Выбрать главу

‘Natuurlijk,’ zei Egwene snel, en draaide zich om. Ze had haar antwoord – Beonin had niemand het Reizen geleerd, en dat betekende dat ze waarschijnlijk ook geen andere informatie had verstrekt; misschien kon ze enigszins worden vertrouwd – en bovendien kwamen Nagora en Miyasi naar haar toe. Het laatste wat ze wilde was naar Silviana’s studeerkamer te worden gesleept, iets waar in ieder geval Miyasi heel goed toe in staat was. Ze had nog sterkere armen dan Ferane.

Op de morgen van haar negende dag in de Toren, voor het licht werd, kwam Doesine zelf Egwenes kamertje binnen voor haar ochtendheling. Buiten plensde het van de regen.

De twee Rode zusters die haar ’s nachts hadden bewaakt gaven haar dolkwortel, keken fronsend naar Doesine en haastten zich weg. De Gele Gezetene snoof minachtend toen de deur achter hen dichtviel. Ze gebruikte de oude methode om te helen. Egwene hijgde alsof ze in een ijskoude vijver was gegooid en ze verlangde ontzettend naar een ochtendmaal. En om vrij te zijn van de pijn in haar achterwerk. Eigenlijk voelde dat vreemd; je kon uiteindelijk aan alles wennen, en een beurs achterwerk leek al heel gewoon. Maar het feit dat de oude manier van helen werd gebruikt, de manier die elke keer was gebruikt sinds ze gevangen was genomen, bevestigde nog maar eens dat Beonin wel wat geheimen had bewaard, hoewel het nog steeds een raadsel was hoe ze dat voor elkaar kreeg. Beonin zelf had alleen maar gezegd dat veel zusters dachten dat die verhalen over nieuwe wevingen maar geruchten waren.

‘Bloed en as, je bent echt niet van plan je over te geven, hè, kind?’ zei Doesine toen Egwene haar gewaad over haar hoofd trok. Het taalgebruik van de vrouw paste in het geheel niet bij haar sierlijke verschijning, in blauwe zijde met gouden borduursel en saffieren in haar oren en haren.

‘Mag de Amyrlin Zetel zich ooit overgeven?’ vroeg Egwene toen haar hoofd aan de bovenkant van haar gewaad naar buiten kwam. Ze stak haar armen achter zich om de knopen van witgeverfde hoorn dicht te maken.

Doesine snoof weer, maar niet minachtend, dacht Egwene. ‘Dapper van je, kind. Toch wed ik dat Silviana je over niet al te lange tijd zal leren rechtop te zitten en op de juiste manier te lopen.’ Maar ze vertrok zonder Egwene te vermanen omdat ze zichzelf de Amyrlin Zetel had genoemd.

Egwene had nog een afspraak bij de Meesteres der Novices voor het ochtendmaal – tot nu toe had ze nog geen dag overgeslagen. Na een vastberaden poging van Silviana om het werk van Doesine in één klap weer ongedaan te maken, droogden haar tranen meteen nadat het slaan ophield. Toen ze opstond van het uiteinde van de schrijftafel, waar een stuk leer aan was bevestigd om op te steunen, het oppervlak versleten door wie weet hoeveel vrouwen, en haar onderrokken en gewaad tegen haar vurige huid kwamen, had ze geen neiging ineen te krimpen. Ze aanvaardde de pijnlijke hitte, verwelkomde de pijn, warmde zich eraan zoals ze haar handen warmde voor de open haard op een koude winterochtend. Haar achterwerk en een brandend haardvuur leken op dat ogenblik dan ook verdacht veel op elkaar. Maar toen ze in de spiegel keek, zag ze haar eigen uitgestreken gezicht. Ze had rode wangen, maar haar gelaatstrekken waren kalm.

‘Hoe hebben ze Shemerin kunnen terugzetten naar een positie als Aanvaarde?’ vroeg ze, terwijl ze haar tranen droogde met haar zakdoek. ik heb navraag gedaan, en er staat geen regeling voor in de Torenwet.’

‘Hoe vaak ben je al naar me toe gestuurd vanwege die “navraag” van je?’ vroeg Silviana, en hing de riem met het gespleten uiteinde naast de leren peddel en de roede in de kast. ik had verwacht dat je daar inmiddels wel mee zou ophouden.’

‘Ik ben nieuwsgierig. Hoe, als er geen regeling voor is?’

‘Geen regeling, kind,’ zei Silviana vriendelijk, alsof ze iets aan een echt kind uitlegde, ‘maar ook geen verbod. Een maas in de wet die... Nou, daar gaan we maar niet op in. Je zou alleen maar weer een manier verzinnen om er een pak slaag voor te verdienen.’ Ze schudde haar hoofd, ging achter de schrijftafel zitten en legde haar handen op het tafelblad. ‘Het probleem was dat Shemerin het aanvaardde. Andere zusters zeiden haar dat ze de verordening moest negeren, maar zodra ze besefte dat smeken de Amyrlin niet van gedachten zou laten veranderen, verhuisde ze naar de Aanvaardekwartieren.’ Egwenes maag knorde en ze verlangde naar iets te eten, maar ze was nog niet klaar. Ze had echt een gesprek met Silviana. Een gesprek, hoe vreemd het onderwerp ook was. ‘Maar waarom zou ze weglopen? Haar vriendinnen bleven toch wel proberen haar op andere gedachten te brengen?’

‘Enkelen zeiden verstandige dingen,’ zei Silviana droog. ‘Anderen...’ Ze bewoog haar handen op en neer als de schalen van een weegschaal. ‘Anderen probeerden haar te dwingen na te denken. Ze stuurden haar bijna even vaak naar mij toe als jij wordt gestuurd. Ik behandelde haar bezoeken als persoonlijke boetedoeningen, maar ze had niet jouw...’ Ze liet haar woorden wegsterven, leunde achterover in haar stoel en keek Egwene onderzoekend aan over haar tegen elkaar gezette vingers. ‘Kijk nou toch. Je hebt me aan het kletsen gebracht. Dat is zeker niet verboden, maar nauwelijks fatsoenlijk onder deze omstandigheden. Ga maar naar de eetzaal,’ zei ze. Ze pakte haar pen op en verwijderde de zilveren dop van haar inktpot, ik zet je weer neer voor het middaguur, omdat ik weet dat je niet van plan bent een kniks te maken.’ In haar stem was een heel klein beetje berusting te horen.

Toen Egwene de eetzaal van de Novices binnenkwam, stond de eerste Novice die haar zag op, en plotseling klonk er een luid geschraap van banken over de kleurrijke tegelvloer toen de anderen ook opstonden. Ze stonden zwijgend voor hun banken toen Egwene door het middenpad naar de keuken liep. Ineens rende Ashelin, een mollig, knap meisje uit Altara, naar de keuken. Voordat Egwene daar aangekomen was, kwam Ashelin terug met een dienblad in haar handen. Er stonden de gebruikelijke dikke kom thee en een bord met brood, olijven en kaas op. Egwene wilde het dienblad aanpakken, maar het meisje met de olijfkleurige huid haastte zich naar de dichtstbijzijnde tafel en zette het blad neer voor een lege bank, en maakte toen een heel kleine kniks terwijl ze achteruitliep. Gelukkig voor haar had geen van beide begeleidsters van Egwene dat ogenblik gekozen om de eetzaal in te kijken. Gelukkig voor al die Novices die waren gaan staan.

Er lag een kussen op de bank voor Egwenes dienblad. Het was een versleten ding dat in allerlei kleuren was hersteld, maar toch een kussen. Egwene pakte het op en legde het op tafel voordat ze ging zitten. Het was gemakkelijk om de pijn te verwelkomen. Ze koesterde zich in de warmte van haar eigen vuren. Er ging een zacht gemurmel door de zaal, een collectieve zucht. Pas toen ze een olijf in haar mond stak, gingen de Novices zitten.

Ze spoog hem bijna weer uit – hij was zo goed als bedorven – maar ze was uitgehongerd na haar Heling, dus spuugde ze alleen de pit in haar hand, legde die op het bord en spoelde de smaak weg met een slok thee. Er zat honing in de thee! Novices kregen alleen bij bijzondere gelegenheden honing. Ze probeerde niet te glimlachen terwijl ze haar bord leeg at, en ze at alles op, zelfs de kruimels brood en kaas, die ze oppakte met een bevochtigde vinger. Maar niet glimlachen was moeilijk. Eerst Doesine – een Gezetene! – toen Silviana’s berusting, en nu dit. De twee zusters waren veel belangrijker dan de Novices of de honing, maar het wees allemaal op hetzelfde. Ze was haar oorlog aan het winnen.

25

Dienst bij Elaida

Tarna stak haar met goud bedrukte leren map onder haar arm en bleef in het middelste gedeelte van de Toren terwijl ze naar Elaida’s vertrekken liep, hoewel ze daardoor eindeloze reeksen trappen moest beklimmen in plaats van langzaam stijgende gangen. Twee keer zaten die trappen niet op de plaats waar ze hoorden, maar zolang ze naar boven bleef lopen zou ze haar bestemming wel bereiken. Op de trappen kwam ze niemand tegen, behalve af en toe een bediende in livrei die een buiging of kniks maakte voordat ze zich verder haastte. In een van beide wentelende gangen zou ze langs de ingangen naar de Ajahkwartieren zijn gekomen en misschien andere zusters hebben getroffen. Dankzij haar Hoedsterstola mocht ze alle Ajahkwartieren binnen, maar ze vermeed ze allemaal behalve de Rode of wanneer het echt moest. Onder de zusters van andere Ajahs was ze zich maar al te bewust van het rood van haar stola, al te bewust van vurige ogen die haar vanuit kille gezichten aanstaarden. Ze brachten haar niet van haar stuk – dat gebeurde niet snel; ze kon zelfs het verschuiven van de binnenkant van de Toren wel aan – maar toch... Ze dacht niet dat het al zover was gekomen dat iemand daadwerkelijk de Hoedster zou aanvallen, maar ze nam geen risico. Het zou een lange, zware strijd worden om de situatie nog te redden, wat Elaida ook dacht, en na een aanval op de Hoedster was er misschien geen redden meer aan.