Het verblijf in Rivendel had een wonderbaarlijke verandering in hem teweeggebracht; zijn huid glansde en hij scheen de kracht van de jeugd te bezitten. Het was Sam die erop had gestaan hem te kiezen, zeggend dat Willem, zoals hij hem noemde, zou wegkwijnen als hij niet mee mocht.
‘Dat beest kan bijna praten,’ zei hij, ‘en zou ook praten als hij nog veel langer hier bleef. Hij keek mij even duidelijk aan als meneer Pepijn het zou kunnen zeggen: als je me niet mee laat gaan, Sam, zal ik uit mezelf volgen.’ Dus ging Willem mee als lastdier, maar hij was de enige van de Reisgenoten die niet terneergeslagen scheen.
Ze hadden afscheid genomen in de grote zaal bij het vuur, en ze wachtten nu alleen nog op Gandalf, die nog niet het huis uit gekomen was. Een schijnsel van vuur kwam uit de open deuren, en gedempte lichten brandden achter vele ramen. Bilbo, in een mantel gehuld, stond zwijgend op de stoep naast Frodo. Aragorn zat met het hoofd gebogen op de knieën; alleen Elrond besefte ten volle wat dit uur voor hem betekende. De anderen waren als grijze gestalten in de duisternis zichtbaar.
Sam stond naast de pony op zijn tanden te zuigen, en humeurig in de duisternis te turen, waar de rivier in de diepte over de stenen bulderde; zijn verlangen naar avontuur had een dieptepunt bereikt. ‘Willem, m’n jongen,’ zei hij. ‘Je had niet met ons moeten aanpappen. Je had hier kunnen blijven en het beste hooi kunnen eten tot het nieuwe gras komt.’ Willem zwaaide met zijn staart, maar zei niets.
Sam verschoof het pak op zijn rug, en ging in gedachten nog vlug even alle dingen na die hij erin had gestouwd, zich afvragend of hij soms iets vergeten was: zijn voornaamste schat, zijn kookgerei; en het kleine busje met zout dat hij altijd bij zich had en bijvulde wanneer hij kon; een behoorlijke voorraad pijpkruid (maar zeker niet half genoeg); vuursteen en tondeldoos, wollen broek, linnengoed, verschillende kleine bezittingen van zijn meester die Frodo vergeten had en Sam had opgeborgen om ze triomfantelijk tevoorschijn te kunnen halen als ze nodig zouden zijn. Hij ging alles stuk voor stuk na.
‘Touw,’ mompelde hij. ‘Geen touw! En gisteravond heb je nog bij jezelf gezegd: “Wat denk je van een stuk touw, Sam. Je zult het nodig hebben als je het niet bij je hebt.” En ik zal het nodig hebben. Ik kan het nu niet meer krijgen.’
Op dat ogenblik kwam Elrond met Gandalf naar buiten, en hij riep de Reisgenoten bij zich. ‘Dit is mijn laatste woord,’ zei hij zacht. ‘De Drager van de Ring gaat op weg op de queeste van de Doemberg. Hij is de enige met een opdracht: noch de Ring weg te werpen, noch aan enige dienaar van de Vijand te overhandigen, of hem door iemand te doen aanraken, behalve door leden van het Reisgenootschap en de Raad, en dan alleen maar in geval van uiterste nood. De anderen gaan met hem mee als vrije metgezellen om hem onderweg bij te staan. Jullie mogen dralen of terugkomen, of je op zijpaden begeven, al naar het lot het toestaat. Hoe verder je gaat, des te minder gemakkelijk zal het zijn je terug te trekken; niettemin is er geen eed of band die jullie dwingt verder te gaan dan jullie willen. Want jullie kennen de sterkte van je hart niet en kunnen niet voorzien wat elk van jullie onderweg zal tegenkomen.’
‘Trouweloos is hij die vaarwel zegt wanneer de weg donkerder wordt,’ zei Gimli.
‘Misschien,’ zei Elrond, ‘maar laat hij die de avond niet heeft zien vallen, niet beloven zich in de duisternis te begeven.’
‘Maar het gezworen woord kan het angstige hart sterkte geven,’ zei Gimli.
‘Of breken,’ zei Elrond. ‘Kijk niet te ver vooruit! Maar ga nu met goede moed! Vaarwel, en moge de zegen van elfen en mensen en alle Vrije Lieden jullie vergezellen! Mogen de sterren jullie gezicht beschijnen!’
‘Suc… succes!’ riep Bilbo, stotterend van de koude. ‘Ik denk niet dat je een dagboek zult kunnen bijhouden, Frodo, m’n jongen, maar ik verwacht een volledig verslag als je terug bent. En blijf niet te lang weg! Vaarwel!’
Vele anderen van Elronds hofhouding stonden in de schaduwen en sloegen hun vertrek gade, hun met zachte stem vaarwel zeggend. Er klonk geen lach, en geen lied of muziek. Ten slotte draaiden ze zich om en vervaagden geluidloos in de schemering.
Ze staken de Brug over en volgden langzaam de slingerende steile paden die uit de gekloofde vallei van Rivendel leidden: en ten slotte bereikten ze de hooggelegen heide, waar de wind door de struikjes snerpte. Toen, met een laatste blik op het Laatste Huiselijke Huis dat beneden hen twinkelde, liepen ze weg, ver de nacht in.
Bij de Voorde van de Bruinen verlieten ze de Weg, sloegen naar het zuiden af, en volgden smalle paden door de golvende velden. Het was hun bedoeling deze koers ten westen van de Bergen vele mijlen en dagenlang aan te houden. Het land was veel woester en kaler dan in de groene vallei van de Grote Rivier in Wilderland, aan de andere kant van de keten, en ze zouden slechts langzaam vorderen, maar op die manier hoopten ze aan de aandacht van slecht gezinde ogen te ontsnappen. De spionnen van Sauron waren tot nu toe zelden in dit onherbergzame land gezien, en de paden waren weinig bekend, behalve aan de bewoners van Rivendel.
Gandalf ging voorop, en naast hem liep Aragorn, die dit land zelfs in het donker kende. De anderen volgden achter elkaar en Legolas, die scherpe ogen had, vormde de achterhoede. Het eerste gedeelte van hun reis was moeilijk en somber, en Frodo herinnerde zich er weinig van, behalve de wind. Vele zonloze dagen lang woei er een ijzige wind uit de Bergen in het oosten, en geen kledingstuk scheen zijn tastende vingers te kunnen buitensluiten. Hoewel de Reisgenoten goedgekleed waren, voelden ze zich zelden warm, of ze nu in beweging waren of rustten. Ze sliepen onrustig midden op de dag, in een holte in het landschap, of verscholen onder doornstruiken, die op vele plaatsen in dichte bosjes groeiden. Laat in de namiddag werden zij door de wacht gewekt en aten hun hoofdmaaltijd: in de regel koud en ongezellig, want ze konden zelden het risico van een vuur nemen. ’s Avonds gingen ze weer verder, altijd zo ver mogelijk naar het zuiden als ze een weg konden vinden.
Eerst scheen het de hobbits toe dat zij, hoewel ze liepen en voortstrompelden tot ze moe waren, slechts als slakken vooruit kropen, en niet verder kwamen. Iedere dag zag het landschap er vrijwel eender uit als de vorige. Toch kwamen de bergen steeds dichterbij. Ten zuiden van Rivendel rezen ze steeds hoger op en bogen zich naar het westen; en rond de voet van de bergketen ontrolde zich een steeds weidser landschap van dorre heuvels en diepe dalen, gevuld met onstuimige wateren. Paden waren schaars en slingerend en leidden vaak slechts naar de rand van een ravijn of naar verraderlijke moerassen.
Ze waren veertien dagen onderweg, toen het weer veranderde. De wind nam plotseling af en draaide toen naar het zuiden. De snel zeilende wolken trokken op en smolten weg, en de zon kwam tevoorschijn, bleek en helder. Aan het einde van een lange strompelende nachtelijke mars brak er een koude klare ochtend aan. De reizigers bereikten een lage bergkam gekroond met oude hulstbomen, waarvan de grijsgroene stammen uit de stenen van de heuvels zelf gevormd schenen. Hun donkere bladeren glansden en hun bessen gloeiden rood in het licht van de opgaande zon.
In het zuiden kon Frodo de vage omtrekken van hoge bergen zien, die nu midden op het pad schenen te staan dat de Reisgenoten volgden. Links van deze hoge keten verhieven zich drie toppen: de hoogste en dichtstbijzijnde stak omhoog als een tand met een top van sneeuw; zijn grote, kale noordelijke steilte was nog grotendeels in de schaduw verborgen, maar waar het zonlicht er schuin op viel, gloeide hij rood.
Gandalf stond naast Frodo en tuurde met zijn hand boven zijn ogen. ‘We kunnen tevreden zijn,’ zei hij. ‘Wij hebben de grenzen bereikt van het land dat de mensen Hulst noemen; vele elfen hebben hier in gelukkiger tijden gewoond toen het Eregion heette. We hebben hemelsbreed honderdvijfendertig mijl afgelegd, hoewel onze voeten heel wat meer mijlen hebben gelopen. Het land en het weer zullen nu milder zijn, maar misschien des te gevaarlijker.’