Выбрать главу

Zodra Egeanin binnenkwam rolde Amathera, die met Olver op de vloer zat, zich op tot een bal. Juilin zuchtte en stond op van zijn kruk tegenover Mart aan tafel, maar Egeanin bereikte de andere vrouw het eerst.

‘Dat is nergens voor nodig, bij mij of bij iemand anders,’ zei ze, en bukte om Amathera bij de schouders te pakken en overeind te trekken.

Amathera stond langzaam op, aarzelend, en hield haar ogen neergeslagen. Egeanin zette haar hand onder Amathera’s kin en tilde haar hoofd zachtjes op. ‘Kijk me in de ogen. Kijk iedereen in de ogen.’

De Taraboonse likte zenuwachtig over haar lippen, maar ze bleef recht in Egeanins gezicht kijken toen de hand van haar kin werd gehaald. Haar ogen waren echter heel erg groot. ‘Dat is een verandering,’ zei Juilin argwanend. En met iets van boosheid. Hij stond zo stijf als een standbeeld van donker hout. Hij mocht geen enkele Seanchaan om wat ze Amathera hadden aangedaan. ‘En mij noemde je een dief omdat ik haar bevrijd had.’ Daar klonk meer dan een beetje boosheid in door. Hij haatte dieven. En smokkelaars, en dat was Domon.

‘Alles verandert uiteindelijk,’ zei Domon joviaal, glimlachend om een verhitte woordenwisseling te voorkomen. ‘U kijkt naar een eerlijk man, Meester Dievenvanger. Leilwin heeft me laten beloven dat ik het smokkelen op zou geven voordat ze erin toestemde mijn vrouw te worden. Het Fortuin hale me, wie heeft er ooit gehoord dat een vrouw niet met een man wilde trouwen als hij zijn winstgevende handel niet opgaf?’ Hij lachte alsof hij nog nooit zoiets grappigs had gehoord. Egeanin gaf hem een stomp in zijn ribben, zo hard dat zijn gelach in een grom veranderde. Nu hij met haar getrouwd was, waren zijn ribben vast één blauwe plek. ‘En ik verwacht dat je je aan die belofte houdt, Baile. Ik verander, en dat moet jij ook.’ Egeanin keek kort naar Amathera – misschien om er zeker van te zijn dat ze nog gehoorzaamde; Egeanin stond erop dat anderen deden wat ze hun opdroeg – en stak een hand uit naar Juilin. ik verander, Meester Sandar. Wilt u dat ook doen?’

Juilin aarzelde en greep toen haar hand. ik zal het proberen.’ Hij klonk twijfelend.

‘Een eerlijke poging is alles wat ik vraag.’ Ze keek fronsend rond in de tent en schudde haar hoofd, ik heb orloptafels gezien die minder druk waren dan deze tent. We hebben een vrij aardige wijn in onze wagen, Meester Sandar. Willen u en uw vrouwe niet een beker of twee met ons delen?’

Weer aarzelde Juilin. ‘Hij heeft dit spel zo goed als in zijn zak,’ zei hij uiteindelijk. ‘Uitspelen heeft geen zin meer.’ Hij zette zijn kegelvormige rode hoed op, schikte onnodig zijn donkere, wijde Tyreense jas, en bood statig zijn arm aan Amathera aan. Ze greep hem stevig vast, en hoewel haar ogen nog steeds op Egeanins gezicht gericht waren, trilde ze zichtbaar. ‘Ik neem aan dat Olver hier wil blijven om te spelen, maar mijn vrouwe en ik drinken graag wat wijn met u en uw echtgenoot, Vrouw Scheeploos.’ Zijn blik stond enigszins uitdagend. Voor hem moest Egeanin duidelijk nog echt bewijzen dat ze Amathera niet langer beschouwde als gestolen bezit.

Egeanin knikte alsof ze het volkomen begreep. ‘Het Licht schijne op u vanavond, en even zovele dagen en nachten als ons nog resten,’ zei ze bij wijze van afscheid tegen degenen die bleven. Wat een vrolijke noot.

De vier waren nog niet de deur uit of er klonk donder boven hun hoofd. Na een volgende harde donderklap kletterde de regen op het tentdak, en nam snel toe tot een stortregen die op het groengestreepte tentdoek trommelde. Als Juilin en de anderen niet hadden gerend, zouden ze nu kletsnat zijn. Noal ging tegenover Olver bij de rode doek zitten, nam Amathera’s spel over en rolde met de dobbelstenen voor Slangen-en-vossen. De zwarte schijfjes die hem en Olver vertegenwoordigden, waren bijna tot aan de rand van de doek met het webpatroon gekomen, maar iedereen kon zien dat het niets zou worden. Iedereen, behalve Olver. Hij kreunde toen een lichtgekleurde schijf met een golvende lijn, een slang, zijn stuk aanraakte, en nog eens toen een schijf met een driehoek erop die van Noal raakte. Noal pakte zijn verhaal weer op dat hij aan het vertellen was toen Egeanin en Domon verschenen, een verhaal over een of andere zeereis op een klipper van het Zeevolk.

‘Vrouwen van de Atha’an Miere zijn de sierlijkste die er bestaan,’ zei hij, en zette de zwarte schijven terug naar de cirkel midden op het speelbord, ‘meer nog dan Domani, en dat wil wat zeggen zoals jullie weten. En als ze geen land meer in zicht hebben...’ Hij liet zijn woorden wegsterven en schraapte zijn keel, met een blik op Olver, die de slangen en vossen op de hoeken van het speelveld opstapelde. ‘Wat dan?’ vroeg Olver.

‘Nou...’ Noal wreef met een kromme vinger over zijn neus. ‘Nou, dan kruipen ze zo behendig over de scheepstouwen dat het lijkt alsof ze vier handen hebben. Dat doen ze.’ Olver zei aah, en Noal zuchtte zachtjes van verlichting.

Mart begon de zwarte en witte stenen van het bord op tafel te halen en legde ze in twee besneden houten dozen. De dobbelstenen in zijn hoofd stuiterden en rammelden, en zelfs het hardste gedonder buiten kwam er niet boven uit. ‘Nog een spelletje, Thom?’ De witharige man keek op van zijn brief, ik denk het niet, Mart. Mijn hoofd is een wirwar vanavond.’

‘Als ik vragen mag, Thom, waarom lees je die brief zo? Ik bedoel, soms kijk je alsof je erachter probeert te komen wat hij betekent.’ Olver gaf een vreugdekreet toen de dobbelstenen gunstig landden. ‘Dat komt doordat ik dat ook wil. Ergens. Hier.’ Hij stak de brief uit, maar Mart schudde zijn hoofd.

‘Het gaat mij niet aan, Thom. Het is jouw brief, en ik ben niet goed in raadsels.’

‘O, het gaat jou ook aan. Moiraine heeft hem geschreven net voordat... Nou, zij heeft hem geschreven.’

Mart staarde hem een lange tijd aan voordat hij de gekreukelde brief aanpakte, en toen hij naar de uitgelopen inkt keek, knipperde hij met zijn ogen. Het vel papier was bedekt met een klein, afgemeten handschrift, maar het begon met: ‘Mijn beste Thom.’ Wie zou hebben gedacht dat Moiraine notabene die oude Thom Merrilin zo zou aanspreken? ‘Thom, dit is persoonlijk. Ik denk niet dat ik...’

‘Lezen,’ onderbrak Thom hem. ‘Dan begrijp je het wel.’ Mart haalde diep adem. Een brief van een overleden Aes Sedai. Een raadsel dat hem op de een of andere manier aanging? Plotseling wilde hij alles liever doen dan dat ding lezen. Maar hij begon toch. Zijn haar ging er bijna van rechtop staan.

Mijn beste Thom,

Er is heel veel wat ik je zou willen schrijven, woorden vanuit het hart, maar ik heb dit uitgesteld omdat ik wist dat het moest, en nu is er nog maar weinig tijd. Er zijn vele dingen die ik je niet kan vertellen omdat er rampspoed van zou komen, maar wat ik je kan vertellen, zal ik doen. Lees deze brief zorgvuldig. Straks ga ik naar de haven, en daar zal ik Lanfir treffen. Hoe ik dat kan weten? Dat geheim behoort toe aan anderen. Ik weet het, en laat die voorkennis bewijs zijn voor de rest van wat ik vertel.

Als je deze brief ontvangt, zul je te horen krijgen dat ik dood ben. Iedereen zal dat geloven. Ik ben niet dood, en misschien leef ik de mij gegunde jaren nog. Misschien proberen jij en Mart Cauton en nog iemand, een man die ik niet ken, me te redden. Misschien, zeg ik, want misschien doe je het niet of kun je het niet, of weigert Mart. Hij heeft niet de genegenheid voor me die jij schijnbaar hebt, en hij heeft zijn redenen die hij ongetwijfeld gegrond vindt. Als je het probeert, doe dat dan alleen met Mart en één andere man. Kom je met meer mensen, dan betekent dat de dood van allen. Kom je met minder mensen, dan betekent dat de dood van allen. Zelfs als je alleen met Mart en één andere man komt, kan dat de dood betekenen. Ik heb het jullie zien proberen en daarbij zien sterven, een of twee of alle drie. Ik heb mezelf zien sterven bij de poging. Ik heb ons allemaal zien leven en sterven als gevangenen. Besluit je de poging toch te wagen, dan weet de jonge Mart me te vinden, maar je moet hem deze brief niet laten lezen tot hij ernaar vraagt. Dat is heel erg belangrijk. Hij moet niets van deze brief weten tot hij ernaar vraagt. De gebeurtenissen moeten zich op een bepaalde manier voltrekken, wat de prijs ook is.