Выбрать главу

‘Nu, je kunt je blijven verheugen,’ zei Gandalf. ‘Misschien heb je vele onverwachte feestmaaltijden in het vooruitzicht. Zelf zou ik graag op mijn gemak een pijp willen roken en warmere voeten willen hebben. We zijn in ieder geval van één ding zeker: het zal warmer worden als we in het zuiden komen.’

‘Het zou me niets verbazen als het te warm werd,’ mompelde Sam tegen Frodo. ‘Maar ik vind dat het tijd begint te worden dat we eens iets van die Vuurberg en het einde van onze weg zagen, zogezeid. Ik dacht eerst dat die Roodhorn, of hoe hij ook heten mag, het misschien zou zijn, totdat Gimli een duit in het zakje deed. Over die dwergentaal moet je wel je tong breken!’

Landkaarten zeiden Sam niets en alle afstanden in deze vreemde gebieden schenen zo groot, dat hij de kluts helemaal kwijt was.

Die hele dag hielden de Reisgenoten zich schuil. De donkere vogels kwamen af en toe weer overvliegen, maar toen de zon in het westen rood werd, verdwenen ze in zuidelijke richting. Bij het vallen van de avond gingen de Reisgenoten op pad en, nu halverwege naar het oosten afbuigend, zetten zij koers naar de Caradhras, die in de verte nog zachtrood in het laatste licht van de ondergaande zon gloeide. Een voor een verschenen de witte sterren toen de hemel donkerder werd. Voorafgegaan door Aragorn kwamen zij op een goed pad. Het scheen Frodo het overblijfsel van een oude weg toe, die eens breed en goed aangelegd was geweest, van Hulst naar de bergpas. De maan, die nu vol was, kwam boven de bergen op en wierp een bleek licht, waarin de schaduwen van de stenen zwart waren. Vele ervan zagen eruit alsof ze door handen waren bewerkt, hoewel zij nu omvergeworpen en verwoest in een somber, onherbergzaam landschap lagen.

Het was het koude kille uur voor het eerste teken van de dageraad, en de maan hing laag aan de hemel. Frodo keek omhoog. Plotseling zag of voelde hij dat een schaduw langs de hoge sterren trok, alsof ze een ogenblik vervaagden en toen uitdoofden. Hij huiverde.

‘Heb jij iets voorbij zien gaan?’ fluisterde hij tegen Gandalf, die vlak voor hem liep.

‘Nee, maar ik voelde het, wat het ook was. Misschien is het niets, alleen een dun wolkvliesje.’

‘Maar het bewoog zeer snel,’ mompelde Aragorn, ‘en niet door de wind.’

Die nacht gebeurde er verder niets. De ochtend brak nog stralender aan dan de vorige dag. Maar de lucht was weer kil; de wind draaide al terug naar het oosten. Nog twee nachten liepen ze verder, geleidelijk klimmend, maar steeds langzamer, toen hun weg zich omhoog de heuvels in slingerde, en de bergen oprezen, dichter- en dichterbij. Op de derde ochtend doemde de Caradhras voor hen op, een machtige piek, met sneeuw als zilver op de top, maar met kale hellingen, dofrood, alsof ze met bloed waren bevlekt. Er hing een zwarte dreiging in de lucht en de zon was flets.

De wind was nu naar het noordoosten gedraaid. Gandalf snoof de lucht op en keek achterom.

‘De winter wordt strenger achter ons,’ zei hij zacht tegen Aragorn. ‘De hoogten in het noorden zijn witter dan eerst, de sneeuw ligt tot heel laag op de hellingen. Vannacht zullen wij op weg zijn, hoog naar de Roodhornpas. Het is heel goed mogelijk dat bespieders ons op dat smalle pad gadeslaan, en dat het kwaad ons wacht, maar het weer zou weleens een dodelijker vijand kunnen blijken. Wat vind je nu van je weg, Aragorn?’

Frodo hoorde deze woorden en maakte eruit op dat Gandalf en Aragorn een of ander debat voortzetten dat al veel eerder was begonnen. Hij luisterde gespannen toe.

‘Ik vind niets goeds aan onze weg, van begin tot einde, zoals je weet, Gandalf,’ antwoordde Aragorn. ‘En bekende en onbekende gevaren zullen groter worden naarmate wij vorderen. Maar we moeten verdergaan; en het heeft geen zin om het oversteken van de bergen uit te stellen. Verder naar het zuiden zijn geen passen, totdat je aan de Kloof van Rohan komt. Ik vertrouw die weg niet sinds jouw nieuws over Saruman. Wie weet wie de maarschalken van de Paardenvorsten nu dienen?’

‘Ja, wie weet!’ zei Gandalf. ‘Maar er is nog een andere weg, die niet langs de pas van Caradhras leidt, de duistere en geheime weg waarover wij hebben gesproken.’

‘Maar laat ons er niet weer over praten! Nog niet. Ik smeek je, zeg niets tegen de anderen, niet voordat het duidelijk is dat er geen andere weg is.’

‘We moeten een beslissing nemen voor we verdergaan,’ antwoordde Gandalf.

‘Laat ons de zaak dan in onze geest afwegen, terwijl de anderen rusten en slapen,’ zei Aragorn.

Laat in de middag, terwijl de anderen nog aan hun ontbijt zaten, zonderden Gandalf en Aragorn zich af en keken naar de Caradhras. Haar flanken waren nu donker en dreigend en de top ging schuil in een grijze wolk. Frodo keek ernaar en vroeg zich af hoe het gesprek zou verlopen. Toen ze zich weer bij de Reisgenoten voegden, sprak Gandalf en toen wist hij dat er besloten was om het weer en de hoge bergpas te trotseren. Hij was opgelucht. Hij had er niet het flauwste vermoeden van wat de andere duistere en geheime weg was, maar alleen het noemen ervan had Aragorn klaarblijkelijk al met ontzetting vervuld, en Frodo was blij dat die was opgegeven.

‘Uit tekens die we de laatste tijd hebben gezien,’ zei Gandalf, ‘vrees ik dat de Roodhornpas misschien wordt bewaakt; en ik ben ook niet gerust over het weer dat achter ons komt opzetten. Het zou kunnen gaan sneeuwen. We moeten met de grootst mogelijke spoed gaan. Maar zelfs dan zullen er meer dan twee marsen voor nodig zijn voor we de top van de pas bereiken. De duisternis zal vanavond vroeg invallen. Wij moeten op weg gaan, zodra jullie klaar kunnen zijn.’

‘Ik zal er, als het mij is toegestaan, een woord van raad aan toevoegen,’ zei Boromir. ‘Ik ben geboren onder de schaduw van de Witte Bergen en weet het een en ander van reizen op hoog terrein. We zullen een bittere koude ontmoeten, zo niet erger, voor we aan de andere kant afdalen. Het zal ons niet helpen ons zo stil te houden, dat we doodvriezen. Wanneer wij van hier vertrekken, waar nog wat bomen en bosjes staan, moet elk van ons een takkenbos meenemen, zo groot als hij kan dragen.’

‘En Willem kan nog wel wat meer dragen, nietwaar, jongen?’ zei Sam. De pony keek hem treurig aan.

‘Goed,’ zei Gandalf. ‘Maar we moeten het hout niet gebruiken – niet tenzij het een keuze is tussen vuur en dood.’

De Reisgenoten zetten zich weer in beweging, aanvankelijk met een behoorlijke snelheid, maar weldra werd hun weg steil en moeilijk. De slingerende, stijgende weg was op vele plaatsen helemaal verdwenen, en was door vele stenen geblokkeerd. De nacht werd gevaarlijk donker onder grote wolken. Een snerpende wind wervelde tussen de rotsen. Tegen middernacht waren ze halverwege de hellingen van de grote bergen. Het nauwe pad slingerde zich nu onder een steile muur van rotswanden links, waarboven de onheilspellende flanken van de Caradhras onzichtbaar in de duisternis oprezen; rechts was een leegte van duisternis waar het land zich plotseling in een diep ravijn stortte.

Moeizaam beklommen ze een steile helling en bleven een ogenblik op de top staan. Frodo voelde iets zachts zijn gezicht aanraken. Hij stak zijn arm uit en zag vage witte sneeuwvlokjes op zijn mouw vallen.

Zij gingen verder. Maar het duurde niet lang of de sneeuw viel snel, de hele lucht vullend, en wervelde voor Frodo’s ogen. De donkere gebogen gestalten van Gandalf en Aragorn, slechts enkele passen voor hem uit, waren nauwelijks zichtbaar.

‘Ik vind hier helemaal niets aan,’ zei Sam hijgend achter hem. ‘Sneeuw op een mooie ochtend is tot daar aan toe, maar ik lig liever in bed terwijl ze valt. Ik wou dat dit pak naar Hobbitstee ging. Misschien zouden ze het daar leuk vinden.’ Behalve op de hoge heidevelden van het Noorderkwartier behoorde een zware sneeuwval in de Gouw tot de zeldzaamheden, en werd als een prettige gebeurtenis en een aanleiding tot vrolijkheid beschouwd. Geen levende hobbit (behalve Bilbo) kon zich de Strenge Winter van 1311 herinneren, toen witte wolven de Gouw over de bevroren Brandewijn binnenvielen.