Выбрать главу

Zijn verhuizing naar de tent leverde hem vreemde blikken op van de leden van de voorstelling, en dat was ook niet zo gek. Eerst was hij ervandoor gegaan met Egeanin – Leilwin, als ze erop stond – en was Domon zogenaamd haar bediende, maar nu was ze met Domon getrouwd en was Mart helemaal weg uit de wagen. Enkelen leken te denken dat hij dat verdiend had doordat hij steeds achter Tuon aanliep, maar een verrassend aantal van hen boden hem troost. Verschillende mannen betuigden hun medeleven over de wispelturigheid van vrouwen – als er tenminste geen vrouwen in de buurt waren – en sommige ongetrouwde vrouwen, slangenmensen en acrobaten en naaisters, begonnen hem veel te vriendelijk aan te kijken. Hij had daar misschien van genoten als ze hem maar niet die smeulende blikken toewierpen waar Tuon bij stond. De eerste keer dat dat gebeurde, was hij zo van zijn stuk gebracht dat zijn ogen bijna uit hun kassen rolden.

Tuon leek het grappig te vinden, nota bene! Maar alleen een dwaas dacht te weten wat er in het hoofd van een vrouw omging alleen omdat ze een glimlach op haar lippen had.

Hij bleef iedere middag met haar eten, en begon ’s avonds steeds vroeger te komen voor hun spelletje Steen zodat ze hem ook dan te eten moest geven. Het was een waarheid als het Licht: als je een vrouw zover kon krijgen dat ze je regelmatig te eten gaf, was ze al half overstag. Hij at tenminste met haar als ze hem de wagen in liet. Op een avond zat de grendel voor de deur, en hij kon haar of Selucia er met geen mogelijkheid van overtuigen de deur open te doen. Schijnbaar was er die dag een vogel binnen komen vliegen, een heel slecht voorteken, en de twee hadden de hele nacht gebeden en nagedacht om een of ander kwaad af te wenden. Ze leken hun halve leven te leiden op basis van vreemde soorten bijgeloof. Tuon en Selucia maakten vreemde gebaren met hun handen als ze een gescheurd spinnenweb zagen met de spin er nog in. Tuon legde hem uit, even ernstig alsof het echt ergens op sloeg, dat als je een spinnenweb weghaalde voordat je de spin eruit had gehaald, je zeker kon zijn dat iemand die je na stond binnen een maand zou overlijden. Soms zagen ze een groep vogels meer dan eens rondcirkelen en voorspelden ze een storm. Of ze trokken een vinger door een rij marcherende mieren en telden hoe lang het duurde voordat de mieren zich weer hadden aangesloten, en dan voorspelden ze hoeveel dagen het nog mooi weer zou blijven. Het maakte niet uit als het niet uitkwam. O, inderdaad, het regende drie dagen na de vogels – kraaien, onrustbarend genoeg – maar het was bij lange na geen storm, alleen maar grijs, druilerig weer.

‘Selucia heeft zich blijkbaar verteld met de mieren,’ zei Tuon, en legde met die vreemd sierlijk gebogen vingers een witte steen op het bord. Selucia, die over haar schouder keek in een wit hemd en bruine gespleten rokken, knikte. Zoals gebruikelijk droeg ze een sjaal over haar korte gouden haar, zelfs binnen, een stuk rood met gouden zijde vandaag. Tuon droeg zijden brokaat, een jas met een vreemde snit tot over haar heupen en een gespleten rok die zo strak zat dat het bijna een broek leek. Ze besteedde behoorlijk wat tijd om de naaisters op te dragen wat ze wilde hebben, en maar weinig ervan leek op iets wat hij ooit eerder had gezien. Het waren allemaal Seanchaanse stijlen, nam hij aan, hoewel ze een paar onopvallende rijgewaden had laten maken voor als ze naar buiten ging. De regen kletterde zachtjes op het dak van de wagen. ‘Blijkbaar is wat de vogels ons vertelden, aangepast door de mieren. Het is nooit eenvoudig, Speeltje. Je moet die dingen leren. Ik wil niet dat je onwetend bent.’

Mart knikte alsof hij het begreep en plaatste zijn zwarte steen. En zij noemde zijn gevoel van onbehagen bij kraaien en raven bijgeloof! Het was goed om te weten wanneer je je mond moest houden bij vrouwen. Ook bij mannen, maar meer bij vrouwen. Bij een man wist je vrij zeker hoe je zijn ogen vuur kon laten spuwen. Maar praten met Tuon kon ook op andere manieren gevaarlijk zijn. ‘Wat weet je over de Herrezen Draak?’ vroeg ze hem op een andere avond.

Hij verslikte zich in zijn wijn, en de wervelende kleuren in zijn hoofd vielen uiteen toen hij een hoestbui kreeg. De wijn was bijna azijn, maar zelfs Nerim had nu moeite om goede wijn te vinden. ‘Nou, hij is de Herrezen Draak,’ zei hij toen hij weer kon praten, en veegde wijn van zijn kin. Een tel lang zag hij Rhand eten aan een lange, donkere tafel. ‘Wat valt er verder nog te weten?’ Selucia vulde zijn kom bij.

‘Heel veel, Speeltje. Bijvoorbeeld dat hij vóór Tarmon Gai’don moet knielen voor de Kristallen Troon. De Voorspellingen zijn daar duidelijk over, maar ik heb zelfs niet kunnen achterhalen waar hij is. Het wordt nog dringender als hij degene was die op de Hoorn van Valere heeft geblazen, zoals ik vermoed.’

‘De Hoorn van Valere?’ vroeg hij zwakjes. Wat zeiden de Voorspellingen? is die dan gevonden?’

‘Dat moet wel, hè, als erop geblazen is?’ zei ze droog. ‘De verslagen die ik heb gelezen uit de plaats waar het gebeurd is, het heet daar Falme, zijn heel verontrustend. Heel verontrustend. Het kan wel eens even belangrijk zijn om degene te vinden die op de Hoorn heeft geblazen als om de Herrezen Draak zelf te vinden. Ga je nog een zet doen of niet, Speeltje?’

Hij maakte zijn zet, maar hij was zo van slag dat de kleuren wervelden en vervaagden zonder een beeld te vormen. Het lukte hem maar net om gelijkspel te halen, terwijl hij duidelijk voor had gestaan.

‘Aan het eind speelde je heel slecht,’ mompelde Tuon, en keek met gefronste wenkbrauwen nadenkend naar het speelbord, dat nu door evenveel zwarte als witte stenen werd bezet. Hij kon bijna zien hoe ze nadacht over hun gespreksonderwerp op het tijdstip waarop hij slecht begon te spelen. Praten met haar was net als lopen over de afbrokkelende rand van een ravijn. Eén misstap, en Mart Cauton zou even dood zijn als het schapenvlees van vorig jaar. Maar hij moest wel langs dat ravijn lopen. Hij had geen keus. O, hij genoot ervan. Op een bepaalde manier. Hoe langer hij bij haar was, hoe beter hij dat hartvormige gezichtje in zich op kon nemen, zodat hij het voor zich zag als hij zijn ogen dichtdeed. Maar altijd wachtte die misstap op hem. Die kon hij bijna voor zich zien. Op de dagen nadat hij haar het bosje zijden bloemen had gegeven, bracht hij geen geschenken voor haar mee, en hij dacht iets van teleurstelling te zien telkens wanneer hij met lege handen aan kwam. Toen, vier dagen na Jurador, net toen de zon boven de horizon verscheen in een bijna wolkeloze lucht, liet hij haar en Selucia de purperen wagen uit komen. Nou, eigenlijk wilde hij alleen Tuon meenemen, maar Selucia kon haar schaduw wel zijn, want hij kreeg ze niet uit elkaar. Hij had er eens een opmerking over gemaakt, bij wijze van grap, maar beide vrouwen hadden verder gepraat alsof hij niets gezegd had. Het was maar goed dat hij wist dat Tuon tegen een grapje kon, want soms leek ze helemaal geen gevoel voor humor te hebben.

Selucia, gewikkeld in een groene wollen mantel met de kap bijna helemaal over haar rode sjaal getrokken, keek hem argwanend aan, maar dat deed ze eigenlijk bijna altijd.

Tuon had geen sjaal omgedaan, maar met de kap van haar blauwe mantel omhoog vielen haar korte haren niet zo op. ‘Doe je handen voor je ogen, Liefje,’ zei hij. ‘Ik heb een verrassing voor je.’