Выбрать главу

Dagelijks na diverse maaltijden schrobde ze vieze pannen met ruw zout en een stijve borstel in de werkruimte van de hoofdkeuken. Af en toe stak Laras haar hoofd om de hoek, maar ze zei nooit iets. En ze gebruikte nooit haar lange lepel, zelfs niet wanneer Egwene ophield met schrobben en haar onderrug masseerde, die pijn deed door het vooroverbukken in de grote ketels. Laras deelde echter wel genoeg klappen uit aan keukenhulpen en hulpkoks die probeerden grapjes met Egwene uit te halen, zoals gebruikelijk was wanneer Novices in de keuken werkten. Laras deed het voorkomen – door dit telkens wanneer ze een klets uitdeelde luidkeels te roepen – alsof ze dat deed omdat ze tijd genoeg hadden om te spelen als ze niét hoefden te werken. Maar Egwene merkte op dat Laras niet zo snel met haar lepel was als iemand een van de echte Novices plaagde of een kom koud water achter in de kraag van een meisje gooide. Schijnbaar had ze een soort bondgenoot. Kon ze maar bedenken hoe ze daar gebruik van kon maken.

Ze sleepte emmers water aan een juk over haar schouders naar de keuken, naar de Novicekwartieren, naar de Aanvaardekwartieren, helemaal omhoog naar de Ajahkwartieren. Ze droeg maaltijden naar zusters in hun kamers, harkte tuinpaden aan, trok onkruid uit, deed boodschappen voor zusters, hielp Gezetenen, veegde vloeren, dweilde vloeren, schrobde vloeren op haar handen en knieën; en dat was nog maar een deel van haar taken. Ze probeerde er nooit aan te ontkomen, en alleen maar deels omdat ze niemand een smoes wilde geven om haar lui te noemen. Op een bepaalde manier beschouwde ze ze als boetedoening omdat ze zich niet goed had voorbereid voordat ze de havenketting in cuendillar veranderde. Boetedoening moest je met waardigheid ondergaan. Zoveel waardigheid als je kon hebben terwijl je de vloer schrobde, althans.

Bovendien gaven haar bezoekjes aan de Aanvaardekwartieren haar een kans om te ontdekken hoe zij haar zagen. Er waren eenendertig Aanvaarden in de Toren, maar er waren er altijd wel een paar die lesgaven aan Novices of zelf lessen volgden. Daardoor trof ze er maar zelden meer dan tien of twaalf aan in het gebouw van negentien verdiepingen rondom de kleine tuin. Nieuws over haar aanwezigheid verspreidde zich echter altijd snel, en ze had nooit gebrek aan publiek. Eerst probeerden veel van hen haar aan het werk te zetten, vooral Mair, een mollige Arafelse met blauwe ogen, en Asseil, een slanke Taraboonse met licht haar en bruine ogen. Zij waren Novices geweest toen Egwene naar de Toren kwam, en toen al jaloers op haar snelle verheffing tot Aanvaarde. Bij hen was elke tweede zin ‘haal dit’ of ‘breng dat daarnaartoe’. Voor hen allemaal was zij de ‘Novice’ die zoveel problemen had veroorzaakt, de ‘Novice’ die dacht dat ze de Amyrlin Zetel was. Ze droeg emmers water tot haar rug er pijn van deed, zonder te klagen, maar ze weigerde hun bevelen te gehoorzamen. En dat leverde haar natuurlijk nog meer bezoekjes op aan de Meesteres der Novices. Terwijl de dagen verstreken, terwijl haar doorlopende bezoekjes aan Silviana’s studeerkamer niet het gewenste resultaat bleken te hebben, nam die stroom aan bevelen echter af en droogde uiteindelijk op. Zelfs Asseil en Mair hadden het niet echt uit valsheid gedaan; ze hadden zich enkel gedragen zoals ze dachten dat het hoorde onder de omstandigheden, en ze wisten niet wat ze met haar aan moesten.

Enkele Aanvaarden toonden zich angstig over de wandelende doden en de wijzigende indeling van de Toren, en telkens wanneer ze een bleek gezicht of betraande ogen zag, vertelde ze dezelfde dingen die ze ook tegen de Novices zei. Niet direct tegen zo’n vrouw, want dat zou haar misschien weer op de kast jagen in plaats van haar troosten, maar alsof ze in zichzelf sprak. Het werkte even goed bij Aanvaarden als bij Novices. Veel vrouwen schrokken als ze begon te praten, of deden hun mond open alsof ze haar tot stilte wilden manen, maar dat deden ze uiteindelijk geen van allen, en de vrouwen bleven altijd met bedachtzame gezichten achter. De Aanvaarden bleven de met stenen muurtjes omgeven gaanderijen op komen als ze binnenkwam, maar ze keken zwijgend toe alsof ze zich afvroegen wat ze was. Uiteindelijk zou ze hun dat laten zien. Hun, en de zusters ook. Een vrouw in wit die stilletjes in een hoekje stond in de kamer van een Gezetene of zuster werd al snel een meubelstuk, zelfs al was ze berucht. Als ze haar opmerkten, veranderden ze van onderwerp, maar ze hoorde veel belangwekkende dingetjes, vaak plannen voor wraak over een klein foutje of een onrechtmatigheid die was begaan door een andere Ajah. Vreemd genoeg schenen de meeste zusters de andere Ajahs in de Toren meer als vijanden te beschouwen dan de zusters in het kamp buiten de stad, en de Gezetenen waren al niet veel beter. Ze had zin om ze te slaan. Toegegeven, het zou goed zijn voor de verhoudingen wanneer de andere zusters terugkeerden naar de Toren, maar toch...

En ze hoorde nog andere dingen. De ongelooflijke ramp die een afvaardiging naar de Zwarte Toren was overkomen. Sommige zusters schenen het niet te geloven, maar het leek er meer op dat ze zichzelf ervan probeerden te overtuigen dat het niet gebeurd kon zijn. Er waren veel zusters gevangengenomen na een grote strijd en op de een of andere manier gedwongen om trouw te zweren aan Rhand. Daar had ze al vermoedens over gehad, en het beviel haar niet meer dan de gedachte aan zusters die werden gebonden door Asha’man. Het maakte niet uit dat hij ta’veren was of de Herrezen Draak. Geen enkele Aes Sedai had ooit eerder trouw gezworen aan een man. De zusters en Gezetenen ruzieden over wiens schuld het was, met Rhand en de Asha’man boven aan de lijst. Maar één naam kwam steeds weer naar voren. Elaida do Avriny a’Roihan. Ze spraken ook over Rhand, over hoe ze hem konden vinden vóór Tarmon Gai’don. Ze wisten dat de Laatste Slag naderde, ook al troostten ze de Novices en Aanvaarden niet, en ze wilden hem wanhopig graag in handen krijgen.

Soms waagde ze een opmerking, iets over Shemerin die tegen alle gebruiken in was ontdaan van de stola, de suggestie dat Elaida’s afkondiging over Rhand de beste manier was om hem zijn hakken in het zand te laten zetten. Ze sprak sussend over de zusters die gevangen waren genomen door de Asha’man, over degenen die gevangen waren genomen bij Dumais Bron – en liet dan Elaida’s naam vallen – of sprak haar spijt uit dat er nu afval lag te rotten op de ooit zo schone straten van Tar Valon. Daarbij hoefde ze Elaida niet te noemen; ze wisten wie er verantwoordelijk was voor Tar Valon. Af en toe leverden die opmerkingen haar bezoekjes op aan Silviana’s studeerkamer of nog meer klusjes, maar verrassend vaak ook niet. Ze onthield zorgvuldig welke zusters haar enkel zeiden dat ze moest zwijgen. Of beter nog, wie niets zeiden. Enkelen knikten zelfs instemmend voordat ze het zelf in de gaten hadden. Sommige van die klusjes hadden tot belangwekkende ontmoetingen geleid. Op de ochtend van haar tweede dag was ze met een lange bamboe-hark bezig afval uit de vijvers in de Watertuin te scheppen. Er was de vorige avond een hevige regenbui geweest, en de wind had bladeren en gras tussen de heldergroene leliebladeren en knoppen van wateririssen in de vijvers gestrooid, en zelfs een dode mus, die ze stilletjes begroef in een van de bloembedden. Twee Rode zusters stonden op een gebogen brug over de vijver. Ze hingen over de stenen leuning en keken naar haar en de vissen die onder hen zwommen in een wirwar van rood, goud en wit. Zes kraaien stegen klapwiekend op uit een van de lederbladbomen en vlogen richting het noorden. Kraaien! Er lag een ban om het terrein van de Toren tegen kraaien en raven! De Rode zusters schenen de vogels niet op te merken. Ze zat op haar hurken naast een van de vijvers en waste haar handen nadat ze die arme vogel had begraven. Plotseling verscheen Alviarin, met haar stola met witte franje dicht om zich heen geslagen alsof het nog steeds winderig was in plaats van helder en mooi weer. Dit was de derde keer dat ze Alviarin had gezien, en telkens was ze alleen in plaats van in het gezelschap van andere Witte zusters. Maar Egwene had wel groepen Witte zusters in de gangen gezien. Was daar een aanwijzing in te vinden? Ze kon zich niet voorstellen wat de oorzaak ervan kon zijn, behalve dat Alviarin om de een of andere reden door haar eigen Ajah werd buitengesloten. Zo diep kon de verrotting toch nog niet gegaan zijn?