Bovendien kon ze nu, omdat ze niet over haar schouder hoefde te kijken, nadenken over Pevara’s verontrustende vraag, een vraag waar ze niet over had nagedacht voordat ze het binden van Asha’man ter sprake had gebracht. Wie kon er in de Rode Ajah eigenlijk worden vertrouwd met die taak? Doordat de Rode zusters joegen op mannen die konden geleiden, keken ze met argusogen naar alle mannen, en een vrij groot aantal haatte alle mannen. Een nog levende broer of vader ontkwam misschien aan die haat, of een geliefde neef of oom, maar zodra die allemaal dood waren, was de genegenheid dat ook. En het vertrouwen. En er was nóg een zaak van vertrouwen. Het binden van een man was een schending van een gebruik dat zo sterk was als de wet. Zelfs met Tsutama’s goedkeuring was niet te voorspellen wie er naar Elaida zou rennen als er werd gesproken over het binden van Asha’man. Ze had nog drie namen van haar mentale lijstje van mogelijkheden geschrapt tegen de tijd dat ze de deur naar Elaida’s vertrekken bereikte, slechts twee verdiepingen onder het hoogste punt van de Toren. Na bijna twee weken was dat lijstje teruggebracht naar slechts één naam, en die kon de taak onmogelijk uitvoeren.
Elaida was in haar zitkamer, waar alle meubels verguld en met ivoor ingelegd waren en het grote geweven tapijt een van de mooiste uit Tyr was. Ze zat in een stoel met een lage rugleuning voor de marmeren haard, samen met Meidani, en nipte wijn. Tarna was niet verbaasd de Grijze zuster te zien, ondanks het vroege tijdstip. Meidani at bijna elke avond samen met de Amyrlin en werd vaak overdag uitgenodigd voor een bezoekje. Elaida, met haar stola met zes strepen die breed genoeg was om haar schouders te bedekken, keek de langere vrouw over haar kristallen wijnglas aan; een adelaar met donkere ogen die naar een muis met grote blauwe ogen keek. Meidani, met smaragden in haar oren en op de brede kraag rond haar slanke hals, leek zich maar al te bewust van die blik. Haar volle lippen glimlachten, maar ze trilden een beetje. Ze bewoog haar hand met het glas erin steeds, raakte de smaragden kam boven haar linkeroor aan, klopte op haar haren of bracht een hand naar haar boezem, die grotendeels ontbloot was in een strak lijfje van zilvergrijs brokaat. Haar boezem was niet overdadig te noemen, maar door haar slanke gestalte leek het zo, en ze leek ieder ogenblik uit het kledingstuk te kunnen barsten. De vrouw was gekleed voor een bal. Of een verleiding.
‘De ochtendverslagen zijn gereed, Moeder,’ zei Tarna met een lichte buiging. Licht! Ze had het gevoel alsof ze twee minnaars had betrapt! ‘Zou je ons alleen willen laten, Meidani?’ Zelfs de glimlach die Elaida de geelharige vrouw toewierp was roofdierachtig.
‘Natuurlijk, Moeder.’ Meidani zette haar glas op het tafeltje naast haar stoel, sprong overeind en maakte een kniks waardoor ze bijna uit haar gewaad scheurde. ‘Natuurlijk.’ Ze haastte zich hijgend en met grote ogen de kamer uit.
Toen de deur achter haar dichtviel, lachte Elaida. ‘We waren hartsvriendinnen als Novices,’ zei ze, en stond op, ‘en ik geloof dat ze die banden weer wil aanhalen. Misschien laat ik dat ook wel gebeuren. Misschien laat ze dan meer los dan ze tot nu toe heeft gedaan. En dat is niets, om je de waarheid te zeggen.’ Ze liep naar het dichtstbijzijnde venster en keek neer op de plek waar haar fantastische paleis zou verrijzen, hoger dan de Toren zelf. Op een dag. Als ze de zusters ervan kon overtuigen er weer aan te werken. De zware regen die ’s nachts was begonnen hield aan, en het leek onwaarschijnlijk dat ze iets kon zien van de funderingen van het paleis, alles wat er tot nu toe stond. ‘Help jezelf aan wat wijn als je wilt.’ Tarna hield haar gezicht met moeite in de plooi. Hartsvriendinnen zag je veel onder de Novices en Aanvaarden, maar vriendinnen uit je jeugd moest je achterlaten samen met je jeugd. Niet alle zusters zagen het zo, zeker niet. Galina was behoorlijk verbaasd geweest toen Tarna haar toenaderingspogingen afsloeg nadat ze de stola had verkregen. Zijzelf verkeerde liever in het gezelschap van mannen dan van vrouwen. De meesten schenen zeer onder de indruk van Aes Sedai, dat was waar, vooral als ze hoorden dat je van de Rode Ajah was, maar in de loop der jaren had ze er een paar ontmoet die dat niet waren. ‘Dat lijkt me vreemd, Moeder,’ zei ze, en legde de leren map neer op een zijtafel. Er stond al een ingewikkeld gevlochten gouden dienblad op, met een kristallen wijnkan en glazen. ‘Ze lijkt bang voor u te zijn.’
Ze vulde een glas en rook aan de wijn voor ze een slok nam. De Voorraadkamers werkten schijnbaar. Voorlopig. Elaida had er uiteindelijk mee ingestemd dat in ieder geval die weving moest worden bekendgemaakt. ‘Bijna alsof ze weet dat u weet dat ze een spion is.’
‘Natuurlijk is ze bang voor me.’ Elaida’s stem droop van het sarcasme, maar verhardde toen. ik wil dat ze bang is. Ik ben van plan haar door de mangel te halen. Tegen de tijd dat ik haar laat afranselen, bindt ze zichzelf aan het rek vast als ik haar dat opdraag. Als ze wist dat ik het weet, Tarna, zou ze vluchten in plaats van zich aan mij over te leveren.’ Elaida bleef naar de regenbui kijken en van haar wijn nippen. ‘Heb je nieuws over de anderen?’
‘Nee, Moeder. Als ik de Gezetenen zou kunnen vertellen waarom ze in de gaten moeten worden gehouden...’
‘Nee!’ snauwde Elaida, en draaide zich om. Haar gewaad was zo druk bewerkt met rood borduursel dat het de grijze zijde eronder bijna verborg. Tarna had geopperd dat als ze minder te koop liep met haar voormalige Ajah – ze had het natuurlijk wat diplomatieker gebracht, maar dat had ze bedoeld – dat misschien kon helpen om de Ajahs weer bijeen te brengen, maar Elaida’s woede-uitbarsting was voldoende geweest om haar het zwijgen op te leggen over dat onderwerp.
‘Wat als sommige van de Gezetenen met hen samenwerken? Ik zie ze er wel voor aan. Die belachelijke gesprekken bij de brug blijven maar doorgaan, ondanks mijn bevelen. Ja, ik zie ze er zeker voor aan!’
Tarna neigde haar hoofd boven haar wijn en aanvaardde wat ze niet kon veranderen. Elaida weigerde in te zien dat als de Ajahs haar bevel om de gesprekken te staken niet gehoorzaamden, ze waarschijnlijk ook niet op haar bevel hun eigen zusters zouden bespioneren. Als ze dat zei, zou dat echter alleen maar weer tot een donderpreek leiden.
Elaida staarde haar aan alsof ze er zeker van wilde zijn dat Tarna geen tegenwerpingen zou maken. De vrouw leek harder dan ooit. En brozer. ‘Jammer dat de opstand in Tarabon is mislukt,’ zei ze uiteindelijk. ‘Maar ik neem aan dat er niets aan te doen is.’ Ze had het er echter vaak over, op vreemde ogenblikken, sinds het nieuws was gekomen dat de Seanchanen hun greep op dat land weer verstevigden. Ze was niet zo berustend als ze voorgaf, ik heb behoefte aan wat goed nieuws, Tarna. Is er nieuws over de zegels op de gevangenis van de Duistere? We moeten ervoor zorgen dat er niet meer breken.’ Alsof Tarna dat niet wist!
‘Niet volgens de verslagen van de Ajahs, Moeder, en ik denk niet dat ze zulk nieuws achterwege zouden laten.’ Ze wenste meteen dat ze haar woorden weer kon inslikken.
Elaida gromde. De Ajahs gaven slechts mondjesmaat informatie door die ze van hun ogen-en-oren kregen, en dat kon ze helemaal niet hebben. Haar eigen ogen-en-oren waren grotendeels in Andor. ‘Hoe vordert het werk in de havens?’
‘Langzaam, Moeder.’ Nu de handel zo goed als stillag, begon de stad al honger te krijgen. De mensen zouden snel beginnen te verhongeren als de havenopeningen niet werden vrijgemaakt. Zelfs het weghakken van dat deel van de ketting in Zuidhaven dat nog van ijzer was, was niet voldoende geweest om genoeg schepen binnen te laten om Tar Valon te voeden. Zodra Tarna Elaida had kunnen overtuigen van de noodzaak, had Elaida de kettingtorens laten ontmantelen zodat de grote stukken cuendillar konden worden verwijderd. Net als de stadsmuren waren de torens echter ook gebouwd en versterkt met de Kracht, en ze konden ook alleen met de Kracht worden afgebroken. Het was verre van eenvoudig. De oorspronkelijke bouwers hadden goed werk geleverd, en de bannen leken nog geen haartje zwakker te zijn geworden. ‘De Roden doen voorlopig het meeste werk. Zusters uit andere Ajahs komen ook nu en dan, maar het zijn er maar een paar. Ik verwacht echter dat dat snel zal veranderen.’ Ze wisten hoe noodzakelijk het werk was, hoe groot hun afkeer ervan ook was – geen enkele zuster hield van dergelijk werk; de Roden die het meeste ervan verzetten, klaagden behoorlijk, maar het bevel was van Elaida gekomen en tegenwoordig leidde dat tot traagheid.