Выбрать главу

‘Dat zijn grimmige gedachten,’ zei Elayne somber. Zelfs met de Kracht in haar gaven al die mogelijkheden haar een zuur gevoel in haar maag.

Birgitte raakte de vier gouden knopen op de schouder van haar rode jas met witte kraag aan. ‘Die gedachten heb ik samen met deze knopen gekregen.’ Vreemd genoeg kwam er minder bezorgdheid door de binding nu ze haar zorgen had gedeeld. Elayne hoopte dat de vrouw niet dacht dat zij de antwoorden had. Nee, dat was echt onmogelijk. Daarvoor kende Birgitte haar te goed. ‘Beangstigt dit je, Deni?’ vroeg ze. ‘Ik moet toegeven dat het mij wel beangstigt.’

‘Niet meer dan nodig, Vrouwe,’ antwoordde de stevige vrouw zonder op te houden aandachtig voor zich uit te kijken. Terwijl de anderen een hand op hun zwaardgevesten lieten rusten, lag die van haar op haar lange knuppel. Haar stem klonk even vlak en aards als haar gezicht stond. ‘Op een keer brak een grote wagenmenner die Eldrin Hackly heette me bijna mijn nek. Hij was anders geen ruwe vent, maar hij was die avond ladderzat. Ik had de hoek verkeerd ingeschat, en mijn knuppel ketste op zijn schedel af zonder er een deuk in te maken. Dat beangstigde me meer, want ik was er zeker van dat ik niet meer lang te leven had. Nu kan er van alles misschién gebeuren, en elke dag dat je wakker wordt kan je laatste zijn.’

Elke dag dat je wakker wordt kan je laatste zijn. Er waren ergere manieren om naar het leven te kijken, nam Elayne aan. Toch huiverde ze. Zij was veilig, tenminste tot haar kinderen waren geboren, maar dat gold niet voor de anderen.

De twee gardisten bij de brede, met leeuwen besneden deuren naar de Kaartenkamer waren ervaren, de een klein en bijna mager, de andere breed genoeg om vierkant te lijken hoewel hij van gemiddelde lengte was. Ze leken in niets te verschillen van de andere mannen in de Garde, maar alleen goede zwaardvechters, vertrouwde mannen, kregen deze taak. De kleine man knikte naar Deni, en ging toen stijf rechtop staan na een afkeurende frons van Birgitte. Deni glimlachte verlegen naar hem – Deni! Verlegen! – terwijl twee gardevrouwen hun onvermijdelijke routine afdraaiden. Birgitte deed haar mond open maar Elayne legde een hand op haar arm. De andere vrouw keek haar aan en schudde haar hoofd, en de dikke gouden vlecht zwaaide langzaam heen en weer.

‘Dit hoort niet terwijl ze aan het werk zijn, Elayne. Ze moeten zich aan hun taken wijden, niet met verliefde kalverogen naar elkaar staren.’ Ze verhief haar stem niet, maar toch kleurden Deni’s ronde wangen. Haar glimlach verdween en ze keek de gang weer in. Zo was het misschien beter, maar het was toch jammer. Iemand moest toch een beetje plezier in haar leven hebben.

De Kaartenkamer was de op één na grootste balzaal in het paleis, met vier roodgeaderde marmeren haarden waarin kleine vuurtjes brandden onder de besneden schoorsteenmantels. De gewelfde zoldering met verguldsel werd ondersteund door wijd uiteen staande pilaren, twee stap van de witmarmeren muren die waren ontdaan van tapijten, en er waren voldoende staande spiegellampen om de ruimte te verlichten alsof er vensters in zaten. Het grootste deel van de tegelvloer was een mozaïekkaart van Caemlin, meer dan duizend jaar geleden gelegd nadat de Nieuwe Stad was voltooid, maar nog voor Laag Caemlin begon te groeien. Lang voordat Andor bestond, zelfs nog voor Artur Haviksvleugel. Hij was verscheidene keren opnieuw gelegd wanneer de tegels vervaagden of versleten raakten, dus alle straten klopten – in ieder geval tot aan vandaag; het Licht geve dat dat nog het geval was – en hoewel er over de jaren vele gebouwen waren vervangen, waren zelfs sommige steegjes nog net zoals op de enorme kaart.

Er zou in de nabije toekomst echter niet gedanst worden in de Kaartenkamer. Op lange tafels tussen de pilaren lagen nog meer kaarten, sommige zo groot dat ze over de randen hingen. Op planken langs de muren lagen stapels rapporten, maar alleen die die niet zo gevoelig waren dat ze achter slot en grendel moesten worden bewaard of uit het hoofd moesten worden geleerd en vervolgens verbrand. Birgittes brede schrijftafel, vol manden die bijna allemaal vol zaten met papieren, stond aan het uiteinde van de ruimte. Als kapitein-generaal had ze haar eigen werkkamer, maar zodra ze de Kaartenkamer ontdekt had, had ze besloten dat de vloer een te mooie kaart was om niet te gebruiken.

Een kleine houten schijf, roodgeverfd, gaf de plek in de buitenmuur aan waar de aanval was afgeslagen. Birgitte greep hem en smeet hem in een ronde mand op haar schrijftafel die al vol met die dingen lag. Elayne schudde haar hoofd. Het was niet zo’n grote mand, maar als er genoeg aanvallen tegelijk kwamen om zoveel schijven nodig te hebben...

‘Vrouwe Birgitte, ik heb dat verslag over de voorraden diervoeder waar u om vroeg,’ zei een grijzende vrouw, en stak een vel papier uit dat bedekt was met nette regels. De Witte Leeuw was klein aangebracht op de borst van haar nette bruine gewaad. Vijf andere klerken gingen verder met hun werk, met krassende pennen. Ze waren enkelen van de meest vertrouwde klerken van meester Norrij, en vrouw Harfor had persoonlijk de zes boodschappers in rood met witte livrei nagetrokken, snelle jongemannen – jongens, eigenlijk – die tegen de muur stonden achter de schrijftafeltjes van de klerken. Een van hen, een knappe jongen, begon een buiging te maken voordat hij die met blozende wangen onderbrak. Birgitte had de kwestie van beleefdheden, tegenover haar of andere edelen, met enkele woorden beslecht. Het werk ging voor, en elke edele die dat niet aanstond, kon gewoon uit de Kaartenkamer wegblijven. ‘Dank u, Vrouw Anford. Ik zal er straks naar kijken. Als u en de anderen buiten willen wachten, alstublieft?’

Vrouw Anford riep snel de boodschappers en de andere klerken bijeen, en gaf ze enkel nog de tijd om hun inktpotten af te sluiten en hun werk te deppen. Niemand toonde enige verrassing. Ze waren gewend dat er soms een behoefte aan afzondering bestond. Elayne had gehoord dat mensen de Kaartenkamer ook wel de Geheimenkamer noemden, hoewel hier niets geheims werd bewaard. Dat lag allemaal achter slot en grendel in haar eigen vertrekken. Terwijl de klerken en boodschappers naar buiten liepen, beende Elayne naar een van de lange tafels met een kaart van Caemlin en de omgeving, ten minste vijftig span in elke richting. Zelfs de Zwarte Toren stond erop, een vierkantje nog geen twee roede ten zuiden van de stad. Het was een gezwel op Andor, en er was niets aan te doen. Soms stuurde ze gardisten om er te kijken, via Poorten, maar het was er groot en de Asha’man konden wel van alles uitspoken zonder dat zij erachter zou komen. Spelden met gebrandverfde koppen gaven Arymilla’s acht kampen rondom de stad aan, en metalen figuurtjes vertegenwoordigen verschillende andere kampen. Een valk, fijntjes gemaakt van goud en niet groter dan haar pink, gaf aan waar de Goshien waren. Of waren geweest. Waren ze al weg? Ze stopte de valk in haar riembuidel. Aviendha leek erg op een valk. Aan de andere kant van de kamer trok Birgitte vragend een wenkbrauw op. ‘Ze zijn weg, of bezig weg te gaan,’ zei Elayne tegen haar. Aviendha zou op bezoek komen. Ze was niet voor altijd weg. ‘Ergens heen gestuurd door Rhand. Waarheen weet ik niet, het Licht verzenge hem.’

‘Ik vroeg me al af waarom Aviendha niet bij je was.’ Elayne legde een vinger op een bronzen ruiter van minder dan een hand hoog, die een paar roede ten westen van de stad stond, iemand moet een kijkje nemen bij Davram Basheres kamp. Uitzoeken of de Saldeanen ook vertrekken. En het Legioen van de Draak.’ Het maakte eigenlijk niet uit of ze vertrokken. Ze hadden zich niet met de zaken bemoeid, het Licht zij dank, en de tijd dat Arymilla zich uit angst liet weerhouden, lag allang achter hen. Maar ze hield er niet van als er in Andor dingen gebeurden waar ze niets van wist. ‘Stuur morgen ook gardisten naar de Zwarte Toren. Zeg ze dat ze alle Asha’man tellen die ze zien.’