Выбрать главу

‘Laat vrouwe Dyelin berichten dat ik haar tref in de Kaartenkamer.’ Elayne werd overspoeld door hoop. Misschien zou ze eindelijk goed nieuws krijgen.

17

Een bronzen beer

Elayne liet vrouw Harfor en meester Norrij achter. Ze hield saidar vast en liep met gespannen verwachting naar de Kaartenkamer. Vol verwachting, maar niet gehaast. Deni en drie gardevrouwen beenden voor haar uit, hun hoofden draaiden, steeds uitkijkend naar bedreigingen, en de andere vier stampten achter haar aan. Ze betwijfelde of Dyelin lang bezig zou zijn met opfrissen, of ze nu goed of slecht nieuws had. Het Licht geve dat het goed nieuws was. Birgitte, haar handen achter haar rug ineengeslagen en met een frons op haar gezicht, leek in gedachten verzonken terwijl ze liepen, maar ze keek in elke dwarsgang alsof ze een aanval verwachtte. Er stroomde nog steeds bezorgdheid door de binding. En vermoeidheid. Elaynes kaken knapten toen ze gaapte voordat ze het kon onderdrukken. Ze bleef niet alleen statig lopen om geen geruchten te veroorzaken. Er waren nu meer dan alleen bedienden in de gangen. De beleefdheid had haar gedwongen kamers in het paleis aan te bieden aan de edelen die de stad wisten te bereiken met hun wapenlieden. De term wapenlieden werd overigens ruim opgevat; sommigen waren goed geoefend en droegen elke dag een zwaard, anderen hadden voor de ploeg gelopen voor ze werden opgeroepen om hun vrouwe of heer te volgen. Er verbleef inmiddels een aanzienlijk aantal van hen in het paleis. Vooral diegenen die geen woning hadden in Caemlin of, vermoedde ze, wat krap bij kas zaten. Boeren of arbeiders dachten misschien dat alle edelen rijk waren, en dat waren de meeste zeker ook, maar vaak alleen maar in vergelijking met hen. De kosten die ze in hun positie en voor hun plichten moesten maken, zorgden ervoor dat de meesten hun uitgaven even zorgvuldig bijhielden als elke boerenvrouw. Wat ze met de pas gearriveerde mensen moest doen, wist ze niet. Er sliepen al drie of vier edelen in één bed als het groot genoeg was; in de meeste andere pasten er twee. Veel Kinsvrouwen waren verbannen naar strozakken op de vloer in de bediendenkwartieren – het Licht zij dank dat de lente dat mogelijk had gemaakt.

Het leek wel alsof al haar nobele gasten aan de wandel waren, en telkens als ze er een tegenkwam, maakte die een kniks en moest ze blijven staan en minstens een paar woorden met hem of haar wisselen. Sergase Gilbearn, klein en slank in een groen rijgewaad, haar donkere haren licht doorspikkeld met wit, die alle twintig wapenlieden in haar dienst had meegenomen, en de zure oude Kelwin Janevor, pezig in zijn onopvallend verstelde blauwe wollen jas, die er tien had meegebracht, kregen een even vriendelijk woord als de lange Barel Layden en de stevige Anthelle Sharplyn, hoewel zij Hoogzetels waren, al was het dan van mindere Huizen. Ze hadden allemaal gereden om haar te steunen met wat ze konden verzamelen, en geen van hen was weer vertrokken nadat ze vernamen hoe de kansen lagen. Velen van hen leken vandaag echter slecht op hun gemak. Niemand zei er iets over – ze waren vol goede wensen en hoop op een snelle kroning en wat een eer het was om haar te volgen – maar de bezorgdheid was op hun gezichten te lezen. Arilinde Branstrom, doorgaans zo uitgelaten dat ze misschien wel geloofde dat haar vijftig wapenlieden het tij voor Elayne eigenhandig konden keren, was niet de enige vrouw die op haar lip beet. Laerid Traehand, stevig en zwijgzaam en meestal standvastig als een rots, was niet de enige man met een gefronst voorhoofd. Zelfs het nieuws over Guybon en de hulp die hij had meegebracht, zorgde slechts kort voor een glimlach, die snel weer door ongemak werd weggespoeld. ‘Denk je dat ze gehoord hebben over de zelfverzekerdheid van Arymilla?’ vroeg ze in een van de korte ogenblikken dat ze niet hoefde in te gaan op buigingen en kniksen. ‘Nee, dat zou niet genoeg zijn om Arilinde of Laerid van streek te maken.’ Zelfs al was Arymilla met dertigduizend man binnen de muren, dan zouden die twee nog niet van streek zijn.

‘Nee, inderdaad,’ vond ook Birgitte. Ze keek om zich heen of niemand behalve de gardevrouwen hen kon horen voordat ze verderging. ‘Misschien zijn ze bezorgd over hetzelfde als ik. Je verdwaalde niet echt toen we terugkwamen. Of eigenlijk kreeg je hulp.’

Elayne bleef staan om snel wat woorden te wisselen met een grijsharig stel in wollen kleding die een welvarende boer niet zou hebben misstaan. Brannin en Elvaine Martans landhuis leek veel op een grote boerderij, een groot huis waar meerdere generaties woonden. Een derde van de wapenlieden bestond uit hun zonen en kleinzonen, neven en achterneven. Alleen degenen die te jong of te oud waren om te rijden, waren achtergebleven om de gewassen te planten. Ze hoopte dat het glimlachende paar niet het gevoel kreeg genegeerd te worden, want ze liep bijna meteen weer door. ‘Wat bedoel je met dat ik hulp kreeg?’ wilde ze weten.

‘Het paleis is... veranderd.’ Even kwam er verwarring door de binding. Birgitte grimaste. ‘Het klinkt waanzinnig, dat weet ik, maar het is alsof alles net even anders is gebouwd.’ Een van de gardevrouwen voor hen verstapte zich, maar herstelde zich weer. ik heb een goed geheugen...’ Birgitte aarzelde en de binding werd vervuld van een chaos van gevoelens die snel werden weggedrukt. De meeste van haar herinneringen aan vorige levens waren verdwenen als sneeuw voor de zon. Ze wist niets meer van voor de oprichting van de Witte Toren, en de vier levens die ze had geleefd tussen toen en het einde van de Trollok-oorlogen begonnen uiteen te vallen. Ze leek maar voor weinig bang, maar ze vreesde dat ze de rest ook zou kwijtraken, vooral haar herinneringen aan Gaidal Cain. ik vergeet een pad niet meer als ik het eenmaal heb gevolgd,’ vervolgde ze, ‘en sommige van deze gangen zijn niet meer hetzelfde als voorheen. Enkele gangen zijn... verschoven. Andere zijn er niet meer, en er zijn een paar nieuwe bij gekomen. Niemand praat erover voor zover ik heb kunnen ontdekken, maar ik denk dat de ouderen zwijgen omdat ze bang zijn dat ze seniel worden, en de jongeren omdat ze bang zijn hun positie kwijt te raken.’

‘Dat is...’ Elayne deed haar mond dicht. Het was duidelijk niet onmogelijk. Birgitte had geen last van waanbeelden. Naris’ tegenzin om haar vertrekken te verlaten leek plotseling begrijpelijk, en misschien ook de eerdere verwarring van Reene. Ze wenste bijna dat ze inderdaad beneveld was door haar zwangerschap. Maar hoe? ‘Het komt niet door de Verzakers,’ zei ze vastberaden. ‘Als ze zoiets konden, hadden ze het al veel eerder gedaan, en ook wel erger... Ook goedendag, Heer Aubrem.’

Aubrem Pensenor was mager, verweerd en kaal op een randje wit haar na. Hij zou eigenlijk thuis moeten zitten met de kinderen van zijn kleinkinderen op zijn knie, maar zijn rug was recht en zijn ogen stonden helder. Hij was een van de eersten geweest die Caemlin hadden bereikt, met bijna honderd man en het nieuws dat Arymilla Marne optrok naar de stad, met steun van Naean en Elenia. Hij begon te mijmeren hoe hij voor haar moeder had gereden in de Opvolging, totdat Birgitte mompelde dat vrouwe Dyelin op haar wachtte. ‘O, laat mij u in dat geval niet ophouden, Vrouwe,’ zei de oude man hartelijk. ‘Doet u alstublieft de groeten aan vrouwe Dyelin. Ze heeft het zo druk gehad, en ik heb nog geen twee woorden met haar gewisseld sinds ik in Caemlin ben. Mijn hartelijkste groeten, als u wilt.’ Huis Pensenor was al sinds mensenheugenis een bondgenoot van Dyelins Huis Taravin.

‘Niet de Verzakers,’ zei Birgitte zodra Aubrem buiten gehoorsafstand was. ‘Maar de oorzaak is nog maar de eerste vraag. Gaat het wéér gebeuren? Als dat zo is, blijven de veranderingen dan goedaardig? Of word je op een dag wakker in een kamer zonder deuren of ramen? Wat gebeurt er als je in een kamer slaapt die verdwijnt? Als een gang kan verdwijnen, kan dat ook met een kamer gebeuren. En wat als het meer is dan alleen het paleis? We moeten erachter komen of alle straten nog liggen zoals ze lagen. Wat als de volgende keer een stuk van de stadsmuur verdwenen is?’