantekeningen van Frodo’s avonturen.
Op de ochtend van de laatste dag was Frodo met Bilbo alleen en de oude hobbit haalde van onder zijn bed een houten kist tevoorschijn. Hij opende het deksel en rommelde er wat in.
‘Hier is je zwaard,’ zei hij. ‘Maar het was gebroken, weet je. Ik heb het meegenomen om het veilig te bewaren, maar ik ben vergeten te vragen of de smeden het konden herstellen. Geen tijd nu. Dus dacht ik dat jij dit misschien zou willen hebben, begrijp je?’
Uit de kist haalde hij een klein zwaard in een versleten leren schede. Toen trok hij het eruit, en het gepoetste, goed onderhouden staal schitterde plotseling koud en fel. ‘Dit is Prik,’ zei hij, en stak het zonder veel moeite diep in een houten balk.
‘Neem het als je wilt, ik zal het vermoedelijk niet meer nodig hebben.’
Frodo aanvaardde het dankbaar.
‘En dan is dit er ook nog,’ zei Bilbo, terwijl hij een pak tevoorschijn haalde dat nogal zwaar scheen te zijn voor de omvang ervan. Hij wikkelde verscheidene lagen oude lappen los en hield een klein hemd van maliën omhoog. Het was zeer dicht geweven van vele ringen, bijna even soepel als linnen, koud als ijs en harder dan staal. Het blonk als zilver in het maanlicht en was met witte juwelen afgezet. Er hoorde een gordel van paarlen en kristal bij.
‘Het is een mooi ding, vind je niet?’ vroeg Bilbo, terwijl hij het in het licht bewoog. ‘En nuttig ook. Het is mijn dwergenmaliënkolder die ik van Thorin heb gekregen. Ik heb hem uit Grotedelft teruggehaald voor ik op weg ging en hem bij mijn bagage gepakt. Ik heb alle herinneringen aan mijn Reis meegebracht, behalve de Ring. Maar ik verwachtte niet dat ik dit zou gebruiken, en ik heb hem nu niet nodig, behalve om af en toe eens naar te kijken. Hij weegt bijna niets als je hem aan hebt.’
‘Ik zou er – nu, ik geloof niet dat hij me zou staan,’ zei Frodo.
‘Precies wat ik zelf ook zei,’ zei Bilbo. ‘Maar dat is niet belangrijk. Je kunt hem onder je bovenkleren dragen. Vooruit. Dat is een geheim tussen ons tweeën. Je moet het aan niemand anders vertellen! Maar ik zou me gelukkiger voelen als ik wist dat jij hem droeg. Ik heb het idee dat zelfs de dolken van de Zwarte Ruiters erop zouden afketsen,’ zei hij heel zacht.
‘Goed, dan wil ik hem wel hebben,’ zei Frodo. Bilbo hielp hem erin en bevestigde Prik aan de schitterende gordel, en toen trok Frodo er zijn oude verschoten broek, tuniek en jas over aan.
‘Je ziet eruit als een gewone hobbit,’ zei Bilbo. ‘Maar er steekt meer onder dan je zo zou denken. Ik wens je veel geluk!’ Bilbo draaide zich om en keek uit het raam en probeerde een wijsje te neuriën.
‘Ik kan je niet genoeg bedanken voor dit alles en voor al je vriendelijkheid die je me in het verleden hebt betoond, Bilbo,’ zei Frodo.
‘Doe geen moeite!’ zei de oude hobbit, terwijl hij zich omdraaide en hem op de rug sloeg. ‘Au!’ riep hij uit. ‘Je bent nu te hard om te slaan! Maar het is nu eenmaal zo: hobbits moeten elkaar helpen, en vooral Balingsen. Het enige wat ik jou vraag is, pas zo goed op jezelf als je kunt en breng zoveel mogelijk nieuws mee terug, en verder liedjes of verhalen die je hoort. Ik zal mijn best doen mijn boek voor je terugkeer af te hebben. Ik zou graag het tweede boek schrijven, als ik gespaard word.’
Hij zweeg, keerde zich weer naar het raam en zong zacht:
Het was een koude grijze dag aan het einde van december. De oostenwind gierde door de kale takken van de bomen en ging tekeer in de donkere dennenbomen op de heuvels. Wolkenflarden joegen donker en laag door de lucht. Toen de sombere schaduwen van de vroege avond begonnen te vallen, gingen de Reisgenoten zich gereedmaken om te vertrekken. Ze zouden bij het invallen van de schemering op weg gaan, want Elrond had hun aangeraden om zoveel mogelijk onder dekking van de nacht te reizen, tot ze ver van Rivendel vandaan zouden zijn.
‘Jullie moeten de vele ogen van de dienaren van Sauron vrezen,’ zei hij. ‘Ik twijfel er niet aan of het nieuws over de nederlaag van de Ruiters heeft hem al bereikt, en hij zal van toorn vervuld zijn. Weldra zullen zijn spionnen nu te voet en op vleugels door de noordelijke landen trekken. Zelfs moeten jullie onderweg goed op de lucht boven jullie letten.’
De Reisgenoten namen weinig wapentuig mee, want hun hoop lag in heimelijkheid en niet in het gevecht. Aragorn had Andúril, maar geen ander wapen, en hij was slechts gekleed in verschoten groen en bruin, als een Doler in de wildernis. Boromir had een lang zwaard van hetzelfde model als Andúril, maar minder oud, en hij had ook een schild en zijn oorlogshoorn.
‘Luid en klaar schalt hij in de dalen van de heuvels,’ zei hij, ‘en laat dan alle vijanden van Gondor maar vluchten!’ En terwijl hij hem aan zijn lippen zette, gaf hij een krachtige stoot en de echo’s schalden van rots tot rots, en allen die het in Rivendel hoorden sprongen overeind.
‘Je mag je wel goed bedenken voor je die hoorn weer laat schallen, Boromir,’ zei Elrond, ‘totdat je weer voor de grenzen van je land staat en dringende noodzaak het gebiedt.’
‘Misschien,’ zei Boromir. ‘Maar ik heb mijn hoorn altijd doen klinken bij een vertrek, en hoewel wij straks misschien in de schaduwen lopen, weiger ik als een dief in de nacht weg te sluipen.’
Gimli was de enige die openlijk een kort hemd van stalen ringen droeg, want dwergen bekommeren zich niet om lasten; en aan zijn riem hing een bijl met brede kling. De jongere hobbits droegen de zwaarden die zij uit de grafheuvel hadden genomen, maar Frodo nam alleen Prik mee en zijn maliënkolder bleef, zoals Bilbo had gewild, verborgen. Gandalf droeg zijn staf, maar aan zijn zijde was het elfenzwaard Glamdring gegespt, de tegenhanger van Orcrist, dat nu op Thorins borst rustte onder de Eenzame Berg.
Allen waren door Elrond goed voorzien van dikke warme kleren en hun buizen en mantels waren met bont gevoerd. Extra etensvoorraden, kleren, dekens en andere benodigdheden waren op een pony geladen, en wel het arme beest dat ze uit Breeg hadden meegenomen.