Gandalf bleef staan. De sneeuw lag dik op zijn kap en schouders; zijn schoenen waren er al tot aan de enkels in weggezakt.
‘Hier was ik bang voor,’ zei hij. ‘Wat zeg je nu, Aragorn?’
‘Dat ik er ook bang voor was,’ antwoordde Aragorn, ‘maar minder dan voor andere dingen. Ik wist dat er het risico van sneeuw was, hoewel er zelden zo ver in het zuiden een dik pak valt, behalve hoog in de bergen. Maar we zijn nog niet hoog; we zijn nog laag, waar de paden gewoonlijk de hele winter begaanbaar zijn.’
‘Ik vraag me af of de Vijand hierachter steekt,’ zei Boromir. ‘Men zegt in mijn land dat hij de stormen in de Schaduwbergen aan de grenzen van Mordor beheerst. Hij bezit vreemde machten en vele bondgenoten.’
‘Zijn arm reikt wel ver,’ zei Gimli, ‘als hij sneeuw uit het noorden kan halen om ons hier, driehonderd mijl verder, last te veroorzaken.’
‘Zijn arm reikt inderdaad ver,’ zei Gandalf.
Terwijl zij halt hielden, ging de wind liggen en de sneeuwval verminderde, totdat hij bijna ophield. Ze zetten zich weer in beweging. Maar ze waren nog geen paar honderd meter gegaan of de storm kwam met hernieuwde woestheid terug. De wind floot en de sneeuw werd een verblindende sneeuwstorm. Weldra had zelfs Boromir moeite om vooruit te komen. De hobbits, die bijna dubbel gebogen waren, zwoegden achter de groteren aan, maar het was duidelijk dat ze niet veel verder konden gaan als het bleef sneeuwen. Pepijn raakte achter. Zelfs Gimli, stoer als een dwerg maar kon zijn, gromde terwijl hij voortsjokte.
Plotseling bleven de Reisgenoten staan alsof ze tot een afspraak waren gekomen zonder dat er iets was gezegd. Ze hoorden griezelige geluiden in de duisternis rondom hen. Misschien was het slechts de wind in de spleten en holen in de rotswand, maar de geluiden klonken als schrille kreten en gierend woest gelach. Stenen begonnen van de berghelling af te rollen, over hun hoofden fluitend of op het pad naast hen neerstortend. Af en toe hoorden ze dof gerommel als een groot rotsblok van onzichtbare hoogten boven neerdonderde.
‘We kunnen vannacht niet verdergaan,’ zei Boromir. ‘Laten zij die dat willen het de wind noemen; er zijn boze stemmen in de lucht, en deze stenen zijn op ons gericht.’
‘Ik noem het de wind,’ zei Aragorn. ‘Maar daarom is wat jij zegt niet onwaar. Er zijn vele boze, vijandige dingen in de wereld, die weinig liefde hebben voor hen die op twee benen gaan, en toch niet samenspannen met Sauron, maar hun eigen doeleinden hebben. Sommige bestaan langer in deze wereld dan hij.’
‘Caradhras werd de Wrede genoemd en had een slechte naam,’ zei Gimli, ‘vele jaren geleden toen men in deze landen nog niets over Sauron had gehoord.’
‘Het is van weinig belang wie de vijand is, als wij zijn aanval niet kunnen afslaan,’ zei Gandalf.
‘Maar wat kunnen we doen?’ riep Pepijn ongelukkig uit. Hij leunde op Merijn en Frodo, en rilde.
‘Óf blijven waar we zijn, óf teruggaan,’ zei Gandalf. ‘Het heeft geen zin om verder te gaan. Slechts een weinig hoger, als ik mij goed herinner, verlaat dit pad de rotswand en loopt in een brede ondiepe geul aan de voet van een lange harde helling. We zouden daar geen enkele beschutting tegen de sneeuw, stenen of andere dingen hebben.’
‘En het heeft geen zin om terug te gaan terwijl de storm voortwoedt,’ zei Aragorn. ‘Op onze weg naar boven zijn we niet langs een plek gekomen die meer beschutting bood dan de rotswand waar wij nu onder staan.’
‘Beschutting!’ mompelde Sam. ‘Als dit beschutting is dan vormen één muur en geen dak een huis.’
De Reisgenoten gingen nu zo dicht mogelijk tegen de rotswand aan staan. Die lag op het zuiden, en aan de onderkant stak hij een eindje uit, zodat ze hoopten dat hij hun enige beschutting tegen de noordenwind en de vallende stenen zou geven. Maar rondkolkende vlagen wervelden van alle kanten tegen hen aan, en de sneeuw viel in steeds dichtere wolken.
Zij drongen zich samen met hun ruggen tegen de muur. Willem de pony stond geduldig maar neerslachtig voor de hobbits en beschutte hen een weinig, maar het duurde niet lang of de vallende sneeuw kwam boven zijn schoften uit en steeg nog hoger. Als ze geen grotere metgezellen zouden hebben gehad, zouden de hobbits weldra helemaal zijn ondergesneeuwd.
Een grote slaperigheid overviel Frodo; hij voelde zich al gauw in een warme en mistige droom verzinken. Hij dacht dat een vuur zijn tenen verwarmde en uit de schaduwen aan de andere kant van de haard hoorde hij Bilbo’s stem spreken. Ik vind je dagboek niet erg goed, zei hij. Sneeuwstormen op 12 januari; je had niet terug hoeven te komen om me dat te rapporteren!
Maar ik wilde rusten en slapen, Bilbo, antwoordde Frodo met moeite, toen hij voelde dat hij werd geschud en pijnlijk ontwaakte. Boromir had hem van de grond uit een bed van sneeuw getild.
‘Dit zal de dood van de halflingen zijn, Gandalf,’ zei Boromir. ‘Het is nutteloos om hier te blijven zitten tot de sneeuw tot boven onze hoofden komt. We moeten iets doen om onszelf te redden.’
‘Geef hun dit,’ zei Gandalf, terwijl hij in zijn bagage zocht en een leren fles tevoorschijn haalde. ‘Net een mondjevol – voor ons allen. Het is zeer kostbaar. Het is miruvor, de drank van Imladris. Elrond heeft het mij bij ons afscheid gegeven. Laat het rondgaan.’
Zodra Frodo een teug van de warme en geurige drank had genomen, voelde hij nieuwe moed in zijn hart, en de zware slaperigheid trok uit zijn ledematen. De anderen leefden ook op en vonden nieuwe hoop en kracht. Maar de sneeuw verminderde niet. Zij wervelde dichter dan ooit om hen heen en de wind gierde luider.
‘Wat zouden jullie van vuur zeggen?’ vroeg Boromir plotseling. ‘De keuze schijnt nu te gaan tussen vuur en dood, Gandalf. Ongetwijfeld zullen we aan alle minder vriendelijke blikken onttrokken zijn wanneer de sneeuw ons heeft bedekt, maar daar hebben we niets aan.’
‘Je mag een vuur aanleggen als je kunt,’ antwoordde Gandalf. ‘Als er waarnemers zijn die deze storm kunnen doorstaan, kunnen zij ons toch zien, vuur of geen vuur.’
Maar hoewel ze op Boromirs aanraden hout en vuurmakers hadden meegenomen, ging het de behendigheid van elf of zelfs dwerg te boven om een vlam te maken die aanbleef te midden van de wervelende wind of die het vochtige brandhout wilde pakken. Eindelijk hielp Gandalf tegen zijn zin zelf een handje. Hij pakte een takkenbos op, hield deze een ogenblik omhoog en toen, met een bevelend naur an edraith ammen! stak hij het einde van zijn staf er middenin. Onmiddellijk spoot er een fontein van groene en blauwe vlammen uit op en het hout vlamde en knetterde.
‘Als wij worden gadegeslagen, weten ze tenminste wie ik ben,’ zei hij. ‘Ik heb Gandalf is hier geschreven in tekens die iedereen kan lezen, van Rivendel tot de monding van de Anduin.’
Maar de Reisgenoten bekommerden zich niet langer om waarnemers of vijandige blikken. Zij waren verheugd het licht van het vuur te zien. Het hout brandde vrolijk, en hoewel de sneeuw er overal omheen siste en plasjes dooiwater onder hun voeten door sijpelden, warmden ze hun handen blij aan de vlammen.
Daar stonden zij, gebogen in een kring rond de kleine dansende en flakkerende vlammen. Een rood licht bescheen hun vermoeide, angstige gezichten; achter hen stond de nacht als een zwarte muur.
Maar het hout brandde vlug op en de sneeuw viel nog steeds.
Het vuur brandde laag en de laatste takkenbos werd erop gegooid.
‘De nacht loopt ten einde,’ zei Aragorn. ‘De dageraad is niet ver meer af.’
‘Als hij door deze wolken heen kan dringen,’ zei Gimli.
Boromir stapte uit de kring en keek omhoog naar de duisternis. ‘De sneeuw wordt minder,’ zei hij, ‘en de wind is rustiger.’
Frodo keek vermoeid naar de vlokken die nog uit de duisternis kwamen dwarrelen en een ogenblik wit oplichtten in het schijnsel van het dovende vuur; maar het duurde geruime tijd voor hij zag dat het minder werd. Toen de slaap hem plotseling weer begon te overmannen, merkte hij dat de wind inderdaad was gaan liggen en de vlokken groter en minder werden. Heel langzaam begon het lichter te worden. Ten slotte hield het helemaal op met sneeuwen.