"Waarom lach je zoo gek?" vroeg haar heur moeder. "Pas op of ik breng je weer buiten...... Kom, vertel eens, waar lachte zoo om?"
Het kind stamelde. Zij had niet gelachen, zij had gehoest. Ik voor mij geloofde dat zij had gezien hoe Simoneau zich over Marguerite boog en dat haar dit allerdwaast had toegeschenen.
Toen de lamp was opgestoken, werd er weer geklopt.
"Ha! daar is de dokter", zei de oude vrouw.
Inderdaad was het de dokter. Hij verontschuldigde zich volstrekt niet over zijn late komst. Ongetwijfeld was hij dien dag al verscheidene trappen op en af geweest. Daar de lamp de kamer maar flauwtjes verlichtte, vroeg hij:
"Is het lichaam hier?"
Marguerite was bevende opgestaan. Juffrouw Gabin had Dédé buiten de deur gezet, daar een kind niet overal bij behoefde te wezen; zij deed ook alle moeite mijn vrouw naar het venster te krijgen, teneinde haar het onaangename gezicht te sparen.
De geneesheer naderde met haastige schreden. Ik giste dat hij moe, druk en ongeduldig was. Had hij mijn hand aangeraakt? Had hij de zijne op mijn hart gelegd? Ik wist het niet, doch het scheen mij toe dat hij zich alleen maar met een onverschillig uiterlijk over mij had gebogen.
"Zal ik de lamp nemen om u bij te lichten?" vroeg Simoneau op beleefden toon.
"Neen, niet noodig," antwoordde de dokter zacht. Wat? Niet noodig! Die man had mijn leven in zijn hand en oordeelde 't niet noodig mij nauwkeurig te onderzoeken. Ik was niet dood. O, ik had het zoo gaarne willen uitschreeuwen: "Ik ben niet dood!"
"Hoe laat is hij gestorven?" hernam hij.
"Vanmorgen om zes uur", antwoordde Simoneau.
Een storm van woede stak in mij op. O, niet te kunnen spreken, geen lid te kunnen verroeren!
De dokter ging voort:
"'t Is vreeselijk ongezond weer...... Niets is zoo vermoeiend als die eerste lentedagen".
En hij verwijderde zich. Mijn leven was het dat daar heen ging. Kreten, tranen, vloeken verstikten mij, verscheurden bijna mijn toegeschroefde keel. O, die ellendeling, dien de gewoonte tot een machine had gemaakt, en die aan het doodsbed kwam enkel en alleen om een formaliteit te vervullen. Die man wist dus niets! Zijn heele wetenschap was dus niet veel meer dan één leugen, dat hij met een enkelen oogopslag niet het leven van den dood kon onderscheiden. Hij ging heen, hij ging heen!
"Bonsoir, mijnheer", zeide Simoneau.
Een oogenblik van stilte. De geneesheer maakte waarschijnlijk een buiging voor Marguerite, die zich omkeerde, terwijl juffrouw Gabin het venster sloot. Daarop hoorde ik hem de kamer verlaten en zijn schreden kraken op de trap.
't Was dus voorbij! Mijn vonnis was geveld! Mijn laatste hoop verdween met dien man. Werd ik voor den volgenden morgen elf uur niet wakker, dan zou men mij levend begraven. Deze gedachte was zoo ontzettend, dat ik het bewustzijn verloor omtrent alles wat er om mij heen voorviel. Het was een bezwijming in den dood zelf. Het laatste geluid dat mijn gedachten nog bereikte, was dat der scharen van juffrouw Gabin en Dédé.
De treurige doodenwaak begon. Niemand sprak meer. Marguerite had geweigerd in de naburige kamer te gaan slapen. Zij lag daar achterover in haar fauteuil, met bleek gelaat en gesloten oogen, aan wier wimpers de tranen blonken. Stil in het halfduister zat Simoneau tegenover haar en wendde de oogen niet van haar af.
III.
Met geen mogelijkheid ben ik in staat mijn doodstrijd van dien morgen te schetsen. De herinnering er aan is mij bij-gebleven als een benauwden droom, waarin mijn gewaarwordingen zóó wonderlijk, zóó zonderling waren, dat het mij uiterst moeilijk zou vallen ze te beschrijven. Wat mijn kwelling nog grooter maakte was mijn hoop op een plotseling ontwaken. Naarmate het uur van mijn begrafenis nader kwam, werd mijn angst grooter. Alleen tegen den morgen had ik een zuiver begrip van de personen en dingen rondom mij. Het geknerp der jalousiën wekte mij uit mijn verdooving. Juffrouw Gabin had het venster geopend. 't Moest ongeveer zeven uur zijn, want ik hoorde het geroep der venters in de straat, de schelle stem van een meisje dat vogelkruid verkocht en het schorre geschreeuw van een ander, die "wortelen" riep. Dit ontwakend leven van Parijs stemde mij aanvankelijk kalm; 't scheen mij onmogelijk toe dat men mij onder den grond stopte, waar alles zoo vol leven was. De herinnering aan een gebeurtenis stelde mij eveneens gerust. Ik herinnerde mij eens een soortgelijk geval als het mijne gezien te hebben toen ik nog in betrekking was aan het hospitaal te Guérande. Een man had daar eveneens vier en twintig uur achtereen geslapen en zijn slaap was zóó diep geweest dat de geneesheeren niet wisten wat zij er van zeggen moesten; deze man was plotseling recht overeind gaan zitten en had aanstonds weder kunnen wandelen. Ik sliep nu reeds vijf en twintig uur. Als ik om tien uur wakker werd, zou 't nog vroeg genoeg zijn.
Ik trachtte mij rekenschap te geven van de personen, die in de kamer waren en van hetgeen zij deden. De kleine Dédé speelde zeker in de gang, want de deur stond open en een kinderlachje klonk naar binnen.
Simoneau was ongetwijfeld vertrokken; geen enkel geluid verried zijn aanwezigheid. Alleen de pantoffels van juffrouw Gabin klakten over den vloer. Eindelijk begon men te spreken.
"Mijn lieve," zei de oude vrouw, "'t is werkelijk verkeerd dat je ze niet drinkt terwijl ze warm is. 't Zal je goed doen." Zij zei dit tegen Marguerite en het zachte geluid van een filter op den schoorsteen, vertelde mij dat men bezig was koffie te zetten.
"Je begrijpt", ging zij voort, "dat ik er bepaald trek in had. Op mijn leeftijd is het niet alles te waken en 't is zoo triestig 's nachts als een ongeluk in huis is...... Toe drink eens, mijn beste, één kopje maar".
Zij dwong Marguerite half een kopje te nemen.
"Hè, dat is warm en doet u goed. Je mag vandaag wezenlijk wel wat kracht verzamelen...... Wees nu verstandig en wacht in mijn kamer de dingen af".
"Neen, ik wil hier blijven", antwoordde Marguerite op beslisten toon.
Haar stem, welke ik sinds den vorigen dag niet gehoord had, deed mij bijzonder aan. Wat was zij veranderd en door de droefheid als gebroken. O, die lieve vrouw, ik voelde dat zij, als laatste troost, aan mijn zijde was. Ik wist, dat zij de oogen niet van mij afwendde en zij mij beweende met haar gansche hart.
De minuten gingen voorbij. Een oogenblik was er een leven aan de deur, dat ik mij niet verklaren kon.
Men zou gemeend hebben het binnenbrengen van een voorwerp, dat stootte tegen den muur, terzijde van de smalle trap. Aan het vernieuwde snikken van Marguerite begreep ik: het was de doodkist.
"Ge komt te vroeg", zei juffrouw Gabin, iet of wat wrevelig. "Zet haar maar achter het bed".
Hoe laat was het dan. Negen uur misschien.
De kist stond daar dus reeds. Ik zag haar in de duisternis van den nacht, geheel nieuw, met haar nieuw geschaafde planken. Mijn God, was dan alles bijna gedaan! Zou men mij dan wegstoppen in dat plankenhok, dat ik aan mijn voeten voelde? En toch was ik in al mijn droefheid gelukkig. Marguerite, ondanks haar zwakte, wilde mij de laatste diensten bewijzen. Zij was het die, geholpen door de oude vrouw, mij kleedde, teeder en zorgvol als een zuster en een echtgenoote. Bij ieder kleedingstuk, dat zij mij aandeed, was het mij of zij mij nog eens in haar armen nam. Haar tranen vielen op mijn gelaat. O, ik had haar gaarne den kus, die zij op mijn voorhoofd drukte, terug gegeven, uitroepende: "Ik leef!" Doch machteloos moest ik blijven liggen als een doode massa.
"Je doet toch verkeerd," zeide juffrouw Gabin, "het is zonde van de kleeren."
Tusschen haar snikken door antwoordde Marguerite:
"Laat mij maar begaan, ik wil hem het beste medegeven wat wij hebben".
Ik begreep dat zij mij mijn trouwpak aantrok. Ik had nog die kleeren, welke ik te Parijs slechts hoopte aan te doen op buitengewone feestdagen. Daarna viel zij afgemat door de inspanning in haar stoel terug.